Masculinair weblog


De Cheffen

what's cookin'

Error: Er zijn geen polls

Recente Reacties




Mister Kitchen

Gentlemen...claim your kitchen!

Reismenu in Kookboek Top 10 2008

Vk%20Reismenu-1.jpg

p.s. Dit is dus de echte cover van Reismenu

Ik probeerde in Westpunt op Curaçao juist een stukje leguaan te verorberen, toen ik het sms-berichtje kreeg. 'Reismenu, Verhalen in Gerechten' is opgenomen in de Kookboek Top 10 van 2008 van de Volkskrant. Ik spuugde met een verheugd boogje een afgesabbeld botje uit en veegde iets te glimlachend mijn lippen droog.

Tijd voor nog een Polar besloot ik, zonder overleg met mijn reisgenoot/fotograaf Rob, verantwoordelijk voor de fotografie van het kook-, lees-, en reisboek. Reismenu, het eerste echte Cheffen-kookboek -de verhalen verschenen eerder allemaal op julie favoriete foodlog- is vanaf heden online te bestellen via onder meer www.kunstmag.nl en vanaf dinsdag te krijgen bij de betere boekhandel. O ja, ook het kookboek 'Arabia' van Cheffen-collega Merijn Tol en Nadia Zerouali is in die Top 10 opgenomen.

Reismenu staat ook op het Verlanglijstje voor de Sint van NRC Next. "Lekker leesvoer", schrijft de krant, "zo smakelijk". Ook hier een hitnotering voor 'Arabia'.

Reismenu, the making off III

Chabot%20%26%20boeken-1.jpg

Midden november verschijnt een bundel van alle verhalen die Mr. Global schreef voor Cheffen.nl, aangevuld met reisfoto’s en foodshots. Titel: Reismenu, verhalen in gerechten. Het is het eerste Kook- Reis- en Leesboek van Nederland, en beslist het leukste cadeau voor de feestdagen. Deel III van the making off: het voorwoord, van Bart Chabot: "Cors boek liet me niet meer los."

Leesvoer

Het zomerde volop in Den Haag; hoewel het oktober was, herfst, en dus geen zomer, officieel.
Maar daarvan trokken de zon en Den Haag zich vandaag niets aan. Integendeel, de zon legde het er dik bovenop.
Duimendik.
De stad voelde aan als juli. Vanochtend marcheerde een leger blote benen naar het strand; vanavond zouden diezelfde benen op huis aan gaan, bruiner nu.

Op het terras van Snackcorner Escamp aan het Monnickendamplein, zaten rond het middaguur twee oudere vrouwen, Ans en Wil.
‘Hé Nel,’ zei Ans tegen de serveerster die een bord friet op tafel zette, ‘waarom krijg ik geen servetje?’
‘Dit is friet,’ zei Nel. ‘Daar doen we geen servet bij. Je heb toch een vorrekje? Nou dan.’
‘Ja, Nel,’ zei Ans, ‘maar net, bij mijn broodje kroket, toen had ik wél een servet.’
‘Okee,’ besloot Nel, het gezeur beu, ‘mij best. Dan krijg jij een servet, Ans. Jij je zin.’
‘Nou ja,’ sputterde Ans tegen, ‘het hóeft ook niet.’
‘Wat?!’ zei Nel. ‘Nee, nou zal je ‘m krijgen ook, je slabbertje!’
Er stopte een tram op het Monnickendamplein, eentje van Randstad Rail. Het tramstel oogde uiterst modern, alsof-ie uit Hong Kong of San Francisco kwam, en nooit uit de rails zou lopen.
Over exotische bestemmingen gesproken…
Voor me lag een boek van Cor Hospes. Met het verzoek daar een Voorwoord voor te schrijven.
Voorts had hij me per mail laten weten dat er haast bij was, bij dat Voorwoord, grote haast. Mijn verontschuldiging dat mijn leven zich grotendeels afspeelde onder extreem drukke omstandigheden, daar had Cor geen boodschap aan, aan dat excuus, had hij me laten weten. ‘Extreem drukke omstandigheden’, daar wist hij alles van, ja, daar kon Cor over meepraten.
Kortom, ik diende onverwijld aan de slag te gaan.
En dat deed ik dan ook. Ja, aan mij héb je wat, als het er echt op aankomt; dat durf ik hier gerust hardop uit te spreken.
Ter zake.
Ik sloeg zijn boek open, en begon te lezen. Had ik nog iets van deze prachtige dag willen maken, dan was ik nu te laat. Want Cors boek liet me, eenmaal beet hebbend, niet meer los. Ik reisde heel de wereld over, fluitend. Ik ging met Cor mee naar Sierra de Aracene y Picos de Aroche, dat zich in Spanje bleek te vinden, en ik reisde mee naar Sanlúcar de Barrameda, en kwam onverwachts bij de Dikke Toren in Zierikzee uit.
Een uitgelezen kans om Cors boek dicht te slaan en te laten voor wat het was, en de stad in te vluchten; maar zo makkelijk kwam ik er niet van af.
Ik kwam zelfs helemaal niet van Cors boek af.
In razende vaart bolderde Cor verder, en ik bolderde met hem mee.
Van Branxton, Australië ging het via Penang, een eiland, naar een Aspergemuseum in Melderslo, even buiten Horst, Limburg. Cor vloog zo hard, dat ik me af en toe moest vasthouden aan mijn terrastafel. Althans, die aanvechting had ik sterk, om me aan iets van houvast vast te klampen.
Je moest juist blijven zitten en stug doorlezen, en zodoende doorreizen. En voldoende proviand bij de had houden, want dit boek ging ook nog eens over Lekker Eten, een onderwerp waar je sowieso geweldig trek van kunt krijgen, en zo nu en dan liep het water uit mijn mond. En dan hebben we het niet over uit een mondhoek lopend speeksel ten gevolge van relatieve ouderdom. O nee.

‘Hé meis!’ riep Ans naar een vrouw die zwoegend achter een rollator liep en nu de parasollen van de snackbar naderde.
‘Hé meis!’ herhaalde Ans. ‘Ik wíst dat je niet dood was! Want ik zag je lopen van de week, met je hondje.’

Een uurtje later stapte Ans op. Ze groette Wil en Connie, riep Nel gedag, en wandelde op haar gemak weg.
Onder haar lege bord friet lag een wit servetje. Ongebruikt.

Ps: Ik vond het écht leuk, Cor - en ik schoot er doorheen. Vaart, vlot, to the point, met een uitweiding waar-ie paste. Dat werk.

Reismenu, the making off II

voorkant-reismenu-3.jpg

p.s. Ook dit is niet de cover.

Midden november verschijnt een bundel van alle verhalen die Mr. Global schreef voor Cheffen.nl, aangevuld met reisfoto’s en foodshots. Titel: Reismenu, verhalen in gerechten. Het is het eerste Kook- Reis- en Leesboek van Nederland, en beslist het leukste cadeau voor de feestdagen. Deel I van the making off: de uitgever.

Ik ga vaak op reis naar het buitenland.
Voor reisreportages of foodverhalen.
Onderweg beleef je dingen die niet direct geschikt zijn voor het artikel waarvoor je op pad bent gestuurd. En je hoort anekdotes die voor dat of dat tijdschrift net iets minder geschikt zijn.
Ik besloot die verhalen op te schrijven voor Cheffen.nl. en die hebben jullie allemaal op deze site kunnen lezen. Mijn ontmoeting met Chickenmeat, Scooner en Maltezer in het Royal Federal Hotel in het Australische Branxton. Mister Ho uit Penang die ons meenam naar Melon Sisters. En hoe zou het gaan met Elliot James, een van de laatste pickers uit het Welshe Penclawdd.
Ik hoorde het steeds vaker.
Die verhalen op Cheffen, daar je moet wat mee doen. Ze zijn gewoon te leuk om alleen op internet te lezen. Dus besloot ik er wat mee doen.
Een bundel moest er komen, met voor elk verhaal een bijpassende recept, geïllustreerd met een foodshot en reisfotografie.
Ik polste het idee bij vrienden en kennissen en iedereen reageerde enthousiast.
Aansluitend benaderde ik een close uitgever van Kosmos maar die reageerde direct met gepaste afstand.
Mr. Global was duidelijk niet haar cup of tea.
Ik stuurde de verhalen naar Mets & Schilt, de uitgever van Sylvia Witteman, althans van haar kookverhalen uit de Volkskrant, waarvan ik vond dat die qua opzet en tone of voice wel een beetje bij mijn mogelijke bundelopzet paste.
Geen reactie.
Ik stuurde de verhalen nog een keer naar Mets & Schilt, en omdat de uitgever nog niet reageerde, belde ik.
Niet gezien die mail, klonk het.
“Stuur ze nog een keer als je wilt, naar mij.”
Dus stuurde ik de verhalen nog een keer, en het bleef ook na een maand nog stil.
En toen dacht ik: wat een kutuitgever.
Intussen lag er ook een stapeltje Globals daar, en een ander stapeltje daar. Maar nee, voor de een waren de verhalen te literair, ja echt, ze vonden de verhalen te literair voor het culinaire fonds. Voor een ander waren ze te culinair voor het non-fictie fonds.
En toen kwam Ubel, voormalig winnaar van de Gouden Kroket en De Gouden Fritesspeld
Najaar 2008, spreken we.
Voor het tijdschrift Linda moest ik een artikel schrijven over frituureten, en als het gaat over een vette bek is Ubel Zuiderveld als voormalig hoofdredacteur van de Snackkoerier en huidig FoodExpress al jaren de expert. Allang voordat Bart Chabot en Pierre Wind een boek over frietjes en frikadellen schreven, had hij een naslagwerk over het onderwerp gecomponeerd, en binnenkort verschijnt Ubels boek ‘Mét. Over een Nederlandse eetcultuur’.
Een fastfooddeskundo dus, en een fijne man.
Nadat ik hem journalistiek had uitgezogen over patatjes oorlog en patat paniek, en ik alles wist over seperatorvlees, het geheim van een goede nasibal en de wonderlijke verkoopkracht van de mexicano, spraken we over zijn boeken en vertelde ik over mijn plannen.
“Je moet eens bij Arjen van uitgeverij Kunstmag uit Zutphen aankloppen”, zei hij. "Die wil alleen boeken uitgeven die hij zelf leuk vindt, en als ik jou zo hoor, vindt hij dat idee van jou leuk. Hij houdt juist van die combinatie van culinaire verhalen en recepten."
Ik stuurde Arjen van uitgeverij Kunstmag uit Zutphen een mail met een pakketje Globals. Opnieuw het verhaal over The Big Apple, truffels, Pata Negra, Ginjinha, doerian en Branxton.
Ik hoorde niks.
Ik stuurde Arjen nog een mailtje.
Ik hoorde niks.
Ik stuurde Arjen nog een mailtje.
Ik hoorde niks.
Eind januari belde ik. Ik had een excuus ook.
Voor delicious had ik gesproken met Albert Kooy over de nieuwe Nederlandse keuken, die bij Kunstmag een prachtig boek met dezelfde titel had uitgegeven.
Ik kreeg een vrouw aan de lijn.
Ja, Arjen was erg druk, en het zou best kunnen dat hij zijn mailpost een beetje liet opstapelen.
Zij zou het met Arjen bespreken.
In april belde ik. En ja, hij had ze gelezen.
We moesten maar eens afspreken.
In mei gingen we lunchen in Zutphen bij 't Schulten Hues, een Michelin-restaurant, bleek. Over wie bij Kunstmag ook een boek was verschenen.
Ik vertelde Arjen nogmaals mijn idee, maar dat was allemaal niet nodig. Hij wist al precies wat ik wilde, had de verhalen op Cheffen met liefde gelezen, had ook gesmuld van het interview met Albert Kooy in delicious, en echt, leuk.
Het was tijd voor nog een glas wijn en we namen één en ander tussen allerlei smakelijk lekkers door. Rijk zouden we niet van het boek worden. Hij deed niet aan voorschotten en promotiebudgetten, daarvoor ontbrak het hem simpelweg aan geld, we gingen gewoon een mooi boek maken. Als we gelijk speelden was dat mooi.
Van het eten herinner ik me niet veel meer.
Wel de bijzondere wijnen die ik dronk waaronder een onvergetelijke rosé, waarvan ik nog meer in een roes raakte, want het ging door, ik had het voor elkaar: Mr. Global ging in een bundel.
Opgewonden belde ik verschillende mensen die ik in het boek wilde betrekken, reinigde mijn uitgedroogde wijnmond met Fisherman's Friend, ik zette mijn auto in de vijf en ter hoogte van het landelijke Voorst draaide ik mijn raampje open.
De echo van dat geluid kun je als je goed luistert nog steeds boven de Oostelijke Veluwezoom horen.

[kader]
Ik heb hem nog nooit echt kunnen bedanken voor zijn tip. Dus bij deze: dank je Ubel.

Reismenu, the making off

Cover%20Global%20Corsica%282%29.jpg

Midden november verschijnt een bundel van alle verhalen die Mr. Global schreef voor Cheffen.nl, aangevuld met reisfoto’s en foodshots. Titel: Reismenu, verhalen in gerechten. Het is het eerste Kook- Reis- en Leesboek van Nederland, en beslist het leukste cadeau voor de feestdagen. Deel III van the making off: de cover.

“Verdorie Rob, er zit geen dragend covermateriaal tussen de foto’s. Of toch die ene foto uit Kuala Lumpur misschien, of dat plaatje van die serveerster uit Sydney.”
“Ja, dat meisje van bill’s is niet onaardig. Als cover draagt die misschien iets te weinig reizen in zich. Dat heeft die lachende Maleisische vrouw duidelijk wel, ze eet nasi lamak volgens mij, maar met zo’n Aziatisch hoofd op de cover 1-2-3’en mensen snel dat je een Aziatische kookboek hebt geschreven, vermoed ik.”
“Onze down under serveerster staat voor een groot menubord geschreven in het Engels, en dat is de taal der reizigers, lijkt me. Het bord dat zij vasthoudt, precies goed, dat is een hap uit het reismenu.”
“Als zij een Koreaanse of Chinese vrouw was geweest voor een Koreaans of Chinees menubord had je meer dat reizen- en kookgevoel gehad.”
“En dan is het geen Aziatisch kookboek.”
“Hmmm, ja, dat is ook weer zo, jezus man, moeilijk zeg.”

Huisvriend en art-director Paul kwam twee weken later met een mogelijke oplossing.
“Je moet een ober fotograferen met in zijn handen een liftbordje waarop Reismenu staat. Dan heb je dat reizen en koken ineen.”
Ik keek Paul even verrast als enthousiast aan.
“Leuk idee Paul, maar waar haal ik godsnaam een ober vandaan, en trouwens, hoe ziet een clichéober eruit.”
“Denk aan zo’n man van Het Amstel.”
“En die moet ik langs de snelweg zetten.”
“Daar zal die misschien wat geld voor willen hebben, so what, maar dan heb je wel een goede cover.”
“Fotograaf Rob, receptuurschrijfster en foodstyliste Ingmar, styliste Hanneke, sommelier Lotte, iedereen heeft belangeloos aan het boek meegewerkt Paul, ik ga niemand betalen, dat lijkt me nogal lullig ook naar de anderen. Ik kan natuurlijk zelf zo’n pak aantrekken. Kun je dat niet ergens huren ofzo? Schrijf ik de verhuurder als credits in het boek.”
Paul luisterde niet.
Hij tekende een ober met een liftbordje in zijn hand met rondom strepen als wegen en bulten als bergen.
“Zoiets”, zei hij, en hij freestylede nog een paar golvingen op papier.
“Je ziet een deel van de weg, er raast een auto voorbij....”
“Hmm-hmm”, spinde ik, terwijl ik een glas rood weg leeg klokte.
Toen draaide Paul het velletje om en begon opnieuw te pennestreken: “Eigenlijk is al die informatie om dat liftbordje ruis, want hier gaat het alleen om: dat bordje met de tekst Reismenu.”
Ik liep naar de kast voor nog een fles Valpolicella.
“Ik ga volgende week met Rob naar Corsica, daar zouden we dat beeld kunnen schieten, in een omgeving die ook duidelijk niet Nederlands is. Want zo’n foto langs de A10, straks denken mensen nog dat zij een boek met lifttips in handen hebben.”
“Nou, probeer het. Vergeet geen karton en een Edding mee te nemen, en ja, lekker dat wijntje."

Onderin mijn koffer gingen vellen dik karton van een lege wijndoos en een internetbestelling bij Lesenfants.
Een dikke zwarte viltstift had ik niet thuis, Rob bleek een dunne Edding te hebben, een dikkere vonden we op Corsica vast wel.
Maar die vonden we dus niet op Corsica, nou ja, eigenlijk waren we in Ajaccio helemaal vergeten naar een Edding te vragen.
Dat vergaten we niet in Bonifacio, dus daar stonden we een dag later, hoog in de bergen, nadat we een avond eerder op onze hotelkamer verschillende liftbordjes naar Reismenu hadden gemaakt. Met designer Claudy Jongstra met wie we over het eiland reisden zoals we voor het tijdschrift Living eerder onder meer met WK Chef Toine Smulders, zangeres Wende Snijders en schilder Jasper Krabbé naar Mexico, Zuid-Afrika en Puglia gingen.
Rob dirigeerde me in de berm.
Claudy bekeek van afstand of mijn overhemd correct uit het jasje stak, de camera klikte, automobilisten toeterden.
“Heb je iets in je zak zitten, dat jasje flapt zo raar door het beeld", riep Rob.
Claudy leegde mijn zakken, veegde tegelijk mijn jasje recht en tien minuten later reden we verder door het woeste binnenland richting Zonza.
’s Avonds op onze hotelkamer waren we het er na enkele flesjes Corsicaanse wijn snel over eens: de foto met het liftbordje ging het worden.
Rob: “Vrouwen kopen geen kookboeken met erop een lekker wijf. Nigella Lawson doet ze enkel gefrustreerd naar zichzelf kijken.”
“Toch trekt een vrouw op de cover vrouwen aan, en mannen ook.”
“Heb je haar onderstel wel eens gezien, daar zou geen vrouw jaloers op worden?”
“Mijn bladwijzer blijft bij Nigella altijd boven haar navel hangen. Is zij de Karen Carpenter van de culinaire wereld dan? Haar heupen maakten van Karen het boegbeeld van anorexia en haar broer bleef haar maar verliefd ondersteunen, Yesterday Once More, Close To You...
“Hospes, jezus, neem nog een slok wijn man, hou je mond en kijk even naar het scherm.”
En we keken beiden naar het scherm waar we een mannenarm in een zwart jasje een liftbordje zagen ophouden, met op de achtergrond een heuvellandschap vol maquis en een rode bergweg met witte inhaalstrepen.
Rob: “Een vrouw zal denken, goh, een leuk kookboek voor mijn man. Wanneer ze doorbladert, ziet zij dat er nog leuke recepten en foto’s in staan ook.
“Mannen halen deze cover eruit vanwege diezelfde hand, een leuk managementboek.”
“Misschien is het ook wel een beetje too much corporate dat jasje, zie jij er een ober in, zit er überhaupt wel genoeg koken in?”
“Het kan een oberjasje zijn, die zijn altijd zwart, en de weg en omringende natuur, dat is absoluut geen Nederland.”
Terug in datzelfde Nederland toonden we trots aan vrienden het resultaat.
Maar die vonden ons coveridee allemaal maar niks.
“Te goedkoop.”
“Te shabby.”
“Waar is het kookgevoel. Het lijkt wel een liftboek.”
Enzovoorts.
Kortom, afgeserveerd.
Wat nu.
Het is toch echt de bedoeling dat de cover binnenkort klaar is.

Wordt vervolgd met in willekeurige volgorde deel I (de uitgever), II (de shoot) en IV (de presentatie).

[kader]
Reismenu. Verhalen in gerechten.120 pagina's. 16 x 16 cm. 12,50 euro. ISBN: 978 90 75979 18 2. www.kunstmag.nl

test%5B3%5D%282%29.jpg

Chicken

11646%282%29.jpg

Altijd leuk, een township in Zuid-Afrika.
Goed voor je relativeringsvermogen, het wegpoetsen van eigen Weltschermz en het verbreden van horizons, en het schieten van leuke plaatjes van lachende negerkindjes. En die plaatjes hebben Rob en ik hard nodig voor een reisverhaal over KwaZulu Natal.
Aan townships in Durban geen gebrek. Rondom de stad ligt een schimmel van veertig kilometer krottenwijken waar officieel zes miljoen mensen wonen.
De camera van Rob kan zijn lol op.

Probleempje: de inwoners van de Durban-townships zijn niet al te happig op witneuzen met supersized camera’s die komen loeren naar hun krottenleven, zegt onze gids Chike.
De stad kent daarom in tegenstelling tot andere grote steden in Zuid-Afrika geen township tours, althans niet meer.
Te veel overvallen en carjacking. Verduidelijkt hij.
Chike kent evenwel iemand in het township Inanda, en die wijk is veilig.
Erdoor loopt bovendien een heritage trail; de grond is er doorvoed met geschiedenis.
Het wiegje van eerste ANC-president stond er; Nelson Mandela stopte er zijn stembiljet in een gleuf tijdens de eerste vrije verkiezingen van Zuid-Afrika; en Mahatma Gandhi woonde 21 jaar in Inanda waar hij de gronslag legde van zijn filosofie van actieve geweldloosheid.
We hebben dus een excuus om de townshiphabitat te observeren.
Ghandi’s voormalige denkpaleis staat bovenop een heuvel.
Rondom liggen gammele huisjes van hout, leem en golfplaat, en staat een school met een klas.
Alle leerlingen gaan voor ons naast hun tafeltje staan en zingen met hun hand op hun hart het Zuid-Afrikaanse volkslied.
Een op de drie heeft aids, hoorde ik eerder van een zuster uit de HIV-hulppost.
Dan lopen we verder langs nog meer krotten.
Uit de ramen klinkt rapmuziek. In een winkeltje kopen we frisdrank, en dan vinden Chike en zijn kennis het mooi genoeg geweest.
Ook de kindertjes lachen iets minder enthousiast naar Rob, hoe hard die ook smile, smile, smile naar hen roept en ze daarna naar de achterkant van zijn digicamera laat kijken.
Nog een marktje doen, vraag ik Rob.
Chike rijdt naar een markt.
“Ik moet de mensen eerst toestemming vragen of jullie hier wel mogen rondlopen. Blijf maar beter even dan in de auto zitten.”
Voor het geval we het waren vergeten: we zijn in een township, op gevaarlijk terrein. Zomaar wat gidsloos daar rondlopen of fotograferen, vraagt om overvallen en carjacking, bedenk ik, terwijl we alsmaar dieper tussen de golvende krotten- en hutjesheuvels verdwijnen.
Ik kijk naar Rob die stevig zijn fototas vasthoudt.
Binnen in de auto wordt het alsmaar warmer, en dan mogen we naar buiten om te doen wat we moeten doen.
Even later stopt Chike aan het eind van een doodlopende straat.
Ik probeer mijn gedachten te sluiten voor mogelijke metaforen.
“Hier zit een slager, herinner ik me. Ik denk dat hij straks de grill aandoet voor de lunch. Misschien leuk voor jullie artikel.”
We stappen uit.
Chike loopt met een iets versneld pasje naar een huis omringd door tralies met erop prikkeldraad.
Voor het huis staat een zwart geblakerde gril.
Schuin ervoor zitten drie mannen te kaarten.
Ze kijken ons grimmig aan.
Rob wijst op een bord dat boven de voordeur van het huis hangt.
Gunfree zone, staat erop.
Hij moet mij horen slikken.
Op de gril gaat zo kip, zegt Chike.
Kogelvrije kip, fluister ik.
De slager komt ons met een enorm vleesmes tegemoet en kijkt ons priemend aan.
“De kippetjes worden zo geslacht”, zegt hij met bloeddorstige blik.
Chike lacht een lach die overgaat in een taal die ik niet versta.
De grimmige kaartlezers krijgen evenzo grijnsrimpels.
Rob bekijkt het prikkeldraad, de zwartgeblakerde grill en het huis waar getuige de roetuitslag ook wel eens een binnenbrandje heeft gewoed; de bewoners van Inanda zijn wellicht snel aangebrand.
“Niet fijn om te fotograferen”, zegt Rob, maar ik knip wel wat. Blijven die jongens daar misschien ook rustig.”
Dus roept hij smile, smile, smile tegen iedereen en stappen we weer in de bus.
“Niet echt een fotogenieke plek hè”, zegt Chike terug in de auto.
Zijn tanden hebben ineens een Colgate-glans.
“Gelukkig wel gunfree”, antwoord ik.
Daarna rijden we verder, in vliegende vaart richting het Hluhluwe-Umfolozi Park waar om half vijf een tochtje langs de Big Five wacht. Dat is ruim drie uur rijden, en omdat we iets te lang in het township zijn gebleven, wordt half vijf krapjes aan.
Dus scheuren we door een landschap dat dan lijkt op de Veluwe, dan op Java, en dan de Amerikaanse Mid-West.
Ter hoogte van de Mid-West beginnen onze magen safarigeluiden te maken.
We hadden beter de kogelvrije kip niet kunnen overslaan.
Chike hoort ons geknor en neemt de afslag naar Matubatuba, een drukke marktplaats. Langs de straten in het centrum staan overal bbq-roosters te walmen.
“Gunfree hè”, lacht Chike opnieuw met een Colgate-smile.
We zeggen maar even niks.
Parkeren blijkt evenwel in Matubatuba onmogelijk.
Chike kent een alternatief, en dat is een shopping mall met ketenrestaurants.
Maar ook bij de locale vestiging van Nando’s is het spits.
De rij wachtenden begint al buiten, en dat geeft mij uitgebreid de tijd het menu te bestuderen dat boven de bestelbalie hangt: kipburgers, gemarineerde kip stripes met gepeperde rijst, pita kip, en een ¼, ½ of hele hen.
Erboven staat dat ‘Peri-Peri is rumoured to be something of an afrodisiaca. However, Nando’s restaurants are specifially designer for eating, so we do ask that you wait until you get home!’
Misschien dat mannen en vrouwen met half aangegeten zakjes daarom zo snel naar buiten lopen.
Na 15 minuten bestel ik twee halve kippen met perinaise en twee flesjes bronwater en twee flesjes cola.
Van het baliemeisje krijg ik een bon met een nummer, en ik kijk toe hoe tientallen platgeslagen kippen met grilstreepjes vanaf de bakplaat steeds maar in zakjes met andere bestelnummers belanden.
Na opnieuw een kwartier wachten komt Chike kijken.
Hij vraagt zich af waar we blijven.
Ik wijs naar de liefdesbelofte tegen de muur, en hoop dat hij een verband kan leggen met de drukte.
“Wij niggers geloven alles wat die witte marketeers ons wijs maken”, zegt hij hoofdschuddend als hij terugloopt naar de auto.
Weer tien minuten later sta ik buiten.
“In de auto opeten”, oukazet Chike, “we moeten echt voort maken. Anders missen we de safari.”
Okay, zeg ik.
Okay, zegt Rob.
We kijken naar de gloeiend hete halve kip en zoeken naar een grammatica hoe we vlees en frietjes zo netjes mogelijk in een rijdende auto kunnen op eten.
Als we de lunch tussen ons in leggen, schakelt Chike.
Helaas noopt het verkeer op de N2 hem iets te dikwijls tot abrupt remmen en manoeuvreren, en daarbij branden we geregeld onze lippen en anders steekt er wel een kippenbotje in onze wangen.
Na enkele minuten glimmen onze wangen, vingers en lippen van het kippenvet.
De lustopwekkende werking van de perinaise ontgaat ons.
We wassen onze handen door open autoramen met flesjes bronwater dat vooral over onze vingers waait, en poetsen met een servetje onze gezichten die daarvan nog meer gaan glimmen.
Om half zes stoppen we op het parkeerterrein van het ressort waar we slapen.
We ruiken naar kip; hopelijk hebben de leeuwen in het wildpark al gegeten.
Chike blijft bij de auto; hij neemt later onze spullen mee.
Als we naar de receptie lopen, horen we vanaf het parkeerterrein plots een ijselijke gil.
Onze gids, jezus Chike, hij zou toch niet door een van de Big Five...
We rennen met weifelbenen terug naar de auto.
Chike staat op enkele meters van het busje en wijst met bibberknieën naar de achterbank van de auto waarvan de zijdeur wijd open staat.
Een slang, vragen we.
Nee, schudt hij zijn hoofd.
Een ander vreesopwekkend reptiel dan?
Chike staat nog altijd trillend te wijzen naar de auto.
We lopen voorzichtig naderbij, kijken nieuwsgierig om het hoekje en deinzen met afgesnoerde keel terug als er ineens iets naar buiten springt dat na een miauw tussen de struiken verdwijnt.
Miauw?
Ja, we hoorden toch echt miauw.
In de bus zien we nog enkele katten voorovergebogen tussen opengescheurde zakjes vol kippenbotjes zitten.
“Ik heb een kattenallergie”, beeft Chike, “kunnen jullie alsjeblieft die katten weghalen. Anders kan ik morgen echt die auto niet meer in.”
Ik kijk naar Rob en hij kijkt met een spottrillinkje rond zijn lippen terug.
Chicken, zegt hij.
Absoluut chicken, antwoord ik.
En alletwee beginnen we te lachen, een lachen dat overgaat in een taal waarvan Chike hopelijk geen woord begrijpt.

Bruine kaas in Voss

Brunost%282%29.jpg

Vanaf het vliegveld van Bergen zijn we op weg naar het stadje Voss.
Samen met onze gast Marije die als hoofdpersoon fungeert van een reisverhaal waarin fjorden, inhammen, meren en bergpieken als decor voor haar innerlijk fungeren.
Op een kwartiertje rijden van onze eindbestemming krijg ik een sms’je van onze Noorse gastvrouw die Iril heet.

Zij is al in Voss en wacht op ons naast de kerk, en die kunnen we niet missen.
Van daaruit gaan we naar een steakhouse voor een diner.
Om acht uur is voor ons een tafeltje gereserveerd.
Ik sms dat we over een kwartiertje in het vossenstadje zijn.
Voordat we aan de dis gaan, willen we eerst willen inchecken in ons hotel.
‘Jullie kunnen de extra tijd beter gebruiken om eetinkopen te gaan doen, want morgen is het zondag en dan zijn de winkels dicht’, lees ik terug.
‘Pardon’, tik ik. ‘Zijn er geen restaurants open in de buurt dan’.
‘Jawel, maar die zijn ’s ochtends gesloten’.
Ik begrijp er niks meer van.
We ontbijten toch gewoon in ons hotel?
Waarom en voor wie moeten we in hemelsnaam boodschappen doen?
‘Jullie staan geboekt voor self catering’, krijg ik terug.
Ik staar over een Noors landschap dat plots kilometers leger lijkt.
Het is nog vier kilometer tot Voss.
Rob en onze gast Marije kwebbelen gedwee voorin.
Ik besluit op de achterbank tot een rustig belletje.
“Er zou voor ons ontbijt worden gezorgd”, probeer ik op fluistertoon tegen Iril, “dat staat in een e-mail die hier voor mij ligt. Ook zou voor kamers worden gezorgd die tegenover elkaar liggen.”
Daar weet zij niks van.
Door mijn hoofd sobert een Wagneriaanse crescendo uit de eerste suite van Peer Gynt.
Marije kijkt eens achterom, en vraagt of alles goed gaat.
Rob weet beter, en zwijgt. Zijn ogen krijgen de blik van een opgerichte cobra.
Iril zegt dat we ter plekke maar iets ontbijtachtigs moeten regelen, net zoals de andere dagen dat we in het ressort verblijven.
Het heeft geen zin haar uit te leggen dat we geen tijd hebben elke dag ontbijtboodschappen te doen. Alsof ook overal waar we zijn zomaar een Spar, Coop of Meny opduikt.
Ik draai het autoraampje open, neem een diepe haal frisse Noorse berglucht en vertel Iril dat we waarschijnlijk iets later aan tafel schuiven.
“Ik moet om negen uur vertrekken”, hoor ik haar nog naspartelen aan de andere kant van de telefoon.
Ik schud mijn hoofd en zie dat Rob zijn cobrablik heeft ingeruild voor die van berustend zeeleeuwtje.
Marije laat een zenuwachtige giechel.
“Hebben we geen hotel?”, vraagt zij.
“Zoiets”, zucht ik, “maar dat zal wel goed komen.”
Even later rijden we door Voss dat de uitstraling heeft van een wintersportplaatsje in zomertijd. Het ligt aan een meer dat vooral heel fraai oogt van boven, merken we als we omhoog richting ons hotel cirkelen.
Ons slaapverblijf blijkt een soort Center Parcs tegen een heuvel; het bestaat uit donkerbruine houten huisjes met een grasdak, en biedt leuke doorkijkjes op het vossenmeer en omringende groen.
We zien voor de huisjes en op het parkeerterrein nabij de receptie vooral gele nummerborden met NL ernaast.
Ik meld mij aan de balie.
Voor mij wacht een Nederlandse stel dat oogt als een leraarfamilie uit Heerenveen.
Hij draagt een roodblauw Tenson-jack, zij idem dito, hun blonde dochter kijkt beteuterd door een rond roze brilletje, hun blonde zoontje kijkt zonder montuur even verveeld. Zij bestellen brood voor de volgende ochtend, en flesjes frisdrank en vooruit, pappa durft best een Ringnes-biertje aan.
Ik tuur over hun schouder in een eetzaal met sneue houten stoeltjes en sneue houten tafeltjes met geborduurde kleedjes.
Hai, zeg ik tegen het receptiemeisje.
Het receptiemeisje hait vrolijk terug.
Zij checkt namen en overhandigt sleutels, en vertelt over een gevulde koelkast voor het ontbijt.
Dat stelt gerust.
Wij moeten enkel nog brood bestellen, en dat doe ik daarom maar.
Voor Marije wacht een kamer in het receptiegebouw, boven de keuken annex bar die rijkelijk is gevuld met gokautomaten en biljarttafels. Het raam kijkt uit op een grijs parkeerterrein en een half afgekloven voetbalveld waarin graafmachines met open monden staan.
Een inspiratieve omgeving.
Constateert evenzo het beteuterde gezicht van Marije.
Het koelkastontbijt bestaat uit een literpak melk en literpak sinaasappelsap. Op de bordje liggen schijfjes grijze worst en plakjes mokkabruine kaas.
Marije kijkt alsof ze lijkenlucht ruikt.
“Jij gaat daar niet slapen”, zeg ik als we buiten staan.
Marije zwijgt in een bevestigend zwijgen.
Het andere huisje staat iets verderop.
Het heeft het interieur van een Zwitsers chalet uit de jaren veertig. Er is een tweepersoonsmatras en een kamer met twee smalle bedjes.
Ik zie het leraarsgezin uit Heerenveen gezellig rond de tafel met een Scrabble-bord, terwijl mamma nog eens met de colafles en een zak chips rond gaat.
Opnieuw bel ik met Iril.
Ik vertel haar over mijn bevindingen. Dat we journalisten zijn die echt geen tijd hebben overdag in alle rust te gaan supermarkten en dat we een gast bij ons hebben van wie een creatieve bijdrage naar aanleiding van de reis wordt verwacht. En dat een kamer met uitzicht over een parkeerterrein annex bouwplaats niet echt bevorderlijk voor creatieve oprispingen is.
Iril stamelt en zweet, en na enig aandringen zal zij bellen naar de receptie en vragen of er andere kamer voor Marije is.
Die is er. Een kwartier lopen bergafwaarts. Met natuurview.
We moeten uit de andere kamer boven de bar zelf het beddengoed en het ontbijt meenemen, want dat andere huisje is niet met een gestrekt bedje en gevulde koelkast bedeeld.
Aldus lopen Rob en ik even later naar de auto; hij heeft zijn hoofd verstopt in beddengoed, ik jongleer met een pak melk en sinasappelsap, en bordjes belegd met Noorse bruine brunost-kaas en grijze worst van twijfelachtige herkomst.
Het huisje ligt op ruim vijf rijminuten heuvelafwaarts.
We leggen de lakens op het bed, vullen de koelkast en gaan op weg naar het steakrestaurant.
Vlak voordat we Voss binnenrijden, zegt Marije dat er geen toiletpapier op haar kamer is.
Rob trapt van de schrik op de rem.
Dan bel ik de redactrice van het tijdschrift, en die neemt op zaterdagavond gelukkig op, alsof ze al een telefoontje van mij verwachtte.
“Jullie gaan verhuizen”, zegt zij. “Dit kan niet. Wil je Marije zeggen dat wij ons doodschamen. Ik ga op internet kijken of er ander hotel is.”
Een uurtje later dan gepland arriveren we bij Iril.
In het steakhouse wacht een tafeltje.
"Pizza is on the house", zegt zij.
"De drankjes moeten jullie zelf betalen."
Aan tafel verschijnt een leuk Hindoestaans meisje dat brabbelt over pizza’s die allemaal zijn vernoemd naar dorpjes in de omgeving.
We besluit de pizzadorpjes te negeren en bestellen bier, Noorse mosselen, gravlaks en biefstuk met aardappelgratin.
Nog voordat ik mijn biefstuk kan aansnijden, krijg ik een verlossend sms’je: de redactrice heeft elders in Voss kamers met toiletpapier gevonden.
Om elf uur rijden we voor de laatste keer de berg naar het ressort op. We pakken onze koffers, kieperen de sleutels met een begeleidend briefje door een brievenbus –in de receptie is het donker- en rijden naar het Fleischer’s Hotel, een hotel met een hoog Hotel Van der Werf-gehalte.
Hai, zeg ik tegen een receptiemeisje.
Het receptiemeisjes hait vrolijk terug.
Marije heeft een eigen kamer, Rob en ik delen.
Uitgeput ploffen we elk op een matras.
“Zag je dat, naast onze kamerdeur op de gang staat een ijsautomaat”, zegt Rob.
Ik veer overeind, Rob loopt naar de badkamer.
Met twee plastic glaasjes gaat hij richting de gang, ik open de fles Jameson uit mijn See Buy & Fly-tas.
The rocks are on the house, weten we.
We geven elk glas de naam van een dorpje uit de buurt.
Gelukkig is onze topografische kennis van de omgeving beperkt.

Poep in het Lapa Palace

boxers%282%29.jpg
foto: niet uit eigen collectie

Dit is na twintig maanden mijn laatste vaste bijdrage op Cheffen.nl. Mr. Global blijft onder zijn eigen naam schrijven voor tal voor vooraanstaande titels, ook op culinair gebied. Zo heb ik een maandelijkse interviewrubriek in delicious, volgt er een wijncolumn in dagblad De Pers en hou vanaf het voorjaar de reisreportages in Living in de gaten. En voor een workshop of lezing over guerrillamarketing kun je me altijd bereiken. Dag allemaal.

Warm, heet, zweten. Biertje om af te koelen. Nog meer warm, heet en zweten.
Gelukkig: lunchtijd.
We vinden een terras in de schaduw van een kerk in de wijk Alfama waar de lucht is bezwangerd van koriander, knoflook en gegrilde vis.
Heerlijk.
Doe maar een fles wit.
Tijdens een wandeling door de Barrio Alto nog meer warm, heet en zweten.
Lissabon kookt in de junizon.
Fotograaf Rob en ik zijn in de stad van de saudade. We moeten die voor een glossy in drie werkdagen vastleggen, in woord en beeld. Met kaders vol adressen om te winkelen, te eten en te drinken, te dansen en te slapen, incluis tips wat vooral wel en niet te doen.
Het is hollen, met weinig tijd voor sfeersnuffelen.
Mijn gezicht voelt warm en rood, op mijn voorhoofd prikken zoutkorreltjes. Ik had verdorie een pet moeten meenemen.
Om half vijf vinden we het alletwee mooi geweest.
We gaan terug naar het Lapa Palace Hotel, een van de sjiekste logeeradressen van de stad.
Rob stoomt.
Hij oogt als luciferstokje: “Ik heb me toch een koppijn, echt, ik moet even liggen, ogen en gordijnen dicht. We moeten aan het eind van de dag toch shots in het hotel schieten.”
Ik laat de gordijnen open en trek mijn zwembroek aan.
Als ik in het amoebevormige zwembad spring, hoor ik het sissen achter mijn oren.
Ik verstop me kopje onder voor de zon.
Na een paar baantjes, hijs ik me aan de kant.
Een hotelmedewerker brengt me een extra handdoek en ik ga liggen op mijn stoel. Het tijdschrift naast me zie ik niet. Het flesje water wel.
Dan dommel ik weg.
Rob schudt me wakker.
“Ik zag iemand vanuit mijn kamer languit liggen in de zon, en dacht, welke gek gaat met zo’n temperatuur in de zon, man, hoe houd je dat vol.”
“Ben in slaap gevallen”, lispel ik. En nog een keer: “Ben in slaap gevallen.... Hoe laat is het?”
“We hebben over een half uur een afspraak met de chefkok van het sterrestaurant van het hotel.”
Ik kleed me snel aan.
De Italiaanse chef Giorgio Damasio van het voorname Cipriani restaurant van het Lapa Palace Hotel kookt Portugees met een Italiaanse twist. Zegt hij. Hij vertelt over de Portugese keuken en hoe mooi het zou het zijn als Portugese chefs hun kennis zouden bundelen. Zoals ze in buurland Spanje hebben gedaan. Daar heeft het hele land culinair van geprofiteerd. Maar nee, in Portugal blinderen koks liever hun kachels. Terwijl de Portugese keuken heel goed een gezamenlijk boost zou kunnen gebruiken.
Giorgio doet in ieder geval zijn best. En de kelners serveren mooi Portugees wit en groots Portugees rood, en het stijve gezelschap naast ons blijkt na evenveel mooi wit en groots rood helemaal niet zo stijf.
Tollend van genoegen dwarrelen we vier uur later fado’s neuriënd richting ons bed.
Ik poets mijn tanden en plof in het heerlijke bed.
Dan schrik ik overeind.
Wat leek op een venijnig nat scheetje, blijkt het voorvocht van een bruine stroom nattigheid. Ik ren met mijn handen tegen mijn billen richting de badkamer en daal neer op het toilet. Wanneer ik het licht aandoe, zie ik een bruin druppelspoor om het hoekje verdwijnen. Dan spetteren mijn darmen op het toiletglazuur leeg.
Tien minuten later sta ik op.
Eerst met toiletpapier de badkamervloer poepvrij poetsen, bedenk ik.
Dan volg ik verontrust de bruine druppels tussen het hoogpolige tapijt terug tot naast mijn bed.
Daarin tref ik een bruine smurrieplas.
Gatverdamme.
Cheira bem, cheira a Lisboa, het ruikt lekker, het ruikt naar Lissabon, zong Amália Rodrigues in de cd-speler van het restaurant. Deze reuk zal de moeder van de fado bij het schrijven van haar bekendste nummer beslist niet in haar hoofd hebben gehad.
Gatverdamme.
Het binnenpretje doet mijn ingewanden direct opspelen, en mijn benen rap rennen richting toilet waar ik opnieuw leegloop.
Mijn God, ik heb in mijn bed gescheten, in een bed van een de sjiekste hotels van de stad.
Wat moet ik doen?
Eerst een handdoek over de diarreeplek op het hoeslaken, bedenk ik, voor het absorberen van de sompigste darmsappen, en dan onmiddellijk dat hoogpolige tapijt van die pointillistische diarree ontdoen.
Even later kruip ik met een washandje deppend over de vloer.
Het diareebruin vervloeit op tientallen plekken met het hoogpolig crême.
Dan bel ik Rob.
Ik zal hem vragen of hij zijn hoofdkussen wil delen. Ik kan toch onmogelijk nog in mijn eigen bed.
Maar Rob neemt niet op, de lafaard.
Ik slik.
Dan maar de schaamte voorbij en de receptie bellen, nog een paar keer slikken, kom op.
De receptiestem klinkt warm en vrolijk.
“Goedenavond", antwoord ik, "Hospes, kamer 512. Er is iets vreselijks gebeurd. Ik heb diarree en per ongeluk in mijn bed gepoept. Kan iemand het bed verschonen.”
De receptiestem stelt mij nog warmer gerust.
Als de kamerbel gaat, heb ik met een aftershave verstuiver hopelijk de ergste poepluchtjes weten te verjagen.
Ik open de deur voor een grote donkere man met een stapel lakens en dekens. Hij oogt als de vleesgeworden mix van Brazilië en Mozambique.
Ik vertel de vleesgeworden mix wat er is gebeurd. Maar dat weet hij al.
Uit zijn jasje haalt een middel tegen diarree.
Ik kijk hem met holle ogen vol dankbaarheid aan.
Op zijn gezicht geen spoor van emotie.
“Mijnheer, dit kan iedereen gebeuren”, zegt hij op professionele toon.
“Uw gasten gaan elke avond aan de buikloop”, grap ik zenuwachtig.
“Mijnheer, het kan iedereen overkomen. U bent echt de eerste niet.”
“Nou, dan moeten ze toch echt als de sodemieter de kok ontslaan.”
De mixman reageert niet en loopt naar mijn bed.
Samen ruilen we de bruinbevlekte lakens in voor schone.
Op de matras gek genoeg nauwelijks doorlekplekken.
De poepgeur blijft vreselijk.
We doen beiden alsof we daarvan niks ruiken en trekken als een ingespeeld echtpaar voor het slapen gaan het nieuwe hoeslaken recht, vervangen deken en lakens, en dan gaat Brazilië-Mozambique met een stapel viezigheid de kamer uit.
“Veel water drinken mijnheer, en maakt u zich alstublieft geen zorgen.”
Dan valt de deur in het slot.
"Poeh", poe ik.
Ik ga van de schrik nog even op het toilet zitten, probeer te kalmeren en leg een schone handdoek op het schone hoeslaken die een eerste aanval van een mogelijk nieuwe anale eruptie dient op te vangen.
Daar ga ik op liggen.
Maar ontspannen in bed lig in niet.
Ieder voorzichtig buikgeborrel houdt mij wakker, elke mogelijk endeldarmoprisping doet mij overeind schieten. Toch val ik in slaap.
Rob zit de volgende dag al bij het ontbijt.
Op zijn bord zie ik roerei, worstjes, gebakken minitomaatjes en een driehoekje toast.
Mijn endeldarm krijgt ervan spontaan de hik.
“Lekker geslapen”, vraagt hij. “Bij mij ging verdomme midden in de nacht de telefoon. Een of andere gek, denk ik.”
Ik ga herzitten.
“Gaat het verder goed?” vraagt Rob.
“Nee”, zeg ik. “Slecht geslapen. Te volle maag, denk ik. Even geen ontbijt ook.”
”Nou, ik heb anders gesnurkt als een blok op die wijnen.”
Dan kijkt hij op van zijn bord met worstjes, roerei, tomaten en toast.
“Man wat zie je bleek.”
“Rob, er is vannacht iets verschrikkelijks gebeurd”, begin ik.
Zijn onderlip valt open, zijn bestek legt hij naast zijn bord.
Mijn ontsteltenis lijkt hem bijkans bevriezen.
“Is er thuis iets gebeurd”, opent hij voorzichtig.
“Nee”, geruststel ik. “Dat telefoontje vannacht, dat was ik. Ik had in mijn bed gescheten, een zonnesteek denk ik of de combinatie van de zon met drank en eten, Tjezus man, ik bleef maar leeglopen.”
Na een lichte aarzeling rond zijn liphoeken, verandert zijn mond in een grote grijns.
“Doe niet zo lullig Rob, echt, ik schaam me dood. We zitten in een van de sjiekste hotels van de stad.”
“Heb je echt in je bed gescheten. En dan mij bellen om daarna mijn bed vol te schijten zeker.”
Ik voel een lachrimpeltje opkomen.
Vooruit, een droog toastje dan, en nog een scheut thee.
Mijn buik protesteert al in de receptie.
Net op tijd nog vind ik ergens een heren.
Als ik naar mijn kamer loop, merk ik, dat mijn kamerdeur openstaat.
“Hallo”, zeg ik.
Een Angolees meisje in een Saartje-pakje kijkt me om het hoekje van de badkamer verrast aan.
“Het toiletpapier was op”, stamelt zij. “Misschien heeft u nieuwe nodig.”
Ik knik en loop twee stappen naar achteren, maar zie verder niemand op de gang staan.
“U hoeft de kamer niet schoon te maken. We hebben een late check-out”, lieg ik.
“Geen bed opmaken mijnheer?”
“Nee nee, dank u wel, dank u wel. Ik wil me zo nog even douchen. Dus als u het niet erg vindt.”
De vrouw verdwijnt, en ik ga liggen op het bed. Dan ontwaar ik schuin onder een stoel een drietal donkerbruin opgedroogde poepspetters.
Cheira bem, cheira a Lisboa.
Ik heb het gevoel dat iedereen van het hotel mij op de gang staat uit te lachen.

Win Reismenu van Mr. Global

tetje%282%29.jpg

Gerecht bij 'Het batje van Tetje'. Uit: Reismenu, verhalen in gerechten. Op Cheffen.nl terug te lezen onder het kopje Top Chefs Down Under.


Over de verhalen van Mr. Global op Cheffen hoef ik jullie natuurlijk niks te vertellen. Dat een selectie is herschreven en gebundeld hebben jullie intussen ook op Cheffen kunnen lezen. 'Reismenu, verhalen in gerechten', heet het boek. Bij ieder verhaal bedacht receptuurschrijfster/foodstyliste Ingmar Niezen een gerecht dat Hanneke Boers fraai voor de camera van Rob van der Vet zette. Het resulteerde in een vernieuwend kookboek. Jullie kunnen een Reismenu winnen. Heel simpel. Verzin zelf een passend gerecht bij een van de verhalen van Mr. Global die je allemaal op Cheffen onder mijn getekende foto kunt terugvinden (nota bene 'verbannen' naar Overige Cheffen). Het meest smakelijk en originele idee wordt beloond met een exemplaar van Reismenu. Veel leesplezier. Ik kijk uit naar jullie smakelijke ideeën.

Het fruit springt eruit, slot

Flipper2%282%29.jpg
foto: Cuno van 't Hoff

Vijf dagen trekken we van het ene wijnhuis naar het andere. Met tussenstops om te lunchen en te slapen. Onder leiding van een even mooi als rondborstig meisje dat zich allengs ontpopt tot een stressrijk serpent. “Ik wil dat jullie nu komen, vite vite vite.” Flipperen met Sabrina.

Sabrina komt aangelopen.
In haar kielzog de dagbladredactrice die hijgt met rode konen.
Sabrina voelt onze blik en kijkt ons fel aan.
“We gaan,” zegt zij.
Ik wissel een korte blik met de wijnjournalist.
Moeten we Sabrina vertellen dat zij ongeschikt is voor haar werk. Dat zij daarvoor bij lange niet empathisch, flexibel en doortastend is. Dat zij is geboren met een groot gebrek aan relativeringsvermogen. En dat allang niet langer haar borsten, maar haar omgangsnormen ons ademnood bezorgen.
Nee.
Natuurlijk doen we dat niet.
De wijnjournalist en ik hebben besloten haar de resterende dagen te negeren. De dagbladredactrice zei toch al niet veel tegen iedereen, en de Sopexa-begeleidster Michèle mag redden wat er nog te redden valt.
Aldus rijden we even later over de Route du Soleil naar de noordelijk Rhône.
Om ons heen zien we het landschap allengs ont-provençaalsen. En dat geeft in de noordelijke Rhône totaal andere wijnen.
Daar groeit bijna uitsluitend syrah en viognier waar ze in het zuiden voor het maken van rood en wit een druivenratjetoe gebruiken.
De Côtes du Rhône is qua look en smaak een schizofrene wijnstreek.
Ook de Mégane is gescheiden in twee delen.
Met Sabrina en Michèle voorin, en de dagbladredactrice, wijnjournalist en ik op de achterbank.
Sabrina kwebbelt Engelse zinnen die achterin geen enkel reactie ontlokken.
De wijnjournalist en ik babbelen enkel nog in het Nederlands, dat bij Michèle voorin af en toe een grinnikje doet losmaken.
Als Sabrina vraagt waarover het gaat, diplomatiekt Michèle in woord en gebaar, maar getuige het norse Sabrina-gefrons overtuigt dat niet.
Dan zien we de afslag Tain l’Hermitage.
De wijnjournalist begint te glunderen: Tain l’Hermitage.
We zien de Rhône-rivier en een steile helling vol wijnterrassen.
Richting die hellingen verlaten we ook de Autoroute, naar Tournon, het tweelingdorpje van Tain dat aan de overkant van de Rhône ligt.
Daar parkeert Sabrina de auto.
De wijnjournalist wil buiten direct wijnlucht inademen, maar verstikt zich in een passerende bus.
De dagbladredactrice bladert door een taalgids die zij uit haar tasje haalt.
Sabrina spreekt in haar mobieltje.
Het is half twee.
We gaan lunchen.


Restaurant Auberge Le Chaudron ligt aan een bijna verstopt pleintje in Tournon.
Binnen schudden we handen met eigenaren Dominique en Marc Grillon.
Hij is geblokt en blond, en draagt een snor.
Zij is geblokt en blond, en draagt een bril met een monteur dat in ons land enkel nog tekenleraressen uit Eersel durven dragen.
Achter hen verschijnt onze gastvrouw Murielle Chardin-Frouin, export manager van het huis Cave de Tain. Een Française die praat en oogt als een Britse, zo bleek oogt haar huid en zo Oxfordiaans-keurig is haar accent.
We nemen plaats aan de laatste vrije tafel.
Murielle overhandigt ons een perspakket en de wijnjournalist begint direct met haar aan te pappen.
Michèle probeert voor de zoveelste keer een gesprekje met de dagbladredactrice.
Sabrina staart in stilte.
Ik laat mijn zinnen los op de paté caillette, warme stukjes gekruid varkenspaté die als amuse op tafel staan, maak aantekeningen en ga bijna onderuit van de witte Saint-Péray ‘Fleur de Roc’. Een mix van houtgerijpte marsanne en rousanne-druiven. Lees ik in het perspakket.
Er verschijnt nog een koppel Cave de Tain-flessen op tafel, als begeleider van de konijnterrine, kip met moerieltjes en chocoladefondant.
Bij de Cornas ‘Arènes Sauvages’ vervalt de wijnjournalist in orgastische genotkreetjes.
“Weer die mooie dampigheid van ingedroogde vijgen”, jubelt hij vanuit een hoek van de tafel. “Ook die chocoladefondant smaakt er heel goed bij, fantastisch, heel mooi is dit. Vooral als je kijkt naar de prijs.”
Murielle begint er zowaar kleur van te krijgen.
Sabrina trekt verveeld aan de puntjes van haar haar.


Na de lunch stopt de auto bij Cave Desmeure.
Dat klinkt niet echt lekker.
En dat zijn de wijnen ook niet.
Het maakt ons melig.
Wellicht ook door de après-lunch nadronk.
Sabrina kan ons gegiebel niet waarderen.
De vrouw die de proefwijnen schenkt ook niet.
Ze vinden elkaar in hun afgrijzen.
“Slecht terroir, fout hout”, zegt de wijnjournalist na een zoveelste slok.
De dagbladredactrice neemt dat oordeel wijs over.
"Chateau C1000 smaakt beter", grap ik.
Ook dat oordeel neemt zij wijs over.
Dan wacht een bezoek aan een van de bekendste huizen uit Frankrijk: Chapoutier. Dat merk heeft etiketten in braille, en daarmee was het in 1996 de eerste wijnproducent ter wereld.
Een pr-stuntje om evenzo mensen met een slecht gezichtsvermogen aan de juiste fles te krijgen, vermoeden we.
Er blijkt evenzo een wijngeschiedkundige verklaring.
De eigenaar van de Hermitage-hellingen was ene Maurice Monier de la Sizeranne.
Hij was de uitvinder van de eerste versie van braille.
Dat vroeg om een ode op de fles, vonden ze bij Chapoutier.
“Ik heb geregeld dat Michel Chapoutier himself ons gaat ontvangen”, pocht de wijnjournalist.
Onze gastheer stelt zich evenwel voor als Jérémie Fay.
“Tjezus christus”, vloekt de wijnjournalist, “we krijgen een loopjongen.”
De loopjongen loodst ons naar een grote zaal, laat een videoscherm naar beneden vallen en toont een film die vertelt over de biodynamische manier waarop Chapoutier zijn braillewijn maakt.
Het wijnhuis bewerkt de wijnterrassen met enkel natuurlijke middelen, zodat de soms 65-jaar krasse wijnstokken zichzelf leren verdedigen tegen ziektes en ander ongewenst bezoek.
Op het scherm zien we hoe mannen tussen de wijnstokken gefermenteerde kruiden, gemalen takken en gedroogde poep uitstrooien. Daarna wordt de aarde luchtig opgeklopt door een paard met een ploeg, want zie op de steile geterrasseerde hellingen langs de rivier maar eens mechanische paardenkrachten omhoog te krijgen. Bovendien stampen zware tractorbanden de grond teveel aan, waar de Chapoutier-wijngaarden juist lucht kunnen gebruiken.
“Bij onze werkzaamheden in de wijngaard houden we ook rekening met de stand van de maan”, zegt Jérémy zonder een spier te vertrekken.
Met die opmerking zet hij onze lippen en ruggengraat onmiddellijk in de gniffelhouding. Daaruit veren beide onmiddellijk terug als we mogen proeven van een Condrieu Invitare 2006.
“Ananas, lichees en ander exotisch fruit, boter, vers gemaaid gras, en toch lekker fris mineralig, alle druiven in een druif”, lekkerbekt de wijnjournalist. En hij blijft in juichzinnen praten als er nog meer wit en rood wordt ontkurkt.
Ik ruik meloenen in een liederlijk glas Chante-Alouette.
In een glas Le Pavillon snuffel ik aan aardbeien en walnoten, terwijl in mijn mond tabak en zoethout om voorrang vechten.
Wat een feest voor 140 euro per fles.
Voor wijn van biodynamische poep en goede maandstonden moet je wat over hebben.
Chapoutier verkoopt ook braillewijn onder de tien euro.


’s Avonds wacht een diner onder een fonkelende Michelinster van Michel Chabran, in diens hotel-restaurant in Pont-de-L’Isére. Met aan tafel de tweelingbroertjes Eric en Joël Durand die met flessen St-Joseph en Cornas voor een nog vrolijker aankleding zullen zorgen.
Het restaurant van Michel Chabran ligt op een allesbehalve idyllische plek aan een drukke Route National waar vrachtauto’s het servies laten rinkelen.
Vooraf het diner mogen we antichambreren in de lounge. Een grote kale ruimte met geelbruine lederen stoelen met de sfeer van een koffie met cake-gelegenheid in een crematorium.
Dan ook arriveert één van de broers, de ander zal helemaal niet komen.
In het restaurant eten niet veel mensen.
In de hoeken ontwaren we zakenmijnheren met dikke buiken en jongere vrouwen.
De vrouwen hebben vooral oog voor hun nagels.
Wij mogen plaatsnemen aan een grote ronde tafel.
Sabrina krijgt een plek naast een lege stoel, aan haar andere kant zit de wijnjournalist.
Zij heeft haar dolfijntje weer omgedaan. Het ligt rustig om haar nek.
Even meen ik het nog te zien flipperen, maar die opwinding komt door de wijn.
Ook die begeerprikkelingen krijgen een stootje.
Daarvoor zorgt de Michelin-ster sommelier.
Op diens gezicht wemelt het van de roodgele puistjes, in de oksels van zijn jacquet ruikt het naar oud zweet van bibliothecarissen waarvan zweempjes akelig lang boven onze glazen Cornas blijven hangen.
Het doet Eric -of is het toch Joël- nog eens aan de kurk snuffelen om te kijken of er niks mis met de fles is.
Ik stop mijn neus in een stukje stokbrood dat op tafel ligt.
Dat vormt tegelijk het culinair hoogtepunt van de kookkunsten van Michel Chabran.
Het hoofdgerecht is exemplarisch: lamsschouder met uitgedroogde randjes, gefrituurde rozemarijntakjes en ratatouille.
Leuk voor een eetcafé, maar absoluut niet van sterniveau.
We verlangen naar afzakkertjes in een kroeg.
Maar Pont-de-L’Isére kent geen cafés, en die zijn er zijn, hebben allang hun deuren gesloten, vertelt een receptioniste.
“Dit is eigenlijk alleen een plek waar overdag truckers stoppen om steak frites te eten.”
“Een merkwaardige plek voor een Michelinster”, vinden we.
“Ja”, zegt de receptioniste, “is het niet wonderlijk?”


De volgende ochtend passeert de laatste proeverij.
Na de lunch zitten we op een bankje in Ampuis uit te buiken in de zon.
We hebben nog vier uur te vullen voor onze vlucht vanaf het vliegveld van Lyon.
Vanaf Ampuis is het vliegveld een half uurtje rijden.
Een toeristische wijnroute stel ik voor.
Een beetje downsizen in een cafeetje aan een jeu de boulle-rijk peintje, probeert de wijnjournalist.
Maar Sabrina heeft geen zin in toeristische routes noch jeu de boulle-rijke pleintjes.
Zij wil naar het vliegveld van Lyon.
Dan kan zij naar huis.
We moeten ons maar op het vliegveld vermaken.
We kijken elkaar aan, en ach, ons bevreemd niks meer.
Aldus rijden we richting Lyon en daar mist Sabrina de afslag naar de Autoroute die de stad aan de oostkant passeert en waaraan ook het vliegveld ligt.
Zij volgt de oude Autoroute die dwars door het centrum van Lyon loopt.
En ik ben de enige die dat ziet.
Er is althans niemand die wat zegt.
Binnen tien minuten staan we in een file.
Ik glimlach besmuikt en sla een tijdschrift open.
Een half uur later rijden we nog slakvoets.
Sabrina lispelt steeds iets harder merde en shit en aanverwante begrippen.
Ook de wijnjournalist ontwaakt.
Is er geen snellere verbinding naar het vliegveld, moppert hij.
“Zij heeft de afslag naar het vliegveld Saint Exupéry gemist”, zeg ik in het Engels. “Dat ligt langs de snelweg die loopt langs het oosten van de stad. Inderdaad vanaf Ampuis slechts twintig minuten rijden.
“Gottjezus nee, het schaap”, reageert de wijnjournalist in het Nederlands.
“Nee hoor, ik heb geen enkele afslag gemist”, pruttelt Sabrina. “Het is gewoon druk. Daarom wilde ik ook geen toeristische route rijden.”
Michèle ontvouwt ietwat geëergerd een wegenkaart en laat die pontificaal op het dashboard voor Sabrina liggen.
Dan blijft het stil.
Na drie uur stilstaan en slakkegang bereiken we het vliegveld.
We moeten ons nog haasten naar de gate.
Als we allemaal zitten, beginnen we te lachen.
Dat arme kind. Dat arme Inter-Rhône dat met Sabrina pr moet bedrijven.
“Waarom had zij nou zo’n haast vanmiddag”, vraag ik aan Michèle.
“Werd het haar echt te veel?”
"Nee", weet Michèle. "Zij krijgt over twee weken een puppy. Dat beestje zou aan het eind van de middag enkele spuitjes krijgen en daar wilde zij bij zijn."
Zelfs de mond van de dagbladredactrice valt open.
We bestellen van de schrik in het vliegtuig maar een miniflesje wijn.
Een syrah, uit de nieuwe wijnwereld.

Het fruit springt eruit, deel III

Flipper-1.jpg
foto: Cuno van 't Hoff

Vijf dagen trekken we van het ene wijnhuis naar het andere. Met tussenstops om te lunchen en te slapen. Onder leiding van een even mooi als rondborstig meisje dat zich allengs ontpopt tot een stressrijk serpent. “Ik wil dat jullie nu komen, vite vite vite.” Flipperen met Sabrina.

Wijnranken die over oneindige heuvels glooien.
Met kerkspitsen als uitroeptekens in het golvend groen.
Vanaf het Place d’Eglise in Rasteau hebben we een goed uitzicht over een groot deel van de zuidelijke Côte du Rhône.
We zien links wijnstadjes als Sablet en Gigondas, en de Dentelles de Montmirail, een bergketen met rafelrandjes.
Links ligt Séguret en als kroon in het landschap de beroemde fietsberg Mont Ventoux.
Achter ons in een hoekje van het plein mokt Sabrina.
“Zie je hoe onze wijnvelden vanuit het dal over de zuidelijke heuvelhellingen kruipen”, gidst Gilles Ferran van Domaine des Escaravailles uit Rasteau. “De druivenranken liggen met hun kop volop in de zon, en dat geeft ze een hoog suikergehalte en hoog alcoholpotentieel.”
De ligging van de wijnranken zorgt voor robuust rood, begrijpen we, dat het broertje wordt genoemd van Châteauneuf-du-Pape, een van de beroemdste Rhône-wijnen. Ook maken ze in Rasteau Vin Doux Naturel, een natuurlijke zoete rode wijn die je nergens elders in de Côte du Rhône aantreft.
Gilles: “Om nog maar eens aan te tonen hoe uitzonderlijk Rasteau is.”
Dat willen we dan wel eens proeven, en daarvoor schuiven we even later aan op het plein van Rasteau, een minidorpje van zo’n 650 inwoners waarvan 80 tot 90 procent direct of indirect werkt in de wijn.
Gilles komt aanzetten met enkele flessen van zijn wijndomein waaronder een fles wit.
Op het etiket staat La Galopine, dat ondeugende jongetje betekent.
Pas dan voelen we hoe Rasteau echt smaakt.
Ondeugend lekker.
Daar heeft niemand iets anders aan toe te voegen.
Gilles kijkt tevreden.
Sabrina zit op een hoekje van de tafel.
Met veel chagrijn brabbelt zij in een telefoon.
Zij trekt erbij in felle halen aan de puntjes van haar haar.
Haar dolfijntje is van haar hals verdwenen.

Hoe lang Sabrina ons door het oude centrum van Carpentras cirkelt, weten we het niet. Maar ook nadat we sommige voordeuren vijf keer hebben gezien, blijft Chambres d’hôtes La Salamandre in het stadje onvindbaar.
Weer hetzelfde pleintje, weer dezelfde slager, en kijk, dezelfde mensen staan nog steeds te praten voor dezelfde fromagier.
Sabrina gromt en laveert de Mégane alsmaar grimmiger door steegjes en over pleintjes. Haar TomTom weigert alweer dienst, zegt zij. Daarom kan zij de weg niet vinden.
Haar mond weigert ook, bedenken we.
Want waarom vraagt zij voorbijgangers niet naar het adres.
Of wat te denken van belletje naar La Salamandre, opdat de eigenaar ons remote naar zijn adres kan loodsen.
We durven haar niet op dat idee te brengen.
Wie weet wat voor chagrijn ons dan weer wacht.
Maar gelukkig, na nog drie rondjes en een voorzichtige hint van Michèle raadpleegt Sabrina dan toch de telefoon.
Even later stoppen we in één van de weinige straatjes die zij de afgelopen drie kwartier links had laten liggen.
Tijd voor een biertje, besluit ik met de wijnjournalist.
Niet te lang wegblijven, roept Sabrina vanuit de receptie.
We worden om zeven uur in Chez Serge aan tafel verwacht.
Onze gastheer die avond is Olivier Legrand, haar baas van Inter-Rhône.
Zij kijkt er heel belangrijk bij.
We halen onze schouders op en wandelen door Carpentras.
Dat blijkt allesbehalve een feest.
De Mistral waait er alle terrassen leeg en blaast enkel lelijke mensen over straat.
Carpentras dankt zijn faam aan de berlingot, vertelt een folder van het VVV. Een snoepje gemaakt van de restjes van siroop van gekonfijt fruit, in de vorm van een piramide dat ze ook in Nantes hebben uitgevonden.
We drinken een biertje en een Pernod in een sfeerloze bar tegenover de kathedraal.
Buiten gaat het regenen.
Het maakt Carpentras tot een nog vreselijker oord dan het al was.
De stad is in 1996 uitgeroepen tot markstad van het jaar.
Fransen zijn stapelgek, besluiten we.

Rond Carpentras ligt de Comtat, de moestuin van de Rhône.
Ook groeien er truffels.
’s Avonds in Chez Serge wacht dan ook een heus truffeldiner waarvan de kwaliteit strandt in goedbedoelde onzin.
We vinden flinterdunne plakjes witte truffel terug in een salade die zwemt in azijn; we vinden plakjes witte truffel tussen tagliatelleslierten die als wit zeewier verwaaien in een oceaan van roomsaus, waarin doorbakken coquilles drijven als verloren reddingsboeien; en we vinden plakjes witte truffel verwerkt in een nougat glacé dat elke truffelsmaak doet smoren in zoet en koud.
Hoe mislukt elk gerecht ook, gastheer Serge maakt van de avond een feest.
Serge Ghaikassian heet hij voluit.
Hij is geboren in Armenië. Met zijn ouders spoelde hij aan in Marseille om jaren later te landen in Carpentras om ons deze avond van nog weer een fles Côte du Rhone te voorzien.
Sabrina nipt aan glaasjes wijn en water, en heeft enkel oog voor haar baas Olivier Legrand. Die is vanuit Avignon naar Carpentras gereden met een ander pr-meisje van Inter-Rhône. Een merkwaardig blond exemplaar dat de hele avond tegen ons geen woord zegt en af en toe een woordje Frans naar Sabrina roept. Als wij ter hoogte van het dessert vragen wat zij eigenlijk doet, hebben we kennelijk op een start-knop gedrukt, want ineens haalt zij een stapel paperassen uit een tas en ratelt over een gids met slaapadressen bij Rhône-wijnboeren thuis. Die gids wil zij graag aan ons overhandigen, en zeker, een top vijf van de mooiste adressen heeft zij ook.
“Waarom slapen wij dan langs rijkswegen en in verstopte chambre d’hôtes”, vraag ik.
Het pr-meisje kijkt in al haar blondheid vertwijfeld om zich heen, en verstopt zich weer in een grimmig stilzwijgen.
Serge heeft alweer een fles op tafel gezet.
Sabrina krijgt zowaar enige kleur op haar wangen.
Ik vraag haar voorzichtig wat haar dwarszit.
“Ik werk pas een paar maanden bij Inter-Rhône en wil het graag goed doen", schaapt zij. "Ik moet nog zoveel leren. Ik ben normaal erg relaxed in mijn hoofd maar de laatste tijd een beetje speedy.”
Waar dat speedy vandaan komt, wil zij niet vertellen.
“Doe nou maar rustig”, probeer ik.
“Wij worden een beetje gek van jou gespeed. Allemaal willen wij hetzelfde als jij, en dat is een goed verhaal over de Rhône, dus laten we elkaar daar zoveel mogelijk bij helpen.”
Dat doet de strengheid in haar blik doorbreken.
Sabrina vertelt dat zij opgroeide in Parijs.
15 jaar was zij toen zij het ouderlijk huis uit wilde.
Zij had haar zinnen gezet op een internaat in een buitenwijk.
Nee hoor, ze was niet onhandelbaar.
“Mijn moeder huilde toen ik wegging.”
Het internaat waren de mooiste dagen uit haar leven.
“Ik had allemaal vriendinnen om me heen, en vriendjes natuurlijk.”
In Nantes volgde zij een landbouw hogeschool. Specialisatie marketing. Stage liep zij bij Inter-Rhône in Avignon waar zij sinds een half jaar vast werkt.
“Met mijn ouders ging ik hier altijd op vakantie.”
Sinds een paar maanden heeft zij een kamer in het centrum van Avignon, op twee minuten lopen van haar kantoor.
Volgende week gaat zij samenwonen, met een hondje.
Cajun, heet die.
Kijk, dit een foto van hem als puppy.
Zij pakt haar mobieltje en toont een foto van een bruin minibeest met lange oren, natte snuit en hondstrouwe ogen. Dan hoor je heel warm en belangstellend te kijken, weet ik. Zoals je dat ook naar babyfoto’s van anderen doet. Dus kijk ik heel belangstellend.
Maar Sabrina heeft haar blik alweer gericht op Olivier, waarschijnlijk te controleren of ze het goed doet. Zij trekt erbij zenuwachtig aan de puntjes van haar haar.
Na nog een fles dessertwijn, en nog een fles andere dessertwijn, en een rondleiding van Serge door alle krochten van zijn restaurant, hebben we trek in bier.
Maar in Carpentras is alles gesloten.
De Mistral waait in het stadje alle lichten vroeg uit.
’s Avonds droom ik over dolfijntjes met natte snuitjes, en een dompteur die Olivier heet.
De achternaam van Sabrina is Tolphin.

Aan het ontbijt in La Salamandre is iedereen stil.
Michèle kleurt de ochtend in een combinatie van rood-wit.
Sabrina draagt een zwarte broek en zwart shirt.
Om de tafel dartelt de eigenaresse in een sixties soepjurk die hoopt op aanspraakpraatjes.
Onder de tafel ligt een enorme hond die Hannibal heet.
Sabrina gaat vast omhoog om koffers te pakken en de auto te halen, zegt zij.
“Vergeet de TomTom niet, anders duurt het misschien uren om de uitgang van Carpentras te vinden”, grapt de wijnjournalist.
Als wij na een half uurtje bepakt en bezakt in de hal staan te wachten, komt zij pas van haar kamer.
Haar ogen zijn rood.

Op weg naar de Noordelijke Rhône maken we een toeristisch ommetje achter de Dentelles de Montmirail.
Sabrina belooft te stoppen op mooie plekken.
Maar stoppen in Frans-aandoenlijke villages doen we niet.
In plaats daarvan slaat Sabrina een zandpad in en vertelt dat zij ons wat wil laten zien.
“Vite, vite, vite.”
Snel de auto uit, begrijpen we.
Zij wenkt ons naar een pad dat leidt naar een vallei met wijnranken omringd door bomen en bramen en frambozen.
“Het huisje van mijn ouders is hier vlakbij, en op deze plek kwam ik graag frambozen plukken.”
Zij droomt weg in jeugdmijmeringen en kijkt gelukkig.
Onze irritatie over haar gedrag slaat bijna om in medelijden.
Dan haarspeldbocht zij verder.
Fraaie pleintjes, plataanrijke straatjes en fraaie huizen met blauwe luiken verdwijnen even snel als ze komen.
Dan is het genoeg.
In een dorpje dat Suzette heet, zeg ik dat ik moet plassen.
Sabrina stopt.
De dagbladredactrice loopt met een fototoestel achter me aan.
Ook de wijnjournalist stapt met een camera naar buiten.
Na ruim twintig minuten ben ik als laatste terug.
Sabrina staat op ontploffen.
“Het wc-papier was overal op”, zeg ik. "Ik moest lang naar een volle toilethouder zoeken."
Zelfs Michèle kan een glimlach niet ophouden.
Sabrina begrijpt de fotografische nood en serveert een korte stop bij La Roque Alric dat Provençaals te leuk tegen een bergpuist is geplakt. Daarna staat nog een wandeling gepland in een hoog gelegen dorpje van bakstenen en kinderhoofdjes.
Tien minuten, niet langer.
Zij snelt alvast voor ons uit om de mooiste plekjes aan te wijzen.
“Vien, vien, vien.”
De dagbladredactrice loopt achter haar aan.
De wijnjournalist blijft in de auto zitten.
Over zijn hoofd trekt een hogedrukgebied.
“Ik ben helemaal klaar met dat kind", proest hij.
Ik stop mijn rode hoofd onder de kraan van een dorpspomp.
Michéle excuseert zich en zal opnieuw met haar proberen te praten.
Ook bij haar lijkt evenwel het geduld op.
“We laten haar hier alleen, en rijden gewoon weg”, opper ik.
Michèle en de wijnjournalist tasten afwachtend elkaars gezichten af.
In de verte horen we Sabrina aankomen.
Dan ondernemen we actie.

Later meer>>>

Het wijntje en dolfijntje

sabrina-1.jpg
Foto: Inter-Rhône

Op straat klampten mensen mij amechtig aan. Familie stond digitaal te stampvoeten. En mijn 06 kreeg bijkans hoofdpijn van alle verlangberichtjes. Dus ja, deel drie en vier over Sabrina, ze komen. Tussen Kerst en Nieuwjaar. Tot dan in verband met journalistieke drukte geen Mr. Global. Wellicht tijd om deel 1 en 2 nog eens terug te lezen. Met deze foto erbij, want dit is ze, Sabrina. En inderdaad, dat is haar dolfijntje.

Uitkijken!

Dit is echt een gruwelijk keukenspotje. Voor ongelukkenpreventie. Kijk en slik, en boen onmiddellijk de keukenvloer.

hoge%20pan.jpg

My Ass

myass_billboard.jpg

Yass is een dorpje in Australië, vandaar...

Kiwi's in Wassenaar

In de residentie van de Nieuw-Zeelandse ambassadeur wachtte een keur aan kiwi-smaken. Mr. Global rook aan een Savoloy-worstje en spoelde alles snel weg met Muddy Water.

fry%282%29.jpg
Ambassadeur Rachel Fry van Nieuw-Zeeland, geflankeerd door enkele van haar jongens, EnjoyNZ-initiatiefnemers Andrew Morten en Jarrod Englefield.


Het is herfst in Wassenaar.
De bladeren liggen in alle mogelijke indian-summer kleuren verspreid tussen de bomen in de lommerrijke lanen, en kleuren tevens het gazon van de residentie van de Nieuw-Zeelandse ambassadeur, mevrouw Rachel Fry.
Zij zelf staat ons in de hal van haar Wassenaarse buiten op te wachten in een zwart t-shirt, zwarte rok en donkergroen jasje met zwart.
Doe maar gewoon, dan doe je in Nieuw-Zeeland gek genoeg.
Naast haar zorgen twee kokette jongens in lamswol roze en donkerblauw voor enige coleur locale.
Ze hebben een tafel met rijen lege champagneflutjes uitgezet, en ja, die moeten maar eens worden gevuld, vinden ook de jongens die terstond de kurken van enkele flessen Cuvéé Nr. 1 laten ploffen.
We zijn precies op tijd binnen.
Met een glaasje bubbeltjes chardonnay bekijken we het interieur van de Nieuw-Zeelandse residentie die speciaal voor deze dag een nieuwe look heeft gekregen. Kriskras over de benedenverdieping ontwaren we kinderbuggy’s, wintersportkleding, kampeerspullen en huidverzorgingsproducten.
In de woonkamer veren we over hoogpolig wit tapijt, in de bibliotheek bestuderen we ingelijste landschapjes en op de hapjestafel in de eetkamer vinden we op schoteltjes Lime & Piri Piri chutney, een salsa van Geroosterde Tomaat en Karengo, en een dipje van Gekarameliseerde Ui en Kawakawa.
Voor de inwendige mens zijn er verder flessen met Taakawa-bier, avocado-olie, Matakana Bell Pepper Dressing en Hokey Pokey Chocalate Sauce plus flesjes waarop Kaitaia Fire, Waha Wera en Hot AS! staan.
In Nieuw-Zeeland houden ze van pit.
Over de hapjestafel waakt Monique Koorn.
Zij heeft aan de hoofdstedelijke Kinkerstraat een foodwinkel gespecialiseerd in producten uit Nieuw-Zeeland waar zij jarenlang heeft gewoond.
Kiwisauce heet haar winkel, en haar kinderen heten Silke, Romkje en Rangi.
Op de barbeque heeft zij Savoloy-worstjes gelegd, en die ogen niet echt overtuigend.
“In Nieuw-Zeeland moeten die worstjes ook vies zijn”, verduidelijkt Monique, “anders is het niet Nieuw-Zeelands.”
We besluiten het vleesspiesje en de ontdooide mossel ook maar te laten liggen, en staren een beetje verveeld over de Italiaanse tuin die is ingenomen door tenten en ander kampeergereedschap van de firma Macpac.
De Nederlandse Macpac-vertegenwoordiger maakt een uitnodigend gebaar naar buiten waar het spontaan begint te druilen. Tegelijk worden we naar de woonkamer geroepen waar mevrouw Fry iedereen welkom heet in het Nederlands, Nieuw-Zeelands en Maori waarna we gewillig naar een videoscherm staren.
We zien stranden, brandingen, bergen, zeiljachten en dolfijnen voorbij komen, met dezelfde buggy’s, wintersportkleding en tenten, en een reisbureau gespecialiseerd in vakanties langs b&b’s en kleine hotels in het land van de kiwi. En dat allemaal onder de noemer EnjoyNZ waaronder Nieuw-Zeeland zich wereldwijd wil gaan presenteren. Samen met FoodNZ, TravelNZ, ClothingNZ, LifestyleNZ enzovoortsNZ.
Ach kijk, daar zijn ook de meisjes van Elle Eten, we herkennen even later de bijklussende huisvrouw van Metro en geshokerde Residence-redacteur, en er lopen nog wat van dat soort blaadjes rond. En zie, in de video komt evenzo Monique van de Kinkerstraat voorbij toen ze nog beduidend meer blosjes op haar wangen had.
Ook de jongens van de champagne hebben een tafeltje uitgestald.
Ze hebben een importbedrijf van Nieuw-Zeelandse wijn.
We ontwaren etiketten met Roy’s Hill, Fiddler Green, Spy Valley en Muddy Water.
Jarrod Englefield heet een van de twee importeurs. Hij was ooit aanvoerder van het nationale jeugd cricketteam van Nieuw-Zeeland, en wicket vandaag in het eerste van Rood & Wit uit Haarlem.
Wat gaan we proberen, vraagt hij.
We beginnen bescheiden met een frisse Sauvignon Blanc die naar vers stuivende hooi ruikt, genieten van Pinot Noir die naar Pinot Noir ruikt en een Cabernet Sauvignon die gewoon lekker ruikt.
Over wijn moet je niet moeilijk doen, die moet je gewoon drinken.
In de eetkamer zien we de Elle Eten-meisjes happen in Savoloy-worstjes en een ontdooide mossel achterover slikken, en ze kijken er verheerlijkt bij.
We nemen nog een slokje Muddy Water en besluiten dat het de hoogste tijd is om te gaan.
Dus bedanken we de ambassadeur voor haar gastvrijheid en verdwijnen we tevreden tussen de donkere bomen die alsmaar diepere schaduwen over de invallende schemering van Wassenaar werpen.
Buggy’s, wijn, Savoloy-worstjes, bergbeklimkleding, wij weten wel waar we de volgende keer op vakantie gaan.

[kader]
In memoriam Gert-Jan Dröge (1943-2007)

Sabrina's springfruit vervolg

12%282%29.jpg

Wil je weten hoe het afloopt met Mr. Global en Sabrina? Of misschien begeer je een echte foto van haar? Stuur dan een reactie met je e-mail. Geen zorgen, dat adres verschijnt enkel in de mailbox van Mr. Global. Dan krijg je het vervolg van 'Het fruit springt eruit' deel 3, 4 en 5 in je computer thuis. Mits bij voldoende verzoekjes.

"Het fruit springt eruit", deel II

43%282%29.jpg

Vijf dagen trekken we van het ene wijnhuis naar het andere. Met tussenstops om te lunchen en te slapen. Onder leiding van een even mooi als rondborstig meisje dat zich allengs ontpopt tot een stressrijk serpent. “Ik wil dat jullie nu komen, vite vite vite.” Flipperen met Sabrina.

“Goedemorgen”, zegt Sabrina, terwijl zij in een mok cappuccino hapt. Het schuim rond haar lippen bezorgt mijn slaperige lichaam terstond wekkertrillingen.
Ik ahum wie er nog meer koffie wil.
Michèle steekt haar vinger op.
Ik zie vanuit mijn ooghoeken dat zij wederom flink tweekleurig heeft uitgepakt.
In donkerblauw en wit deze keer.
De dagbladredactrice draagt nog altijd haar slobberbroek.
Sabrina zegt het met een rood t-shirtje met een diepe hals waar de airco van de eetzaal al vroeg vat op heeft gekregen.
Koffie met schuim, denk ik.
Een half uurtje later zijn we op weg naar het wijnmuseum van Cairanne, gevestigd in de kelder van een cave.
Een cave is een plek waar je rood, wit en rosé van locale wijnboeren kunt proeven en kopen, en andere toeristenwijndingen aanschaffen.
In de cave-kelder van Cairanne wacht ons een multi-zintuigelijke wijnervaring, en dat klinkt veel belovend.
Kijken: achter glas hangen drie happen uit de aarde, die elk een verschillend stukje wijngrond rond Cairanne verbeelden.
Horen: je kunt er naar vogels luisteren die tussen de wijnranken fladderen en nestjes bouwen.
Ruiken: je mag je neus testen op leer, bessen, peper, pruimen, tabak, roodfruit en andere typische wijnproefnotitiedingen.
Proeven: aan het eind van het museum wachten flessen en glazen
Voelen: wijnslokjes die je proeft in je mond, kun je ervaren met je hand.
“Wrijf maar eens over deze roller”, instrueert museumwoordvoerder Frédéric Pacaut.
Ik zie een koker waarover verschillende materialen en stoffen zijn geplakt.
“Als je daarover van links naar rechts aait, voel je grof leer, dik fluweel, hennep en ruw metaal. Aldus ervaar je met je hand de mondbeleving van een rode Les Voconces Cairanne AOC Côtes du Rhône Villages van Camille Cayran.”
Jaja, knikken we, en we ondergaan nog wat hand- en mondervaringen, maar het verband tussen metaal en wijn ontgaat me. Dat leidt enkel tot roest, wijnmijmer ik.
Frédéric woordvoert dat de bouw van de multi-zintuigelijke wijnervaring 1 miljoen euro kostte. Betaald door locale investeerders en sinds de opening al bezocht door tien duizend bezoekers.
“Van een t-shirt tot kurkentrekker, ze kochten allemaal iets. En wellicht dat die Amerikaan uit Minnesota na het proeven voortaan sneller in zijn wijnwinkel naar een Cairanne zoekt”, hoopvolt Frédéric.
We gaan ook proeven.
Ik ben vooral nieuwsgierig naar het leer, fluweel, hennep en metaal van de rode Les Voconces.
Dat blijft evenwel verscholen onder kurk.
Wel krijgen we andere flessen in onze mond.
Maar die zullen mij thuis allesbehalve rap naar de wijnwinkel doen snellen.
“Zuurtjeswater”, zeg ik nadat ik een plasje rood heb uitgespuugd.
“Te weinig extractie; te weinig diepgang, materie en inhoud”, verklaart de wijnjournalist.
“Yech”, walg ik na een volgende reuk.
“Een typisch gevalletje van malolactische fermentatie. Appelzuur en melkzuur in je neus.”
“Dit is de smerigste”, proest ik, na weer een mislukte slok. “Volgens mij is dit een koker vol plastic en metaal."
“CO2. Weer een minpuntje van de wijnmaker”
“Kunnen we zo gaan?”, voorzichtig ik.
De wijnjournalist staat al buiten.
De dagbladredactrice schrikt op uit haar aantekeningen en knikt dat ze er ook zo aan komt.
Ik heb zin in koffie met veel schuim.
Of een andere combinatie van eendendons, babyhuid en katoen.

We gaan naar Rasteau, tien minuten rijden verderop.
Daar wacht ons de wijnwereld van Domaine Gourt de Mautens. Een kleinschalig wijnhuis van Jerôme Bressy.
Jerôme gaat ons zelf rondleiden, maar hij is er nog niet, zegt een collega met een mal hoedje.
Dus stuurt het malle hoedje ons de wijnkelder in.
Daar ruikt het lekker, en krijgen we een glas.
Dan ook ineens verrijst Jerôme tussen de rijen wijnvaten, met in zijn handen enkele flessen.
Hij zegt bonjour, ontkurkt een fles uit 2004 en schenkt die zwijgend in.
Ook wij worden stil.
Bessen, pruimen, chocolade en andere fijne smaakdingen, ruiken we.
Niet te vergelijken met dat spuugwater uit Cairanne.
Als Jerôme onze blije gezichten ziet, begint hij op uitdrukkelijk verzoek van Michèle wat Frans te brabbelen over zijn biologische productiewijze, handgeplukte druiven in kistjes en 15 wijnhectare met driekwart wijnstokken van 50 tot 100 jaar, goed voor jaarlijks 20 tot 25 duizend liter rood.
“In mijn wijn vind je elk jaar de vrucht van het terroir, de combinatie van grond, klimaat en druiven. En die vrucht smaakt elk jaar een beetje anders.”
We nemen nog maar een slokje terroirvrucht, spugen dat opnieuw niet uit en horen een plop uit een fles van een jaartje later.
Een half uurtje later staan we blij buiten.
De Mistral blaast onze rode wangen koel.
Tijd voor de lunch.
Pas in de auto valt mij de aanwezigheid van Sabrina op.
Het dolfijntje ligt rustig op zijn plaats.
De wijn van Jerôme kan al je zinnen bevredigen.

Tijd voor ontspanning.
We worden losgelaten op een Provençaalse markt in Vaison-la-Romaine.
In dat toeristendorpje hebben we ook een lunchafspraak met een wijnboer.
De markt voldoet aan alle clichés: oude mannetjes met grijze snorren en baret die worstjes en geitenkaas verkopen; tafels vol gevlochten knoflooklinten en plastic bakken olijven; een Renault die fungeert als rijdende rotisserie; en Afrikanen met lakens vol namaak dvd’s.
Het stemt gelukkig.
De Provençe verandert nooit.
We steken een oude brug over en lopen naar het lunchadres.
Dat heet heel spannend Bistro d’O.
Sabrina doet een vestje uit en ook de airco van d’O vergrijpt zich onmiddellijk aan haar t-shirt.
Ik krijg evenzo direct kippenvel.
De wijnboer komt een half uur te laat opdagen.
Hij heeft een koelbox met wijnflessen bij zich. Met een folder over zijn domein.
Verder kom ik niet veel over hem te weten.
Hij vindt het geflipper van het gouden dolfijntje boven het t-shirt met de diepe hals van Sabrina veel interessanter.
Sabrina geniet en lijkt alles om haar heen te vergeten, en lepelt ook onze borden met toetjesrestanten leeg.
We vragen om een extra kannetje water.
De wijnboer wisselt met Sabrina gegevens uit en kuiert met enkele halfvolle en halflege flessen naar zijn auto.
Dan ineens ook begint Sabrina te snellen.
Vite, vite, vite. We moeten opschieten. Anders komen we te laat op onze vervolgafspraak. Onze auto staat aan de andere kant van het stadje, dus nogmaals, vite vite vite.
Zij trekt er gezichten met nare rimpelingen bij, gesidekickt door een Frans dat bestaat uit enkel boze uithalen.
Michèle probeert haar een weinig te kalmeren, maar krijgt direct een verbale linkse.
Wij horen dat wij niet meewerken, niet opschieten en niet zijn als die Finse en Amerikaanse journalisten die zij een week eerder door de Provençe joeg.
‘Wij’ kijken elkaar verbouwereerd aan.
Wat is hier ineens aan de hand?
De wijnjournalist en ik gaan in de remstand.
Ook bij de dagbladredactrice zien we een lichte vertwijfeling.
Sabrina bliksemt nog steeds, Michèle probeert het locale lagedrukgebied met haar zonnige blik te doorbreken.
“Tjezus, wat is dit voor gedoe”, pruttelt de wijnjournalist met vuurrood onthutste ogen, “we zijn verdomme in Frankrijk. Alsof hier niemand te laat op een afspraak komt. Die wijnboer zonet was nota bene zelf ruim een half uur over tijd.”
“Zij is nog jong en onervaren”, cliché ik. “Misschien is zij bang dat iemand boos haar baas belt als we vijf minuten ergens te laat komen.”
“Sodemieter toch op, we zijn in Frankrijk”, herhaalt de wijnjournalist, terwijl Sabrina met Michèle uit ons zicht verdwijnt.
Misschien moesten we toch maar eens gaan Vierdaagsen.
Op de parkeerplaats staat Michèle ongeduldig naar ons te zwaaien.
Sabrina zit al achter het stuur.
“Sorry jongens, ik weet echt niet wat er met haar aan de hand is”, fluistert Michèle.
Wij halen onze schouders op, stappen in en vragen Sabrina waarom ze nog zo lang wacht. TomTom aan en rijden maar.
Sabrina krijgt nog meer irritatierimpels als het haar omringende verkeer niet haar tempo wenst aan te nemen.
Bevrijd uit de drukte, iets buiten het dorpje, zet zij de Mégane in TGV-snelheid.
“Ze kan dus wel autorijden zonder te zwalken”, grapt de wijnjournalist.
Ook Michèle voorin krijgt weer een glimlach.
Maar de stemming is definitief omgeslagen.
We hebben nog een middag en drie volle dagen te gaan.

Volgende keer meer

"Het fruit springt eruit", deel 1

2%282%29.jpg

Vijf dagen trekken we van het ene wijnhuis naar het andere. Met tussenstops om te lunchen en te slapen. Onder leiding van een even mooi als rondborstig meisje dat zich allengs ontpopt tot een stressrijk serpent. “Ik wil dat jullie nu komen, vite vite vite.” Flipperen met Sabrina.

Altijd fijn, een wijnreis.
Naar de Côte du Rhône, op uitnodiging van Sopexa, het promotiebureau van Franse landbouwproducten en levensmiddelen.
Onze gastvrouw heet Michèle. Geboren in Frankrijk, maar gevallen voor een kaaskop.
Zij draagt een rode jurk, rood jasje en witte bloes, en die kleurencombinatie heeft zij van haar oorbellen tot haar schoenen bewonderingswaardig doorgevoerd.
De andere vrouw uit het gezelschap is minder gericht op finesse en detail, en draagt makkelijke vliegtuigkleding. Slobbertrui en slobberbroek.
Zij is dagbladredactrice van een grote krant.
“Het is in Zuid-Frankrijk 28 graden”, probeer ik.
Zij haalt haar schouders op en zegt dat ze nog even wil tax-freeën, dus of ze misschien vooruit door de douane kan.
De andere journalist is een onafhankelijk wijnschrijver met rubrieken in diverse horecabladen.
Zijn impossante neus herbergt veel reukkennis, en lijkt ineens een geurtje uit de hal te plukken.
Ik realiseer me ineens dat ik ben vergeten mijn oksels te deorollen.

In de Cityhopper blader ik door een persmap.
De Côte du Rhône is 200 kilometer lang en loopt van Saint-Cyr sur le Rhône, zeg maar vlak onder Lyon, tot diep in het zuiden rond Uzes en Avignon. Bij elkaar 80 duizend hectare wijnranken en 3,3 miljoen hectoliter, en dat klinkt veel en groot.
Het is een ietwat schizofreen wijngebied, met twee helften waar ze elk totaal verschillende wijnen maken. In het noordelijke deel domineren twee druivensoorten: de syrah en viognier. Ze zorgden voor de bekendste wijnen ter wereld: Hermitage, Condrieu, Cornas en nog wat van die namen.
Uit de zuidelijke Côte du Rhône komen beduidend meer wijnliters, ook voornamelijk rood maar dan gebrouwen uit soms zeven druivenrassen.
Veel meuk, herinner ik me uit mijn studententijd; Rhône-rood was lekker voor weinig. Jarenlang heb ik ook gekampeerd op een boerencamping die op Jeu de boulebal-afstand lag van voorname Rhône-wijndorpjes die in de Côte du Rhône heel voornaam Villages heten.
16 heb je daarvan.
Bij hun grote broers uit het wijngebied volstaat enkel een plaatsnaam op het etiket. Vacqueyras, Gigondas en Châteauneuf-du-Pape, en vooral die laatste kent iedereen.
“Bekend in de Rhône”, vraagt de wijnjournalist die naast mij in het vliegtuig zit.
Ik vertel over de boerencamping. “Vlakbij Vinsobres, Visan en Valréas, de plaatselijke VVV”, grap ik.
De wijnjournalist kijkt serieus terug.
“Dat is de zuidelijk Rhône. Ik ben vooral geïnteresseerd in de cru’s van het noordelijke deel. Ken je die wijnen?”
“Heb ik nog nooit geproefd. Te duur voor mijn portemonnaie ook. Maar mijn mond en keel willen graag met die streek kennis maken.”
De wijnjournalist kijkt me minzaam aan en bladert weer door zijn wijnboek
Ik begrijp dat onze conversatie is beëindigd.
We gaan over enkele ogenblikken landen.

We wachten een half uur voor het vliegveld van Marseille.
29 graden is het in de schaduw.
Op Schiphol stond het kwik vijftien streepjes lager.
We trekken alsmaar meer kleding uit.
Ook de dagbladredactrice heeft haar slobbertrui tussen haar taxfree-aankopen gepropt.
Michèle belt onrustig met de vertegenwoordigster van Inter-Rhône die ons komt oppikken en begeleid.
Zij kan terminal drie niet vinden, begrijpen we.
Haar TomTom laat haar in de steek.
Nog drie keer bellen en dan zien we uit een Renault Mégane een jong vrouw stappen met een lange witte jurk en een bloot blauw hemdje.
Sabrina, heet zij.
Zij heeft doordringend bruine ogen, donker krullend haar, en een voloptueuze mond.
In haar rechterneusvleugel flonkert een diamantje, om haar nek hangt een gouden dolfijntje dat tussen haar borsten heen en weer springt.
“Het fruit springt eruit”, grapt de wijnjournalist.
"Boys, boys, boys", neurie ik.
Dan legt Sabrina onze koffers in de auto en geeft ons een flesje Evian terug.
“Sorry allemaal, maar mijn TomTom doet raar”, zegt Sabrina.
Maakt niet uit, slijmen we, terwijl het bronwater woest opwellende gedachtes wegspoelt.
De dagbladredactrice is al gaan zitten in de Megane en heeft zich verstopt in een editie van de Franse Marie-Claire.
Dan rijden we richting de snelweg, althans dat denken we.
Sabrina negeert afslagen die richting Lyon wijzen, rijdt twee keer twee rondjes over twee rotondes, draait weer terug langs dezelfde rotondes en maakt dan, aha Lyon, een onverwachte manoeuvre waardoor we van achteren bijna worden geschept door een luid claxonerende truck.
We slikken onze keel weer droog.
Dat blijven we doen, als Sabrina midden op de Autoroute zomaar van de vijf naar de drie en zelfs de twee schakelt, en de Mégane in onveste tred naar Lyon zwabbert.
“De Mistral”, zegt zij. “Die waait hier hard hoor. En trouwens, welke afslag moeten we nemen.”
We zijn bereid alle gevaren voor haar te trotseren.

We lunchen in een fraai kasteel waar ze Louis Bernard-wijn maken voor onder meer Gall & Gall. Een Marokkaans meisje serveert salade, lamsvlees en taart toe, de Nederlandse exportmanager schenkt glaasjes rood en wit, en de wijnjournalist en ik turen van ons glas naar de decolleté van Sabrina. waar ook het dolfijntje maar amper rust kan vinden.
“Mooi”, zeg ik.
“Wat een diepte”, zegt de wijnjournalist.
Daarna wacht een rit naar Vacqueyras.
Sabrina zwenkt en zwaait over provinciale wegen, en praat er lustig met haar handen bij.
Drie kwartier later staan we te duizelen in Domaine de Montvac.
In dat wijnhuis staan al vier generaties vrouwen in de kelder.
Hun mannen waken over de druiven op het land. En dat geeft andere wijn met meer aroma’s, structuur en complexiteit, zegt wijnmaakster Cécile Dussere van het Domaine.
“Het is wijn zoals een vrouw zelf.”
Dat proef je vooral aan de witte.
“Mooi”, zegt de wijnjournalist.
“Lekker”, zeg ik.
“Hmmm”, borrelt de dagbladredactrice die voor het eerst wat zegt, in Frankrijk.

Ons bed staat in een chambre d’hôtes nabij het wijndorpje Cairanne.
’s Avonds gaan we eten in het Michelin-restaurant Le Grand Pré in Roaix.
Michèle verschijnt in zwart-wit en heeft die kleurcombinatie opnieuw tot in alle details op en rond haar lichaam doorgevoerd.
Sabrina draagt een witte linnen open blouse, strapless zwart topje en vacuüm-strakke zwarte broek.
“Zij heeft een bruggetje”, zegt de wijnjournalist.
Dan komt ook de dagbladredactrice naar buiten.
Zij heeft haar slobberkleding aangehouden.
Raoul Reichrath heet de kok van Le Grande Pré, en hij komt oorspronkelijk uit Sittard, maar een vrolijk Sittards volksdeuntje kan bij hem geen glimlach ontlokken, en dat kunnen zijn gerechten bij ons niet. Hij heeft gekookt over de hele wereld en wil te graag gek doen met smaken van verschillende continenten.
Wellicht spannend in het culinair xenofobe Frankrijk, maar achterhaald daar buiten.
Het enige dat imponeert zijn de desserts. De dames krijgen van alles met je met chocolade kunt doen, de heren verkiezen geroosterde vijgen met grof zeezout en citroenthijm, fantastisch. Een rode grenache van Domaine des Escaravailles uit Rasteau smaakt er fantastisch bij.
De zwoele avond vraagt om een terras met een biertje.
Sabrina trekt aan de puntjes van haar haar, en zegt dat ze liever vroeg naar bed gaat.
Ik besluit de avond met een cognac op een verlaten terras in Cairanne.
's Avonds droom ik over Flipper die springt over glooiiende heuvelhellingen vol wijn en fonkelende diamantjes.

Volgende week meer

Peter wint Ossenworstwedstrijd

“Ik wilde niet eens meedoen. Omdat ik zondag graag naar Ajax ga. Het was ook de eerste keer dat ik me inschreef, en dan direct winnen. Ongelooflijk.” Slagerij Peter aan de Van Woustraat in Amsterdam was de grote winnaar van de Amsterdamse Ossenworst-verkiezing. Hij behaalde maar liefst de eerste en een derde plaats, omdat hij twee soorten had ingeleverd. Een magere en een vette. En dat is opmerkelijk, want ossenworst hoort eigenlijk van vet smaakvol vlees gedraaid te zijn. Slagerij Peter zal over twee jaar zeker zijn titel willen verdedigen. Want ja, met dat Ajax, dat is tegenwoordig geen voetbal meer, maar een lach-of-ik-schiet show. En als je zelf aan een wedstrijd meedoet, win je tenminste nog eens wat.

1431758640_14083a8e05_m%282%29.jpg

Worst voor bij de whisky

Osseworst%282%29.jpg
foto: Cor Hospes

Twee jaar geleden won hij de wedstrijd. Tijdens de eerste verkiezing in 2003 gooide hij ook al hoge ogen. Dus wint slager Herman de Wit zondag 7 oktober waarschijnlijk gewoon de derde verkiezing van de lekkerste ossenworst van Amsterdam. Tussen kosjer voorvlees en goede vleesgrepen: een voorafje.

Een dik condoom van 25 centimeter.
Mollig gevuld met een pondje gerookt rundvlees.
Zeg nou zelf, zegt slager Herman de Wit, gerookte ossenworst ziet er niet uit.
Vrouwen moeten dan ook niks van ossenworst hebben.
Niet uit penisnijd of cosmetische overwegingen noch uit rauw vlees-angst.
"Ossenworst is mannenvoer", zegt Herman. "Vanwege de pittige en gerookte smaak past het prima bij bier, een herfstbock het liefst. Plakjes doen het ook goed bij cognac of gerookte whisky. Typische mannendranken."
Whisky, herfstbock: ossenworst klinkt als een echte najaarsnack.
Nee dus.
“Wanneer 's zomers een hete zon je kop helemaal flauw schijnt, heb je als geen ander trek in iets pittigs.”
Geen gewone ossenworst, nee, die is voor watjes, zegt Herman.
Hij heeft het over gerookte ossenworst.
Die heeft veel meer body. En die kracht kunnen watjes niet aan.
Herman de Wit (57) is slager in de Amsterdamse Watergraafsmeer aan de Wakkerstraat. Die straat was ooit bestrooid met winkels: een poelier, melkboer, bakker, schilder, gordijnstoffenmijnheer, kostuummaker en slager.
Alleen de slager overleefde, op nummer 13. En daar zit Herman al 33 jaar.
Het had trouwens niet veel gescheeld of hij was nooit slager geworden.
Zijn vader had een melkveehouderij in de Beemster.
Herman was na de U.L.O. wel zo’n beetje klaar met school. Maar net zoals zijn andere broers en zussen wilde hij de boerderij van zijn vader niet overnemen.
Hij kon bij een oom aan de slag. Die had een slagerij in Soesterberg en had een knecht nodig.
“Ik kwam binnen en mocht pens krabben, gatver, wat een vreselijk smerig werk. Ik dacht: als ik dit drie weken moet doen, ben ik weg.”
Gelukkig bleek de pens snel op en werd Herman slager.
Niet gek trouwens: hij stamt uit een familie vol slagers.
Zijn moeder had zeven broers waarvan zes slager.
De broer van zijn vader is ook slager.
De zus van zijn vrouw?
Getrouwd met een slager.
Herman is een van de betere slagers van Amsterdam, en vooral vermaard vanwege zijn ossenworst. Een typische joods Amsterdamse vinding is dat, want in andere steden met een joodse gemeenschap vind je zo’n worst niet.
Officieel werd ossenworst gemaakt van vlees van gecastreerde runderen, een os dus. Om precies te zijn: het voorvlees van dat beest, want al het vlees verderop in runderlichamen is te veel doorbloed en daarmee niet erg kosjer.
Waarom die koe ook nog eens gecastreerd moest zijn?
Herman weet het niet.
Zoals hij evenzo de exacte herkomst niet kent van het recept dat hij voor zijn ossenworst gebruikt.
Hij heeft dat gekregen van een oom, die natuurlijk ook slager is.
Rijper heet die.
Niet echt een joodse naam.
Waar het recept ook precies vandaan komt, het is prijswinnend.
Twee jaar geleden won Herman de tweede tweejaarlijkse ossenworstproeverij.
Tijdens de eerste editie in 2003 werd hij vierde.
“Er was toen een klantenjury. De winnaar had de meeste klanten meegenomen.” Lachend: “De publieksjury die daarna kwam, had meer smaak.”
Dikke kans dat hij de proeverij aanstaande zondag weer wint.
Herman heeft immers niks veranderd aan de manier waarop hij ossenworst maakt. Tenzij die andere slagers beter slageren. En er doen dit jaar nog meer aan de wedstrijd mee.
Ossenworst staat dan ook enorm in de belangstelling sinds die is omarmd door Slow Food. Een organisatie die zich inzet voor locale gerechten en eettradities, en gelooft in eten met een goede smaak die wortelt in de gastronomische traditie. En daar hoorde Amsterdamse ossenworst bij thuis.
Herman: “Sinds Slow Food is de verkoop met 500 procent gestegen.”
Zijn ossenworstgeheim zit in het kruidenbuiltje van foelie, zout, peper en nootmuskaat dat hij aan het grof gemalen vlees toevoegt. In welke verhouding, nee, die toverspreuk geeft hij niet prijs.
Wel verklapt hij dat hij het gemalen en gekruide vlees in een darm van kunststof doet.
"Puur natuur of van kunststof, het kan allebei, zolang die darm maar rookdoorlaatbaar is. Een echte darm is bacteriologisch goed, kunststof geeft een meer constante kwaliteit.”
Vanwege zijn streven naar constante kwaliteit koos hij voor kunststof, een darm van houtvezel.
Zijn houtvezelworsten hangt hij boven een rokend laagje van 15 centimeter eiken- en beukenkrullen. Beetje aandrukken dat laagje en wat water erbij.
Hoe droger de buitenlucht, hoe scheutiger de geutjes. En dan roken maar.
Sommige slagers hangen hun worsten twee maanden in de rook.
Herman houdt het op zes tot zeven weken, afhankelijk van de luchtvochtigheid. En ja, dan die smaak.
“Je proef het zuivere product. Heel wat anders dan die worsten uit Griekenland, Italië, Frankrijk en Spanje. Die lijken allemaal op elkaar en ze sterven van de knoflook of peper om de kwaliteit van het vlees te maskeren. Denk ik.”
Zijn vlees is juist zijn trots.
Fris en direct versnijdbaar, en goed doorkoeld.
Hij haalt het uit Montfort, onder Utrecht. Van een diervriendelijke scharrelboer die zijn beesten constant voert. En dat proef je in het vlees terug.
Vlees van MRIJ-runderen is het. Belgische Blauwen, en Piemontese of Brandrode runderen zijn ook goed, maar liever Maas-Rijn-IJssel.
“Je kunt voor ossenworst ook vlees van Japanse Waaikoekoe-koeien gebruiken, maar die meerwaarde haal je er echt niet uit. Het vlees dat ik gebruik heeft al een goede kwaliteit.”
Die kwaliteit herkent hij in een wei al van verre.
“Een koe moet vleesmanieren hebben en die kan ik van afstand zien.”
Toch: "Als ik een vleeskoe wil kopen, grijp ik die eerst in zijn sodemieter.”
Niet om te controleren of hij misschien met een travoko van doen heeft, nee, in de liesstreek van een rund zit een vleesgreep en een vetgreep. Wanneer je een rund naar zijn ballen grijpt, weet je dus meteen wat voor vlees je aan de haak hebt.
Iedereen mag dat komen proeven zondag.
Houd dit daarbij in de gaten: slechte ossenworst herken je al aan de buitenkant.
Wanneer die oogt als een afgetrapte schoen of beduimelde regenjas laat die dan maar liggen. Ossenworst moet boxfresh ogen. Ook mag erin niet te veel vet zitten. En als de worst zuur smaakt, ahum, dat is melkzuurbacterie en dat zou op bederf kunnen duiden.
Zijn worsten haal je er zo uit, zegt Herman.
Maar dat verschil kan alleen hij ervaren.
Herman mag tijdens de wedstrijd dan ook geen proefformulier invullen.
Bovendien: dat proeven laat hij liever aan anderen over.
Mensen weten zelf wel wat lekkerder is.

[kader]
20 slagers doen zondag 7 oktober mee aan de Osseworstproeverij, georganiseerd door Slow Food. In het Amsterdamse Hilton Hotel. Start: 13.00 uur. Iedereen mag komen proeven. Er worden lezingen gegeven, je kunt ossenworst kopen en ter begeleideing is er bier, jenever en tafelzuur. Info: www.slowfood.nl

1 oktober: B-Day

214305129_dc3ed2780e_m.jpg

Het kan een keer per jaar. Op 1 oktober. Waarschijnlijk krijg je een tuuttuuttoon. Maar wie heeft er niet een paar uurtjes bellen voor over. Voor een tafeltje bij el Bulli. Op de enige dag per jaar dat daar de telefoon voor reserveren open staat.

De afdronk van Philippe

“Hij is mooi hè”, zegt de dagbladredactrice.
“Zeker”, knikt de wijnjournalist, terwijl hij zich nog eens in het glas met Côte Rôtie La Mouline Premier Cru verdiept. “In zijn neus heeft hij overrijpe en gedroogde pruimen, zwarte bessen, bramen, licht gebrand hout en romigheid. De eerste aanzet in de mond is..."
“Uuuh sorry," onderbreekt de dagbladredactrice, "ik bedoel niet de rode wijn, maar hem, Philippe, de maker.”

DSC_0235%282%29.jpg
foto: Cor Hospes

Vier dagen Côte du Rhône.
Met een wijnjournalist, een dagbladredactrice en begeleiders.
Een Megane rijdt ons van wijnhuis naar wijnhuis, van wijnhuis naar restaurant, van restaurant naar weer een ander wijnhuis, en naar opnieuw een restaurant.
Aan tafel en in kelders ontmoeten we wijnmakers, en proeven we wijn.
Veel wijn, en tussendoor slapen we.
De laatste dag wacht het hoogtepunt: het wijnhuis E. Guigal van Château d’Ampuis in Ampuis, de geboortestad van de Côte Rôtie.
Al dagen spreekt de wijnjournalist over Guigal, en dan met name over hun Brune et Blonde en La Mouline. Die twee wil hij zeker proeven: “Voor minder ben ik dit hele klere eind niet gereisd.”
In de hal van Guigal wachten we op Philippe Guigal, zoon van de wijnmaker die ook weer een zoon van een wijnmaker is. Aldus vader-op-zonend wist het huis binnen drie generaties uit te groeien tot een van de meest prestigieuze uit de Rhône-vallei.
Ah, daar hebben we Philippe.
Een knappe man. Eind twintig, begin dertig.
De dagbladredactrice krijgt bijkans een kleurtje als zij hem ziet.
Haar bonjour klinkt als bzjoer.
Philippe schudt handen en bonjourt keurig terug.
Even later leidt hij ons door de kelders.
Een ervan is 350 jaar jong en daarmee de alleroudste van de Rhône-streek.
Hij ruikt naar beschimmelde regenjassen.
Komt door de fungiteelt aan het plafond, verduidelijkt Philippe.
De cladosporium cellarae.
Door die cladosporium is de kelder de favoriet van het huis: “Hij is technisch perfect. Dankzij de luchtvochtigheid van 95 procent en de temperatuur. Twaalf graden in de winter, eentje hoger in de zomer.”
De dagbladjournaliste vindt het allemaal prachtig. Zij luistert, knikt en lacht, en laat er nog net geen hoeraatjes bij.
Dan gaan we via een tunnel onder de drukke Route National door.
Daar aan de overkant wachten nog meer kelders. Cladosporium cellarae-vrij en aardbevingproof vanwege het vracht- en treinverkeer dat langs de vaten voorbij dendert.
“Wat is het een mooie man”, verzucht de dagbladredactrice als Philippe zich met een keldermedewerker onderhoudt, “en heel charmant ook.”
Het wijnhuis doet haar broeierig ontwaken.
Tijdens de voorgaande bezoeken had zij weinig gesproken.
Zij proefde en walste in valse stilte, luisterend naar onze gesprekken. En die woorden schreef zij keurig over.
Van zulke wijnschrijvers zie je steeds meer meisjes.
Een Chardonnay en een Cabernet kunnen ze vaak amper onderscheiden, en ze flemen met knappe Fransozen die mooie wijnen maken.
Wij verbazen ons intussen over het wijnhuis waar traditie en moderne fratsen hand in hand gaan.
Guigal heeft een eigen tonnellerie, maar evenzo robots die flessen vullen en verpakken.
Beer, heet een wijnbottelmachine.
Perrier, heet een ander.
En dat vindt de wijnjournalist grappig.
Dan wacht de proeverij.
Philippe zet bijna alle topstukken van Guigal op tafel. Waaronder een Côte Rôtie Brune et Blonde 2004 en La Mouline 2001, die de wijnjournalist doet ontsteken in gebrabbel over fluweel en romig, zuurtjes en zwart fruit, orgasmes van aardse aroma's, koffie, mokka en fruit met een heel verleidelijk zwart pepertje achterin.
"Wat een spanning, wat een fraaie structuur met veel materie en diepe extractie. Briljante houtintegratie ook.”
En zo staan we ieder op onze eigen manier te walsen, te proeven en te spugen, en af en toe slikken we een slokje door. Want hoe vaak zullen je mond en keel hierna nog de kans krijgen om de verrukkingen van een Condrieu La Doriane 2006, St. Jospeph Vignes de l’Hospice 2005 of Côte Rôtie La Turque 2000 te savoureren.
De peperdure flessen bezorgen de dagbladredactrice alsmaar rodere wangen en maken alsmaar gekkere TMF-vragen in haar los.
“Heb je broers?”, vraagt ze aan Philippe.
“Nee, die heb ik allemaal afgemaakt”, antwoordt hij. “No shares!”
De dagbladredactrice begint bakvissig te giechelen.
“Nee serieus", zegt Philippe. "Ik ben enig kind zoals mijn vader enig kind was. Small years geven de beste opbrengsten.”
Nog meer gebakvis.
“En jij”, probeert zij, “wil jij...”.
En dan grijpen we in.
“Philippe, welke wijn ga je schenken tijdens de bruiloft over enkele weken?”, vraag ik. “Toen ik gisteravond met mijn collega in Ampuis nog een afzakkertje nam, vertelde een mevrouw dat je ging trouwen.”
Het gezicht van de dagbladredactrice schiet onmiddellijk in de bleek.
De wijnjournalist doet er nog een schepje bovenop: “Worden het voor jou ook small years of heb je liever een kelder vol kinderen.”
De dagbladredactrice hoest een paar keer en excuseert zich.
Zij moet ineens naar het toilet.
Wij vragen om nog een shot Côte Rôtie La Mouline.
Dat heeft hij, van een oudere jaargang.
Tijdens de lunch drinkt de dagbladredactrice in somberte. Trek in eten heeft zij niet.
De weg naar het vliegveld staart zij kilometers aaneen uit het raam.
Dan gaat de telefoon.
Het is Philippe.
Voor de dagbladredactrice.
Blozend in verbouwereerdheid pakt zij het mobieltje aan, zegt yes en oui, en oh en I’m sorry, yes en yes en merci, en geeft de telefoon weer terug.
"Ik was mijn gsm en aantekeningenboekje op het toilet vergeten", schaapt zij. “Philippe stuurt die op met een fles La Praline of zoiets.”
De wijnjournalist veert op. Een La Mouline?
“Het is een mooie man”, zeg ik. “Een charmante man ook.”
“Ja”, verzucht de dagbladredactrice, “een mooie man, een hele mooie man.”
“Wat een materie", mijmert de wijnjournalist.
"Mijn god, wat een spanning.”

[kader]
Enkele wijnen uit ‘de onderkant’ van het assortiment van E. Guigal zijn onder meer te krijgen bij Gall&Gall. Probeer de Côte du Rhône. Een blend van de allerbeste druiven uit de villages Liriac, Vacqueyras en Gigondas. Zeer appetijtelijk. Prijs: 10,49.


Kip van Cibreo

Cibreo%282%29.jpg

Eerder schreef ik hoe je in Italië snel een goed restaurant kunt vinden. Fijne smikkelparadijsjes tref je ook in de gids Osterie d’Italia. Met 1700 eetadressen aanbevolen door Slow Food. Scheelt flink wat zoeken door achterafsteegjes en langs provinciale slingerweggetjes. En dat geeft meer tijd voor natafelen.

Hij kijkt ons aftastend aan.
Want waar kent hij ons toch van.
Dus knikken wij maar alvast naar hem, en zeggen we dat we in zijn osteria in Pelagio de everzwijnworstje met kaaskoekjes, ravioli met ricotta en zest, en de huisspecialiteit van zijn Osteria della Sciòa, penne met sla, speck en pepers, erg lekker vonden.
Dan gaat er een lichtje bij hem branden, en krult hij zijn snor naar Mrs. Global.
Zijn vrouw schudt voor mij nog eens haar namaakblonde haren in model, terwijl wij nog even wachten voordat de deur -reserveren kan er niet- van Osteria del Cibreo in Florence opengaat.
Want ja, hoe is het toch mogelijk. Dat je in de rij staat voor een restaurant in Florence met de eigenaar van een eethuis uit Pelago, toch een aardig paar kilometers een andere kant op, waar je een dag eerder hebt gegeten.
We zien het de restaurateur denken: 'Jullie kennen je adresjes wel'.
Dus knikt hij nog een keer goedkeurend onze kant op, voordat hij de wijnkaart bestudeert en zijn vrouw haar kapsle nog een keer modelleert.
We hadden Cibreo gevonden in Osteria d'Italia. Een restaurantgids met 1700 goedgekeurde adressen van Slow Food. Daarin werd de osteria beschreven als een instituut. Met op blikwerpafstand een gelijknamig koffiehuis en restaurant.
Meer hoef je Mr. en Mrs. Global niet te prikkelen.
Cibreo was voor ons ook de enige reden naar Florence te gaan.
Wat moet je anders in die toeristenstad.
Al die rijen monumenten en renaissancistische gebouwen die je Stendhal-kriebels schijnen te bezorgen, we hadden ze allemaal al eens tijdens onze backpacker-studentenvakanties gezien en erbij onze schouders opgehaald.
Florence, nee, laat maar.
Een groot openbaar museum. Met groepen Japanners, Spanjaarden, Amerikanen en Russen die blind geoordopt achter hun camera en een vlaggetje aanlopen; niet vreemd dat alsmaar meer Florentijnen de omringende heuvels invluchten.
Verstoppen voor die groeiende museumhorden kun je je in de straatjes van één van de laatste authentieke buurten van de stad, rond de Sant’ Ambrogio-markt.
Ook een aanrader: Oltrarno, aan de overkant van de Ponte Vecchio.
Daar, rechts van de brug, waan je je in een Florentijnse versie van de Jordaan.
Maar dan moesten we eerst die ellendige brug over en dat lukte ons niet.
We liepen hopeloos vast op het kruispunt Uffizi en Ponte Vecchio, en bleven daarom cirkelen rond de Sant' Ambrogio en dat voelde prima.
Eerst een broodje pens bij een mobiele triperia, fruit snoepen op de markt en dan een glaasje wijn plus crostini’s met artisjokkenpuree of lever bij Al Antico Vinaio, en dan is het Cibreo-tijd.
Aan pasta’s doet het eethuis niet.
Wel aan typisch Toscaanse gerechten als broodsoep en Pappa al Pomodoro.
Mrs. Global bevredigt zichzelf met een goddelijke champignonsoep, gevolgd door Baccalà Mantecato, stokvispuree. Ik stort me op een grootse carpaccio van tonijn en de beroemde gevulde hoenderhals met thuisgeklutste mayonaise.
Allemaal goed, allemaal fijn, en het is omdat Joeki Global verbaal eten in het bord gooit, want anders hadden we zeker de kaastaart met sinasappelconfiture geprobeerd.
In plaats daarvan rijden we de kinderwagen naar buiten en wordt het een tiramisu-ijsje verderop.
Vindt Joeki ook lekker, vooral het hoorntje.
De gids leidde ons naar meer smaakvolle plekken. Waaronder Osteria Da Paolino in Manciano in de Maremma, een deel van Toscane dat nog niet is uitgekocht door Britten en rijke Milanezen.
Wat een aardige mensen daar ook.
Het hele personeel van Da Paolino stond nieuwgierig om de hoek te kijken hoe Joeki -daar wel- tevreden smikkelend vanaf mijn schoot genoot van trofie met courgette en worstjes, en Mrs. Global bijkans een vinger op at bij de Tortelli Maremmani.
In de kelder lagen 90 regionale wijnen tegen fijne prijzen, en daarom besloten we nog een keertje terug te komen. Tot groot plezier van alle meisjes van het personeel dat Joeki alle plekjes van Da Paolino toonde.
Enkele dagen later hoorde ik in Manciano 'Joeki, Joeki' galmen over straat.
Op een balcon schuin boven de Coop zwaaide een rondborstige Italiaanse in wie ik onmiddellijk Maria van Da Paolino herkende.
Even later zat ik bij haar boven binnen.
Haar huisgenote ontfermde zich over Joeki, terwijl Maria zenuwachtig aan de gordijnen trok.
De osteria-gids gaat dan ook zeker weer een volgende keer naar Italië mee.
Al was het enkel om diepere contacten met locale serveersters te waarborgen.

Ymlaen Penclawdd, Ymlean

Marksnip.jpg
foto: Rob van der Vet

Ze hebben tatoeages, bloemkooloren, blauwe ogen en scheuren in hun lellen. In Penclawdd in Wales wonen ruige mannen die pas tot bedaren komen in een scrum of naast het spit.

Klootzakken, vind hij ons.
Telefonisch heeft Mark Swiston al een paar keer gezegd dat het hem aan tijd ontbreekt om ons te ontvangen, voor een reportage over Penclawdd Shellfish Processing waarvan hij eigenaar is.
Hij moet naar een bruiloft van zijn neef en is enkele dagen op pad voor belangrijke afspraken. Dus sorry jongens, een andere keer.
Maar die andere keer bestaat voor ons niet.
We zijn die en die datum in Wales en echt Mark, je hebt zo’n bijzondere fabriek, immers, waar ter wereld vind je verder nog vissers die met hark en zeef in het slijk naar kokkels vissen.
Het blijft evenwel nee, vertelt zijn secretaresse en die maakt tegelijk een fijn uitglijdertje. Het ontglipt haar namelijk dat Penclawdd Shellfish Processing een Nederlandse eigenaar heeft, en na nog twee telefoontjes wil ze eindelijk wel zeggen hoe die heet.
Via Holland Shellfish in Yerseke is een afspraak met Mark snel geregeld.
Dus daar staan we op een maandagochtend. Fotograaf Rob en ik. In een keet met een 45plus-dame in een wit truitje, zwarte broek en Varilux-bril die ons voorziet van sterke thee en blikjes kokkels, en ja, Mark komt over enkele ogenblikken.
Mark komt inderdaad, nog enkele ogenblikken later.
Hij oogt als een Liverpool-hooligan na afloop van het Heizel-drama. Zijn hoofd is rood opgezwollen van de drank, zijn blik staat op beuken.
“Leuk huwelijksfeest van je neef gehad”, gezellig ik.
“Och”, rochelt Mark, “een stuk of dertig biertjes, ik heb het niet zo bijgehouden.”
Maar kom, haast hij, we moeten opschieten als we nog foto’s willen schieten. Aan de overkant van de Inlet staan een aantal medewerkers van hem al een uur naar kokkels te vissen.
Ik plof voorin naast hem in de Landrover. Pak mijn aantekeningenboekje en probeer met mijn pen zijn kortaffe Welsh te volgen en zijn alles vernietigende alcoholwalm te ontwijken.
Rob zit achterin en vraagt of Mark misschien een kauwgumpje wil.
Dat verzoek loopt goed af.
Na een half uurtje 4x4’t Mark de Landrover over de bodem van de Burry Inlet.
Bij een drietal vissers houdt hij stil, midden in het slik.
“Daar staan ze, ik zou zeggen, stap uit en stel de jongens gerust enkele vragen, en fotografeer wat je wilt.”
Mark kijkt ons afwachtend aan.
Rond zijn lippen speelt een geamuseerde grijns.
We weten waarom.
Hij draagt laarzen, de vissers dragen laarzen, iedereen in de Burry Inlet draagt laarzen, maar wij niet, en natuurlijk heeft hij die niet aan ons meegegeven.
Hij kan ons terugpakken.
Rob en ik besluiten daarom tot geen kick.
Quasi-nonchalant open ik de voordeur en stap naar buiten.
Ik hoor een slurp en sta vastgezogen in het slijk.
Mijn sneakers zijn tot over de wreef in de donkergrijze drab verdwenen.
Ik hoor dat Rob ook een slurp tegemoet springt.
Hij wijst naar mijn voeten.
“Leuke grap, die Mark heeft humor”, vindt Rob.
En dat vind ik ook, terwijl de Burry Inlet zich nog meer aan mijn Puma’s vastzuigt.
Mark draait zich naar ons om.
“Kom op jongens, de boys hier staan klaar voor jullie.”
Rob gebaart en klotst op zijn bergschoenen vooruit door de plassen.
Ik doe net alsof ik driftig aantekeningen maak, en kom echt geen kant uit.
Drie kwartier later rijden we terug naar de Penclawdd Shellfish Processing-fabriek.
Mark kijkt geïmponeerd naar mijn zwaar bemodderde schoenen en broekspijpen.
Ik bekijk geïmponeerd de tatoeages op zijn onderarmen en de letters op zijn vingers. Samen vormen die een vrouwennaam.
Mark praat intussen met iets meer komma’s en bijzinnen, en ook zijn Welsh klinkt ineens minder Welsh.
“Kan ik meer voor jullie doen?”
We vertellen dat we nog wat rond rijden voor wat sfeerplaatjes. Wellicht aan het einde van de dag een biertje, en dan gaan we naar ons hotel verderop.
“Ga voor dat biertje naar de Royal Oak, in Penclawdd”, tipt Mark. "Dat is echt de meest authentieke kroeg uit de streek.”
Rond zes uur parkeert onze auto ons naast de Royal Oak.
Binnen zitten enkel mannen. Met bloemkooloren, littekens, kapotte lippen, beten in hun oren en blauwe ogen.
Ze kijken ons verwilderd aan en grommen Welse woorden.
Eén Creamflow, besluiten we, en dan als de sodemieter wegwezen.
Rob telt vijf stoelen met drie poten en ziet een lambrisering vol butsen en geplakte scheuren.
De Royal Oak lijkt eerder een kroeg om te knokken dan te drinken.
Dan zien we Mark binnenkomen.
Hij groet de bloemkooloren en andere gekwetsten, en loopt naar ons.
De kroeg wordt daar even stil van.
"Dat zijn jongens van kokkelfamilies die ermee moesten stoppen. En teamgenoten, hè boys.”
"Ymlaen Penclawdd, Ymlaen!", yellen enkele jongens.
Mark yelt terug en heft zijn getatoeërde armen omhoog.
Ik ontwaar vuurspuwende draken en rondborstige zeemeerminnen.
Rugby is een uitlaatklep voor Penclawd. Dat doen ze er al sinds 1880. De nationale rugbykampioen komt niet voor niks uit Llandelli, aan de overkant van de Burry Inlet.
“Fuckers”, zegt Mark, “ze halen al jaren onze beste spelers weg en nu ook nog eens onze kokkels.”
Er komt een tweede Worthington voor ons op de bar en Mark vertelt over Penclawdd. Ooit was Penclawdd een bloeiende haven. Honderden boten met tin, koper, messing en kool vertrokken er naar elders. Maar met de mijnsluitingen schimmelden haven en winkels weg. Alleen kokkels voelden zich nog senang rond Penclawdd, totdat enkele jaren geleden een gevreesde algenziekte toesloeg.
“Sindsdien vind je alleen aan de zuidelijk kant van de Burry Inlet nog schelpen. Bij Penclawdd zijn ze verdwenen. Veel vissers hebben zich daarom laten omscholen, de rest werkt bijna allemaal voor mij.”
“Maar kom”, zegt hij, ineens op andere toon. “Hebben jullie al gegeten?”
Hij geeft een feestje thuis. Vanwege een stuk land naast zijn huis dat hij heeft gekocht. Tegen een vriendenprijsje, knipoogt hij eraan toe.
“Stelt niks voor hoor dat feestje. Gewoon een varken aan het spit, wat bier, dat is het. Rijd maar achter mij aan.”
Dat doen we.
Niet zonder alle bloemkooloren uitdagend goedendag te wuiven.
Dat zorgt opnieuw voor gegnuif en gegrom.
De tuin van Mark telt zo’n vijftig gasten.
In een hoek verzamelen de mannen, in een andere hoek samenklonteren breedgeheupte vrouwen. Onder hun te korte strakke truitjes zien we wit vlees met ernstige putjes.
We krijgen droge kelen.
Mark arriveert net op tijd met enkele flesjes.
“Jullie zijn goede jongens, zegt hij. “Vonden mijn jongens ook.”
“Proost.”
“Proost”, echoën we.
“Wat gaan jullie de komende dagen nog meer doen.”
“Welsh black beef”, antwoordt Rob.
“Een coracle maker”, antwoord ik.
Mark neemt een slok.
“Geen kokkels meer?”
Nee, geen kokkels meer.
We klinken flesjes.
“Ymlaen Penclawdd, Ymlean”, yel ik.
“Ymlaen Penclawdd, Ymlean”, yelt Mark, waarbij hij met zijn enorme armen iets te hard op onze ruggen slaat.
“Jullie zijn goede Dutchies, echt goede jongens”, zegt hij met een tevreden glimlach. “Kom nog eens terug, maar neem dan wel laarzen mee.”
En weg loopt hij, de geur van het gebraad tegemoet.
Aan zijn tred kunnen we zien dat hij een binnenpretje heeft.

Kokkels uit Penclawdd

Ze zijn de laatste vissers in het Verenigd Koninklijk die kokkels met hand en hark uit de blubber halen. Tot je enkels in de zanddrab met de pickers van Penclawdd.
snipshot_e4jmoc22mx8.jpg
foto: Rob van der Vet

Hij zwijgt en harkt.
Door de blubber van de drooggevallen Burry Inlet.
Als Elliot James tientallen kokkels heeft bloot geharkt, pakt hij zijn zeef, schept ermee door het slib, en zeeft als een goudzoeker de schelpen zandvrij.
De allerkleinsten ploffen door de mazen van de zeef terug op de blubbergrond.
"Babykokkels", zegt Elliot. "Die moet je ook laten liggen. Ze vormen ons banksaldo voor volgend jaar."
Dan houdt hij weer zijn mond. Zoals Elliot James uit het Welse Penclawdd al ruim vijftig jaar elke werkdag bij eb de Burry Inlet aanharkt, zwijgend en harkend.
79 jaar is hij.
Thuiszetten wil hij niet.
Alsjeblieft niet zeg, proest hij met zijn hoge stemmetje.
Wat moet hij de hele dag thuis, bij zijn vrouw.
Bovendien: "Wat is er op een zonnige dag mooier dan buiten te werken", zegt zijn 40-jarige zoon Peter die al even zwijgend de drabwoestijn van de Burry Inlet aanharkt. "Midden in de natuur onder een blauwe lucht. Er zijn mensen die jaloers op mij zijn."
Dat zal best, maar toch niet in de winter.
Dan is kokkelvissen echt geen pretje, in de harde koude zeewind met je handen in het bibberkoude water.
"Och, dat hoort erbij", schouderophaalt Elliot, "en die kou maakt je bewust van de wetten van de natuur. Als je al niet in God gelooft, leer je die dan wel kennen."
Kokkelvissen was jarenlang vrouwenwerk.
Vrouwen verdienden ermee een extraatje, naast het geld dat hun mannen verdienden in de mijnen. "Dat kokkelextraatje groeide uit als hoofdinkomen als mijnwerkers niet langer in de mijnen konden werken; hun longen aangekoekt met mijnstof", vertelt Mark Swiston, opperhoofd van Penclawdd Shellfish Processing.
"In de lunchpauzes stonden de vrouwen hun mannen met kokkels op te wachten. De zilte smaak zou de aanslag van mijnstof voorkomen. Onzin natuurlijk. Zodra de mijnwerkers in de buitenlucht stonden, klapten hun longen open. Na uren ondergronds stonden ze eindelijk weer buiten, en dan maakt het niet uit wat je eet. Ze hapten frisse lucht. Niettemin blijft het een leuk verhaal, dus laten we dat zo maar houden."
Mark is de vijfde generatie Swiston die in kokkels doet.
In de Burry Inlet, een monding van een Loughor-rivier. Een beschermd natuurgebied van 6700 hectare met in het noorden de plaatsen Llanelli en Burry Port, en in het zuiden Gower en Penclawdd.
De Inlet kent een getijverschil van acht meter.
Bij eb valt de inham droog in een kilometers saaie donkergrijze tot grijszwarte vlakte.
Onder dat donkere zand zitten de kokkels verstopt.
Jarenlang mocht iedereen die dat wilde ze rapen, en telde de streek zo'n 2000 mannen en vrouwen die dagelijks door het slib aan het harken waren.
Om te voorkomen dat die de Inlet van kokkels zouden leeg roven en er over een aantal jaren geen enkele schelp meer te vinden zou zijn, besloot de South Wales Sea Fisheries Committee in 1965 dat enkel nog mannen die konden bewijzen dat ze beroepsvisser waren jaarlijks een kokkelvangstvergunning kregen.
55 bleken dat er, en die doen hun werk nog altijd met de hand. Zoals kokkels al eeuwen rond Penclawdd met de hand worden gerooid, en waar dat als een van de allerlaatste plekken ter plek wereld nog steeds zo gebeurt.
Het bezorgde de kokkels uit de Burry Inlet een kwaliteitslabel.
"Met sleepnetten woel je de kokkels om door het zand, schieten ze in de stress en komt er meer zand in de schelp en dus in het kokkelvlees. Niet fijn. Bovendien plet je met een net veel babykokkels, en dat is niet echt een garantie voor een duurzame kokkeltoekomst."
Jaarlijks rapen de pickers, zoals de kokkelvissers lokaal heten, 1000 tot 5000 ton kokkels uit de Burry Inlet. Ieder maximaal driehonderd kilo per dag.
Peter: "Hoe eerder je die hebt gevangen, hoe eerder je je geld hebt verdiend en naar huis kunt, en ja, dan kun je beter maar niet te veel tegen elkaar zeggen, dat leidt enkel af."
Die ochtend zijn ze in drie uur klaar.
Hun gezichten, shirts en armen zitten onder het opgedroogde slib.
Met zeep en Burry Inlet-water wast Peter zijn handen, wangen en armen schoon, en trekt een nieuw t-shirt aan. De geur van de zee zal hij nog uren bij zich dragen.
Elliot: "Hier in die uitgestrekte ziltheid ruik je die misschien niet, maar als ik thuiskom, och man, er waren dagen dat mijn vrouw me niet binnenliet." Met een glimlach: "Nu hoop ik soms dat ze mij niet binnenlaat, dan kan ik met de jongens een biertje gaan drinken."
Ook de kokkels krijgen een douche. In de fabriek worden ze gewassen en gekookt, en verdwijnen geblikt of gepot naar elders in de wereld. De meeste gaan als tapa richting Spanje, een klein deel belandt op de markt in Swansea en als Penclawdd breakfast bij JJ's in Penclawdd.
"De J van Jennifer en de J van July, onze twee dochters", vertelt eigenaresse Maire, die naar frituur en gebakken eieren ruikt.
Zij serveert het Penclawdd ontbijt de hele dag.
Even de kokkels opwarmen in spekvet en die serveren met uitgebakken bacon, een flinke klodder zeewier plus een snee brood doordrenkt in vet.
Een stevig maal voor 2 pond 25, dat geurt naar de zee en waarvan het zeewier je tanden doet knarsen.
Het is dan net alsof je Elliot weer harken door de Burry Inlet hoort.
Als eerbetoon aan de laatste pickers van Groot-Brittanië hoor je bij het Penclawdd ontbijt dan ook te zwijgen.

Welsh Black uit Cwmdu

028%282%29.jpg
foto: Rob van der Vet

Op de groen rollende heuvels rond Cwmcochied grazen de lekkerste Welsh Black. Peter Mitchell laat ze in alle biologische rust de sappige weiden van Wales decimeren. Over de smaak van dooraderd vlees en een melkfabriek in Amsterdam-Noord.

Rijden we verdorie weer verkeerd.
We moesten door het dorpje Cwmdu, was ons verteld, en vervolgens na een groene boerderij de tweede weg rechts.
Edoch, hoe we ook kijken: geen groene boerderij
Dan maar op goed geluk een weg naar rechts, verkeerd, terug en een andere rechts, en na een derde poging zijn we ineens terug op de routebeschrijving, en hobbelen we via een wankel bruggetje en alsmaar smaller asfalt een heuvel omhoog.
Die weg loopt dood bij de voordeur van Peter en Jemina Mitchell, en bij hen moeten we zijn.
Beiden studeerden sociologie in Oxford, maar kozen voor het plattelandsleven.
Biobioer wilden ze worden.
Als voorspel begonnen ze een klein biologisch bedrijf in Dorset.
Peter: “Gevogelte, eieren, geiten, eenden en kaas; dat soort dingen.”
Zo’n vijftien jaar geleden verhuisden ze voor het serieuze biowerk naar Wales. Toen nog een verlaten groene negorij met voldoende ruimte, frisse lucht en sappig gras om biologisch te groeien.
Hun oog viel op Cwmcochied, de vallei van de rode koehoorn. Een lege boerderij buiten Cwmdu, 11 kilometer van LLandeilo in de provincie Carmarthenshire. Gelegen op een heuvel met 63 are land en groots uitzicht over de Black Mountains en de melkstal van Wales zoals Carmarthenshire wordt genoemd.
In die melkstal zag je steeds minder streekeigen Welsh Black-koeien.
Boeren prefereerden Aberdeen Black Angus of andere continentale vleesrassen zoals Charolais en Limousin. Die hebben meer spieren, groeien sneller op maïs en andere granen, en geven daardoor meer vlees.
Welsh Black zijn minder bedrijfeconomisch-slimme koeien.
“Mensen vergeten evenwel een ding. Hun vlees is veel beter. Komt doordat het meer is gemarmerd en juist die gezonde intramusculaire vetten geven het extra smaak. Hoe meer gemarmerd, hoe smakelijker. En daar vragen consumenten in toenemende mate om: biologisch scharrelvlees met smaak. Daarbij: je bent boer in Wales en dan kies je toch voor geharde koeien die hier oorspronkelijk vandaan komen, en als geen ander met vier poten in dit weer en de heuvelachtige omgeving staan.”
25 van die geharde koeien heeft hij.
“Ze staan 280 dagen per jaar buiten. Ze zijn rustig, kalveren makkelijk en eten de hele dag gras: je hebt er eigenlijk geen omkijken naar. Behalve dat je ze om de zes weken moet verhuizen naar een andere wei, omdat ze in hun vraatzucht anders de hele grond kaal eten.”
Zijn Welsh Black bleken melkkoeien. Peter runt intussen een bedrijf dat kwaliteitsvlees van verschillende Welsh Black-bioboeren wekelijks naar de beste restaurants van Londen rijdt. In een witte truck met een gekleurde draak.
"Kom", gebaart Peter.
De laarzen gaan aan, Peter en zijn vrouw pakken wandelstokken en de twee border collies beginnen opgewonden te blaffen.
Tijd voor een wandeling over het enorme erf, en dat vergt soms flinke stukjes kuitenbuiten. Langs bospartijen, vijvers, akkers en weilanden waar de natuur zijn eigen gang mag gaan en zeldzame Llanwenog-schapen pastoralen.
“We hebben anderhalve kilometer heggen aangelegd en meer dan 600 bomen geplant. Voor insecten, wild en gevogelte. En die rode koehoorn zit er ook nog steeds."
Sommige weilanden zijn speelweiden voor brandnetels en distels. “Die struiken herbergen vlinders en insecten, en bieden daarmee ook vogels voedsel. Dit is niet alleen voor ons een paradijs."
Na een wandeling van drie uur gaan de laarzen uit en komen de glazen op tafel.
Jemina vertelt over haar atelier in een voormalige stal waar ze kunstig vazen boetseert, hun dochter gaat met een vriendin topless in het gras en Peter vertelt over zijn tijd op Oxford en zijn Aquarius-avonturen in Amsterdam, want o ja, natuurlijk is hij daar in de sixties geweest. Dat was een must, voor iedere student.
Hij woonde zelfs een tijdje in Amsterdam.
Tegenover Artis.
Geld verdiende hij als productiemedewerker in een melkfabriek in Noord.
"Elke dag met het pontje."
Zijn verdiensten gingen letterlijk op in rook.
“Ik werkte in ploegendiensten bij de fabriek. Soms moest ik om drie uur 's nachts op, en hoorde ik in het donker al die wilde beesten in de dierentuin, echt, dan dacht ik dat ik nog hallucineerde van de drugs.”
Hij was in 1964 ook bij het legendarische concert van de Stones in het statige Kurhaus dat al na drie a vier nummers werd gestaakt.
Het uitzinnige publiek brak de zaal af.
Fraai zijn de beelden van agenten die op het podium tussen Mick Jagger en Keith Richards zigzaggen en op het totaal doorgedraaide publiek inhakken.
Heeft hij allemaal gemist.
“Ik was knetterstoned. Zoals iedereen.”
We vertellen dat wij bijkans hallucinaties kregen van die groene boerderij uit zijn routebeschrijving.
“Had ik dat niet verteld, o sorry, die man heeft zijn huis vorige week rood geschilderd. Alleen de kozijnen zijn nog groen, geloof ik.”
In ons hoofd voelen we enkele Kurhaus-aanvechtingen.
Het uitzicht op zijn dochter kan die gevoelens maar net onderdrukken.
De Welsh Black-biefstuk in LLandeilo die avond smaakt erdoor nog meer dooraderd.


De Hond van Rosas

Het lukte hem. Te reserveren bij het beste restaurant ter wereld. Koken met stikstof en chloor bleek onder de witte brigade uit. Schuim en diepgevroren waren in. Ex-kok Pier Post schoof voor dertig lunchgangen aan bij Ferran Adrià. Mr. Global mocht over zijn schouder meekijken.

ferran%282%29.jpg
foto: Pier Post

De eerste hap was direct raak.
Voor Pier Post lag een gewone groene olijf, althans, de olijf oogde als een normale groene olijf. Maar: "Toen ik ervan in mijn mond een hap nam, knalde die helemaal uit elkaar. De olijf was van binnen geheel vloeibaar en tikte overal mijn tong eventjes aan, en dat gaf een spervuur van smaaktintelingen."
Dat spervuur duurde de hele lunch voort.
"Ferran Adrià zet je steeds op het verkeerde been. Hij plaatst je in een rollercoaster van smaken. Je smaakpapillen worden continu getriggerd en raken herhaaldelijk totaal in de war. Je proeft dingen die je normaal niet proeft. Mijn tong moest na afloop echt in een hangmat."
Pier Post was kok bij verschillende restaurants in Amsterdam. Na een aantal jaren was hij kachelmoe en werd hij productiebegeleider bij een uitgeverij.
Achter de pannen staat hij nog steeds, maar dan voor zijn thuispubliek.
Wat bleef was die droom over een tafeltje bij El Bulli in het Spaanse Rosas. Maar zie bij dat restaurant, onlangs opnieuw gekroond tot het beste ter wereld, maar eens aan te schuiven.
El Bulli is vanaf 1 april slechts een half jaar open. Eén dag per jaar in oktober kun je telefonisch reserveren. Telekabels schijnen in Rosas die dag oververhit te raken en het enige wat duizenden Ferranfreaks vooral horen, zijn in gesprek tonen.
De volgende dag is het restaurant weer een jaar volgeboekt.
Niet helemaal waar.
Schrijf maar eens een brief, in het Spaans, weet Pier.
Een kennis van zijn moeder deed dat en zie, enkele weken later kreeg hij een telefoontje dat hij kon reserveren. Voor de zondagmiddaglunch op 15 april. Hij mocht maximaal acht man meenemen.
"Mijn moeder belde of ik mee wilde en daar hoefde ik geen seconde over na te denken natuurlijk, ja, wie wel."
Hij boekte een ticket voor een vlucht naar Gerona en een hotelkamer in Cadaques, dat vlakbij Rosas aan de Costa Brava ligt. Want daar bevindt zich El Bulli. Aan een kleine baai met donker strandzand in een omgeving die is doordesemd van Fish & Chips en Friet van Piet.
Op het vliegveld van Gerona ontmoette hij zijn tafelgenoten.
Allemaal kennissen van zijn moeder, een bekende cateraar in de filmwereld.
De een kwam overgevlogen uit Londen, die uit Malaga en die weer uit Rotterdam.
Pier: "Als schoolkinderen zo blij op hun allereerste schoolreisje stapten we in het busje. Iederen was flink opgewonden en werd naarmate we dichterbij het restaurant kwamen alsmaar stiller."
De spanning kon je aansnijden toen de bus de straat van El Bulli in draaide waarmee het aftellen van de huisnummers begon, nog een bocht, nog 300 meter, nog 125 meter, nog een bocht, en toen stonden ze voor dat kleine huisje, want daar moesten ze zijn, bij dat rare kleine huisje, met ernaast een groot hek.
Pier belde aan.
Het hek draaide open naar een ruime parkeerplaats die leidde naar het strand.
Iets voor openingstijd was het.
Om één uur ging het restaurant open.
Pier: "De hele witte brigade stond ons in een rij op te wachten, 25 koks, en we mochten gerust kijken in de keuken en met Ferran op de foto."
Mokkend: "Ik heb er nog spijt van dat ik dat niet heb gedaan."
Het kleine huisje bleek te bestaan uit een aantal geschakelde huisjes met plaats voor 40 tot 45 gasten. De keuken had een groot raam grenzend aan een rots.
"Het interieur van El Bulli oogt als een Frans plattelandsrestaurant. Heel tuttig beige met bloemetjesgordijnen en kitsch tegen de muur. Het servies was weer heel kunstig. Dan lag een gerecht op een soort verchroomd bord, dan op een draperie of waaier van gevlochten ijzerdraad."
Lunchtijden van El Bulli duren van een tot zeven.
Het menu bestaat uit 30 één- tot tweehapshapjes.
Prijs: 185 euro, zonder wijn.
Zie ook maar eens een passend glas uit de wijnkaart van 150 pagina's te keizen.
"De gangen komen rap achter elkaar op tafel en dienen dito te worden genuttigd. Veel gerechten waren gevriesdroogd. Van frambozen tot asperges. Als je die te lang op tafel liet staan, werd gezegd, zouden ze smelten en het smaakeffect verdwijnen."
Dat effect was een herhaling van steeds hetzelfde in alsmaar een andere smaakmakende variatie.
Pier: "Je eet niet wat je eet. Je ziet een bietje, maar het is geen bietje. Het heeft niet de structuur, maar wel de smaak."
Werd zijn mond niet gefopt, dan wachtte die wel een entering van smaken. Zoals dat platte pindakoekje met minidobbelsteentjes gevriesdroogd fruit. "Ik proefde eerst pindakaas met aan het eind vloeibare jasmijn en passievrucht waarna al die smaken uit elkaar vielen en ik terecht kwam in een smaakgevecht tussen jasmijn, passievrucht en pindakaas".
Een hoogtepunt was een gerecht dat bestond uit roomijs, caramel en stroperig dik eigeel dat een uur was gekookt bij 65 graden ("bij 70 graden stolt dat").
Pier: "Je moest die drie ingrediënten door elkaar trekken en dan krijg je een combinatie van zoet, koud, warm en eigeel, en echt, je weet niet wat er allemaal door je heen gaat."
Niet alle gangen maakte datzelfde enthousiasme in hem wakker.
Pier gruwelt zelfs nog een beetje na van de scheermessen die drie seconden in kokend water hadden gelegen, en bestrooid met een soort tahin en sesam lelijk rauw bleven smaken. De lamshersens gekapseld in eigen jus waren zo dik als lijm. "Ook al die zeewiervariaties geloofde ik wel."
Zes tafeluren later zaten allen weer in het busje.
Voldaan en tevreden.
"Je eet niet veel. Het gaat om het proeven. Je hebt geen opgeblazen buik, maar je hoofd zit vol met smaken."
Pier had niettemin 's avonds trek.
"Ik heb in Cadaques een geroosterd kippetje gegeten en dat was geen succes. Mijn smaakgevoel bleek nog immer weg. Of misschien was dat kippetje wel gewoon niet te eten. Desondanks herinner ik me vooral ook dat kippetje als ik aan El Bulli denk. Dat had ik dus beter niet kunnen aansnijden."

snipshot_e4s2lrsk6je.jpgsnipshot_e41d5fbbo2uq.jpg
Broodjes van Parmezaanse kaas en gepolijste rijstkorrels plus gevriesdroogde bietjes à la El Bulli. Foto's: Pier Post.

Wie wint Mr. Global

SNIPCS.jpg

foto's: Cor Hospes. Guerrilla actie op 50 muppies in Amsterdam.

Ik lag er nachten van wakker. En ook mijn dagen bestonden uit woelen en draaien. Maar na ruim een slapeloze week was ik er gelukkig uit. En de winnaar is.

Het was niet mijn idee. Op Cheffen.nl wordt immers al voldoende reclame voor eigen boeksels gemaakt.
Bovendien: wat heeft een boek over guerrillamarketing met culinaire zaken te maken, behalve dat een fictieve case eruit gaat over een winkel van kookbenodigdheden die zich, ter onderscheiding van de concurrentie, een masculinair imago wil aanmeten.
Of dat aandacht op Cheffen.nl voldoende rechtvaardigt, vast niet, toch gebeurde het, in de vorm van een prijsvraag.
Wie mij op de meest originele manier ten diner vroeg, zou mij winnen en mocht mij op dat etentje fêteren. In retour: een aangenaam verpozen gevuld door mijn geklets en een gesigneerd exemplaar van mijn boek.
Inderdaad: er zijn minder prettige avonden te verzinnen.
En toen druppelden de invitaties binnen.
Ik geef toe: niet in de hoeveelheden die ik had gehoopt. En alhoewel de verlokkingen van ‘Nice guy Eddi’ en ‘Jurr’ erg fijn klonken, wilde ik toch graag aanschuiven bij een dame, want ja, een Mr. Global is ook maar een Mister. Een Global Mister, dus Eveline, die mij al haar regionale plekjes wilde tonen, viel daarmee helaas af.
Resteerden Saskia, Denny en Miss Marketing also known as Pam.
Saskia houdt van hockey en ik ook. Zij doet dat bij de Huizer Hockey Club, weet ik, en ik bij HC Athena in Amsterdam, weet zij. En dat weten wij van elkaar. Maar om voor een kroket naar Huizen af te reizen, hmmm, want kroketten serveren ze bij Athena niet. Daarbij is het seizoen afgelopen en om tot in september op die dan wellicht ook nog eens koude kroket te wachten.
Valt daarmee Saskia subiet af?
Nee, want ik ben gek op hockeymeisjes.
Denny doet zijn/haar invitatie over de rug van Koken met Karin. Zo kan ik het ook, zeker, maar die 12 belangrijkste bereidingwijzen van de Zeeuwse platte oester, en dat na een wellicht enerverende overtocht naar Pampus, kijk, dat maakt nieuwsgierig.
Miss Marketing a.k.a. Pam probeert me te verleiden met een echt Italiaans souper onder de sterren op haar dakterras, en dat prikkelt evenzo, vooral omdat ik aan de vooravond voor een drieweekse vakantie naar Italië sta.
Tsja, wat te kiezen, wat te doen.
Kunt u zich mijn onrust voorstellen.
Nog een avond wegstrepen en overpeinzen, en nog weer een dag mijmeren over het IJ.
Uiteindelijk gekozen voor Pam. Vanwege haar Miss Marketing, en omdat ze wellicht daarom alles over mijn guerrillamarketing wil weten, en ik alles over het hare. En okay, ik beken, dat dakterras gaf de doorslag.
Dus Pam a.k.a. Miss Marketing, ik kijk uit naar je uitnodiging. Vanaf 1 juli ben ik weer terug in Amsterdam. Ik kijk uit naar je in de sterren.
Een verslag van de avond later in dit theater.
derde.jpg

Food for Thought 1

Vet%20Cool.jpg

In zorgverzekeringland denken ze al jaren verdraaid. Maar in de hoofden van het College van Zorgverzekeringen (CVZ) heeft nu definitief het kromsabel der infantiliteit geslagen.

Dit hooggeleerde gezelschap wil echt heel serieus aan minister Klink van Volksgezondheid voorstellen om afslankcursussen en opnames in diabetespoli in het basispakket op te nemen. Bij Agis, grootverdiener in achterstandswijken in Utrecht en Amsterdam, gloeien ze van apetrotsheid. Daar lopen ze voorop bij het financieren van projecten die pogen de leefstijl van zekerden te verbeteren. Artsenorganisatie KNMG en de Consumentenbond krijgen bijkans natte plekjes van zoveel pionierswerk. Volgens beide ontbreekt immers in de huidige financieringssystematiek de prikkel voor verzekeraars om te investeren in de gezondheid van hun verzekerden. Dus vinden ze het de hoogste tijd dat dezelfde mensen, die eerst jarenlang hun winkelwagentjes volgooien met kilo's caloriebommen, pakken dubbelgezouten kant-en-klaar en andere buikexploderende ranzigheid, als toetje voor een jarenlang suikervol dieet nog geld krijgen voor een afslankcursus ook. Waarom toch altijd weer slecht gedrag belonen. Er zijn mensen in dit land die wel verantwoord eten en voor die duurdere producten meer geld neertellen. Voor biologische, verse en kwaliteitsproducten betaal je nou eenmaal de hoofdprijs. Zij worden met dit soort verzekeringsinitiatieven dubbel gepakt. Waarom belonen ze bij Agis, KNMG en de Consumentenbond niet 'een voorkomen is beter dan genezen'. Een dergelijke ommekeer zou een revolutie zijn in het alsmaar redeneerkrommere Nederland waar zielig wordt gepamperd en nadenken wordt bekort, en vette domme boontjes dus nimmer om hun loontje zullen komen.

Soepie?

Soepie%3F.jpg
Foto: http://www.robvandervet.nl

Laksa is het nationale slurpie van het land. Je slobbert van de Maleisische Cup-a-Soup op ieder moment van de dag. Elke streek kent zijn eigen verse variant. Allerberoemdst is de Penang Laksa, oftewel assam laksa. Maar vergeet ook niet een soepommetje in Ipoh te maken.

We zijn in Ipoh in Maleisië.
De stad werd rijk door de tinindustrie, en dat kun je aan de grande architecteur aflezen. Rondom het cricketveld vind je nog enkele fraaie Brits-koloniale panden waaronder het clubhuis van de Royal Ipoh Club en het St. Michael Institution. Beide staan fier te glimmen in het wit.
Leuk.
Maar de grootste attractie van Ipoh is kway teow.
Rijstnoedels met gestoomde kip, champignons en saus. Met als bijgerecht minitaugé uit Ipoh met gebakken uitjes en sojasaus: ngah choy.
Het klinkt als gerecht nummer 23 van restaurant Ni-Hao uit Nijkerk, maar behoort volgens culikenners tot het lekkerste rijstnoedelgerecht van Maleisië.
De beste kway teow serveert Kong Heng in het oude centrum, maar dat eethuis is dicht tijdens lunchuren.
Dus gaan we zitten bij buurman Thean Chun, het Huis van de Spiegels. Een groot open restaurant met in elke hoek een keukentje dat een eigen specialiteit serveert.
We krijgen een plekje aan de laatste vrije tafel.
Rond en van marmer, waar rondom opa’s tot kleinkinderen scharen.
Een kaart is er niet.
We wijzen naar het keukentje links en krijgen kway teow, en ja, hoe kun je lekker omschrijven.
We eten ons de sojavlekken op onze broek.
Chinese opa's met sikjes knikken goedkeurend naar ons gesmikkel met stokjes.
Minitaugé laat zich niet makkelijk vangen.
Als fotograaf Rob om een bakje sambal vraagt, ja hoor, een schoteltje sambalolie is ook goed, beginnen alle spiegels in het eethuis zowaar tevreden te glimmen.
Dan valt onze blik op een soepkommetje waaruit bijna iedereen achter ons zit te slobberen.
Laksa, horen we.
Het nationale gerecht van Maleisië.
Je eet het ’s middags, ’s avonds, rond theetijd of als Cup-a-Soupig tussendoortje.
Een noedelsoep is het, gedrenkt in een dikke visbouillon. Uitgevonden in India. In Thailand kieperen ze kokosnootmelk in dezelfde soep. In Maleisië heeft het in iedere streek een eigen invulling invulling. Sarawak, Kedah, Singapore, Johor: laksa smaakt nergens naar dezelfde laksa.
In Ipoh eten ze de soep met geroosterd varkensvlees en Indiase curryblaadjes, en kijk, daar komen de kommetjes al aan. Met peperolie voor Rob.
Alweer heerlijk.
Willen we de meest vermaarde laksa proberen, horen we, dan dienen we door te reizen naar Penang. Voor de laksa assam. Vissoep met witte rijstnoedels, taugé, reepjes kippenvlees, garnalen of makreel en de zure smaak van tamarindepasta. Afgemaakt met stukjes wilde gember, garnalenpasta, gehakte ananas, munt, komkommer en Spaanse peper.
Fijn, maar eerst de Ipoh laksa.
En ja, zegt Rob, doe nog maar zo'n kommetje sambalolie.
Op het eiland Penang voert de laksatrail ons een dag later naar Balik Palau.
Daar is de Penang laksa het allerlekkerst.
Onderweg passeren we boomgaarden vol nootmuskaat, kruidnagel, rubber en doerians, en fabriekjes waar ze garnalenpasta maken, ruiken we.
Balik Palau blijkt een niemandallig plaatsje met een markt en eetstalletjes aan een T-splitsing.
En daar moeten we zijn.
Bij de Nan Guang Coffee Shop.
De Chinese soepvrouw serveert zowel de versie met kokosnootmelk als tamarinde.
En ja, de tamarinde, het is even wennen, maar als je eenmaal de smaak te pakken hebt, wil je niet anders meer. Het zurige van de soep spoelt in een keer je binnenste okselfris. Van de kokosmelkvariant ga je enkel nog meer zweten, ook lekker trouwens.
Rob bestelt intussen nog een extra kopje sambal.
Hij heeft Indonesisch bloed in zijn aderen.
De Chinese soepopschepster kijkt hem bevreemd aan.
Een witneus met zoveel sambal, dat kan niet goed gaan.
Ik ga de markt op.
We willen een foto met een kommetje laksa incluis de ingrediënten.
En ja, in het dorpje zijn ze door de jaren aardig aan het laksatoerisme gewend, maar laksa-idolate bezoekers die de losse ingrediënten kopen, enkel voor een foto, dat is nieuw.
De tafel met uitgestalde ingrediënten zorgt dan ook bijkans voor een stormloop op de Nan Guang Coffee Shop.
Meisjes in schooluniformen giebelen, oudere vrouwen in batik nog meer.
Als het plaatje gestyled en geklikt is, willen alle kinderen naar het digitale resultaat kijken.
Duimen gaan omhoog.
De ingrediënten geven we aan de Chinese soepopschepster die mij subiet een serieus hakmes in mijn handen duwt.
Snijden, gebaart zij.
Pardon?
Rob doet alsof hij een fraai fotomoment op straat voorbij ziet komen en draait zijn hoofd een andere kant op.
Mijn hoofd kan geen kant op.
De soepopschepster kijkt me nog immer streng aan.
Ik moet snijden. Dus snij ik komkommers, verhaksel ananassen en ga driftig een vloot pepers en uien te lijf. Ook krijg ik stukken gestoomde kip voorgeschoteld, en zo blijven maar groenten, messen en vlees voorbij komen, tot grote hilariteit van alle omstanders.
Ik voel me Keith Floyd, maar dan nuchter. En meer bezweet ook.
De druppels rollen over mijn slapen.
De Chinese soepvrouw gebaart dan dat het mooi genoeg geweest is en dat ik moet gaan zitten.
Vanuit het niets komt Rob ineens aangehuppeld.
Nog immer met dezelfde grijns.
Zag er leuk uit, zegt hij.
Ik mompel wat en zweetdep mijn gezicht droog.
De soepvrouw heeft bordjes en papiertjes op tafe gezet, en daar is die weer: kway teow
“Ik kom uit Ipoh”, zegt de Chinese soepvrouw.
Zij had het papiertje gezien van Thean Chun, het Huis van de Spiegels, dat uit mijn Lonely Planet stak. Want zij mag dan wel de koningin van de Penang laksa zijn, een culinair hart verraadt zich nooit.
Maar kom, eten.
En dat doen we.
Ipoh is niet alleen een centrum voor lekkerbekken, maar ook een broedplaats voor levenslange vriendschappen.
En Rob krijgt voor onderweg een zakje sambalolie mee.

[kader]
Ben je op Penang, maar heb je geen tijd of zin naar Balik Palau voor een assam laksa af te reizen? Probeer dan het stalletje op Loring Selemat, een zijstraatje van Macalister Road in Georgetown.


Char kway teow

char%20karchai.jpg

Het is een van de specialiteiten van Penang. En smaakt het lekkerst op de nachtelijke eetmarkten van het eiland. Char kway teow. De vetste hap van Maleisië.

"Godgodgloeiendegloeiende."
We zijn die ochtend om vijf uur vanuit Kuala Lumpur vertrokken naar het eiland Penang. Onderweg non-stop busje in, busje uit om foto’s te maken, te slenteren en geur- en smaakimpressies op te doen.
De zon schijnt 36 graden en doet ons bijkans smelten.
Enkel het vooruitzicht van onze luxe kamer in het 19e eeuwse überkoloniale Eastern & Oriental Hotel in Georgetown weet te voorkomen dat we niet al ’s middags overkokend in een nat rijstveld springen. Het Eastern & Oriental Hotel, één van de meest klassieke hotels in de Oost, en daar staan we dan, smerig, moe, geprikkeld en vooral voor joker. Want wat blijkt: onze kamerreserveringen zijn onbekend.
"Godgodgloeiende..."
Ik begin te stomen, maar slik in drie keer mijn ergernis weg als ik enkele beveiligingsemployees onrustig in hun portofoons hoor blazen. Tegelijk vertel ik de baliemedewerker met mijn allerliefste Singapore Girl-glimlach dat hij er ook niks aan kan doen en dat ik evenzo graag had willen voorkomen dat hij zich wellicht door ons opgelaten voelt.
Gevoel voor Aziatische verhoudingen zijn mij soms niet vreemd.
Of we willen gaan zitten.
Dat willen we niet, maar we doen het toch.
Intussen bel ik naar onze opdrachtgever, het is nog kantoortijd in Nederland.
Zij schuift de problemen onmiddellijk door naar de organisator, en belooft mij terug te bellen. En dat belooft zij na een telefoontje van mij opnieuw, en na weer een telefoontje opnieuw.
Na anderhalfuur zitten we nog steeds in de receptie.
Ik herdeo mijn oksels.
Fotograaf Rob haalt gekoelde glazen Tiger-bier uit de hotelbar.
Dan: Of mijnheer Opses en VanVè naar de receptie kunnen komen.
Iemand in het hotel heeft een fout gemaakt, horen we. Een reservering was blijven liggen, excuses, excuses.
We vragen beleefd om de sleutel van onze kamer. Onze gegevens vullen we later wel in.
Als ik eindelijk onder een alleswegspoelende douche sta, rinkelt met een ouderwetse rinkel een telefoon.
Het is de Duitse hotelmanager.
Hij spreekt over excuses en andere zaken.
Ik dank hem voor zijn woorden en vertel dat ik naschuimend van exotische Eastern & Oriental shampoos naast de telefoon sta, en graag nog even doordouche.
Een dag later krijgen we een uitnodiging voor een borrel. Ook kunnen we in het hotel dineren.
We gaan graag in op de borrel, maar bedanken voor het eten.
Liever verkennen we 's avonds de markten met eetstalletjes in Georgetown, vertellen we. We zijn op zoek naar de lekkerste char kway teow, want die moet nergens anders zo lekker smaken als op Penang.
Char kway teow: platte rijstnoedels met een donkere sojasaus, pepers, garnalen, mossels, omeletreepjes, taugeh en Chinese kruidnagels. Soms ook nog eens met stukjes Chinese worst en viscake. Dit alles gebakken in varkensvet.
Een vette hap op z’n Maleis.
Tijdens de borrel worden we voorgesteld aan Mr. Ho die oogt als Dr. No uit de gelijknamige James Bond-film. Verder aanwezig: de Duitse hotelmanager en een manager met een Frans accent.
Die twee dwarrelen na twee halve liters weg, wij blijven nog een rondje kleven en stappen dan bij Ho in de auto.
Ho rijdt ons naar Lebuh Kimberley, een eetmarkt in Chinatown. Daar overlaadt hij ons met bier en bestelt bij verschillende stalletjes char kway teow.
Kunnen wij vergelijken.
We twijfelen tussen de char kway teow van Kedai Kopi en Bee Hoi.
De laatste wint in de verlenging.
Aansluitend rijden we naar het Esplanade Food Center, vermaard vanwege de vis, gevolgd door een bezoek aan Gurney Drive. Overdag een drukke straat, ’s avonds een groot eetfestijn, ook wel de nieuwe Esplanade genoemd en dat betekent vis.
Char kway teow is er ook, in de Penang-versie met krab en eendeneieren, maar het bord van Bee Hoi blijft overeind.
Poe, kreunen we. Na vier halve liters, acht blikjes Tiger, drie borden char kway teow, geroosterde vis- en garnalenspiesjes, pasembur, gestoomde kip, krabcurry, krab met zwarte peper en babi pong teh.
Heerlijk, echt, heerlijk.
Gedrieën brullen we boeren uit onze buiken omhoog.
We dromen al van ons luxe bed.
Daar denkt Ho anders over.
"And now it’s time to party", zegt hij.
Hij heeft het over de Melon Sisters en neemt ons mee naar een bar die Summerwine heet.
Een nummer van Nancy Sinatra en Lee Hazelwood, weet ik.
De zomerwijn in Georgetown heeft evenwel betrekking op de borstomvang van de meloenzusjes die getweeën de bar besturen. Hun borsten ogen naar Zuidoost-aziatische maatstaven inderdaad indrukwekkend, en nee nee, blozen we lafjes, we hoeven niet te voelen hoe zacht die zijn, dat geloven we van een afstandje ook wel.
"Ah", verrukt Ho. Daar is zijn vriend mijnheer Chang.
Die is in Summerwine met een Hindoestaanse Amerikaan op IT-zaken en een Thais hoertje. In een moslimland wonen immers geen prostituees.
Tussen hen staat een fles bijna lege Chivas Regal, en een kan met ijswater. De fles wordt voor ons uitgeschonken en onmiddellijk vervangen als wij aanschuiven.
Even later volgt een volgende fles, en iedereen wordt alsmaar grappiger.
Het gaat over de opkomst van Maleisië als IT-land, het rijke hindoestaanse leven in Amerika en de genoegens van Penang. Als het Thaise meisje ons de acrobatiek van haar tong toont, vindt de Amerikaan het de hoogte tijd om te gaan.
"Wees een man", zegt het meisje, "eerst het glas van je gastheer leegdrinken."
Twee flessen Chivas later staan we buiten.
Met dwarrelingen in ons hoofd en een droge bek
Van whisky krijg je zin in bier; wij willen weer Tiger in onze tank.
Dus brengt Ho ons naar een disco aan de overkant van de straat.
Binnen stelt hij ons voor aan enkele meisjes die vragen of we van Aziatische vrouwen houden.
Wij antwoorden dat we vooral dorst hebben, kruipen uitgedroogd op een barkruk en beginnen na een paar ferme slokken terstond te zweten.
Na enkele glazen zien we vanuit een ooghoek Ho met enkele Thaise libido-uitlaatjes aankomen.
"Mr. Ho, op kwart over zeven", zeg ik.
We verdwijnen richting de dansvloer en zien op veilige afstand Ho met zijn Thaise testosteronputjes verdwijnen.
Even later staat hij voor ons met bier.
Daar komen we makkelijker op af, merkt hij.
"Houden jullie niet van vrouwen", vraagt hij.
Rob loftrompet op alles wat uit India komt. Ik huldig China, Japan, Zuid-Korea, Vietnam, Indonesië en Birma. Een kwartier later zien we Ho met glazen bier, en een mollige Hindoestaanse en voortandloze Chinese onze kant opkomen.
Ik hoef Rob niet te vertellen hoe laat het is.
We moeten toch hoognodig plassen.
Bij terugkomst staat Ho weer met bier op de dansvloer, en wij dansen om hem heen.
"Waar waren jullie nou. Ik had enkele cadeautjes meegenomen. Als goedmakertje voor de reservering."
"Dansen Ho", beveel ik.
"Oe, lang geleden, erg lang geleden."
Een kwartier houden we hem bezig.
Ho krijgt steeds meer plezier, hijgt alsmaar amechtiger en valt dan om.
Midden op de dansvloer.
We slepen hem naar buiten, peppen hem op en besluiten nog een afzakkertje te nemen in Slippery Senoritas. Daar zitten vooral expat-señores en weinig locale señoritas.
Dus willen we naar onze disco terug. Vastberaden het nu wel op de Aziatische tour te zetten.
Maar het danspaleis sluit.
Georgetown loopt om twee uur leeg
Misschien maar beter ook.
Onze ogen tollen, onze magen ook.
Ho rollen we naar zijn auto.
Het was een geweldige avond, zegt hij, echt, geweldig.
Hij heeft ook in geen jaren zo fijn gedanst.
Wij bedanken hem voor alles en zien hoe hij wädelend zonder lichten de straat uitrijdt.
Wij sloffen terug naar het hotel.
"Een goede bodem, dat char kway teow," jubelt Rob.
"Ik verlang wel weer naar een vette hap", zeg ik.
Bee Hoi, opperen we.
Een taxi aarzelt nooit.
Ook niet in Georgetown, Penang.
En Bee Hoi wokt de hele nacht door.
Met een glaasje Tiger, maar dat spreekt voor zich.

Het witte kopje van de Gijnlim

snipshot_e413o4hbr6mj.jpg
foto: Cuno van 't Hoff

Het is er weer. Het witte goud uit Limburg. Tot 24 juni. Want daarna blijft het weer tot 1 april ondergronds. Op bezoek in de belangrijkste aspergedriehoek ter wereld. “Goede asperges piepen en spuiten.”

“Zie je die scheur in het zand. Dat betekent dat die ieder moment uit de grond kan komen.”
Chris Smits krijgt een glunder in zijn ogen, en begint spontaan een gat in het rulle zand te graven, en ja hoor, de asperge tikt met zijn kopje tegen de onderkant van het bed, klaar om zich bloot en in vol ornaat in de openlucht te erecteren.
Chris: “Begin april zo bij twaalf graden ontwaakt de asperge uit zijn winterslaap. Bij negentien graden gaat die groeien om bij 25 graden razendsnel te lopen. Soms wel 10 centimeter per dag.”
Chris Smits is een man een missie. Hij groeide op in hét aspergerestaurant van ons land, Hostellerie De Hamert in Wellerlooi. Het bezorgde hem een smaak die hij nimmer zou kwijtraken. Maar zijn vader opvolgen, ahum, nee, die kan maar geen afstand van het restaurant nemen en daar kan enkel gedoe tussen vader en zoon van komen. Dus besloot Chris ons land op een andere manier met asperges te laten kennismaken. Want boven de rivieren eten ze slechts twee tot drie ons asperges per jaar, waar dat in Brabant en Limburg een kilo is.
Komt natuurlijk omdat ze daar met asperges opgroeien. Vers opgestaan uit hun bed. En dat smaakt anders dan die vaak vezelige witte staven die je in veel supermarkten ziet. Als die al uit Nederland komen.
“Verse asperges piepen als je ze tegen elkaar aan wrijft en spuiten als je in het uiteinde knijpt.”
Dat doen die van Chris zeker. Gisteren gestoken, en binnen 48 uur in de brievenbus. Te bestellen via zijn site. Geschild als je wilt, ja echt, voor een ieder thuis die niet aan de dunschiller wil.
“Ik was bij Giel Beelen in de uitzending en daarna was het aantal hits niet te tellen”, glunderen zijn pretogen, terwijl hij ons voedt met een tour d’asperge.
2500 hectare is het aspergegebied in Nederland.
Bij elkaar goed voor 14 miljoen aspergekilo.
Verspreid over ons land komen er steeds meer bedjes bij, maar het epicentrum ligt in de driehoek Boxmeer, Grubbenvorst en Uden. Verspreid over Noord- en Middenlimburg met een uitlopertje dus naar Oost-Brabant.
Chris droomt van een AOC-kwalificatie voor Hollandse asperges. Want die uit ons land zijn de beste ter wereld.
“Komt door de 23 sorteringen waarvan de allerbeste dubbel A1 wit heten. 20 tot 28 centimeter recht, roomblank en met een kleurloos gesloten kopje. In andere landen bestaan drie variëteiten. Goed, slecht en heel slecht. Dan weet je genoeg."
Chris houdt een eerste stop in het aspergemuseum De Locht in Melderslo, net buiten Horst. Een verzameling boerderijtjes en gebouwtjes dat tegelijk fungeert als champignon- en streekmuseum, en wellicht binnenkort tevens als blauwe bes museum, want ook daar raakt Noord- en Midden-Limburg alsmaar bekender om.
In Melderslo denken ze pragmatisch.
We bekijken een film en leren dat aspergezaadjes groeien in de buik van rode vruchtjes. Superzaad kost soms 4500 euro per kilo. Dat gaat in de aspergebedden en daarin groeien ongeveer tien jaar asperges. Gedurende het derde en vierde jaar smaken die het malst. Na tien jaar is de bodem aspergemoe en wil erin 25 jaar geen enkel wit goud meer groeien.
Wel maïs, graan en andere lanbouwdingen.
Chris toert verder en stuurt door het allerfijnste deel van de aspergedriehoek.
De Côte d’Or, noemt hij die.
Komt doordat hij daar zelf is opgegroeid. In dat smalle stukje Nederland, drie kilometer breed tussen de Maas en de Duitse grens, dat loopt van Gennep tot Venlo. Ondertussen vertelt hij over de geschiedenis van de asperge.
De koninginnegroente komt uit Egypte. Via Franse lekkerbekken kwam die in ons land. Jarenlang werd het witte goud enkel verbouwd rond Bergen op Zoom. Een kapelaan uit die stad bracht de groente na WO II naar Noord- en Midden-Limburg. Een arm gebied, met arme grond. En daarin voelt de asperge zich als geen ander thuis. In rul los kunnen ze moeiteloos hun kopje oprichten. Een streepje klei, löss of andere zanderig weerstand kan al voor een lichte kromming zorgen. Bij welke aspergesoort dan ook, want er bestaan wel 150 soorten.
Chris heeft het over de Gijnlim, Backlim, Horlim, Avalim en Thielim, allemaal Limburgse uitvindingen. En het allerlaatste superras wacht: de Lim D’or. Ook uit Limland. “Nog witter, en nog zachter.”
De ogen van Chris gaan er gulzig van smikkelen.
Dan parkeert hij de auto bij een teler die een blauw t-shirt met erop een witte bos asperges draagt.
Wij krijgen een glas aspergewijn en de aspergeboer verhaalt over zijn hoge energierekening.
Onder de bedden loopt een ondergronds verwarmingssysteem en die is al snel goed voor honderdduizend euro per maand.
Maar zijn centrale modderverwarming hoeft in de warme voorjaarszon niet aan, sterker, hij moet de temperatuur van de bodem momenteel eerder temperen. Want asperges die te snel groeien, nee, daar krijgt het witte goud enkel holle stelen van.
Dat kan hij voorkomen door over de bedden wit folie te leggen. Dat weerkaatst zonnestralen, waar zwart folie de temperatuur in het zand vasthoudt.
Allemaal maatregelen die moeten zorgen voor een nog hogere opbrengst AA-asperges per hectare.
“75 procent moet minimaal aan die kwalificatie voldoen, anders houd ik er direct mee op, want dan kan ik de verwarming thuis niet meer betalen.”
Alle aspergeboeren houden er sowieso elk jaar op 24 juni mee op. Op St. Jan.
Natuurlijk kunnen ze de groente langer steken, maar daarmee put je de grond uit. Dus is het beter de asperges te laten uitgroeien tot een struik. Dat geeft de grond voldoende energie om er volgend jaar weer tegen aan te kunnen.
Chris kijkt er nu al beteuterd bij en wrijft over zijn embonpoint.
Tijd om aan te schuiven, op het terras van De Hamert. Met groots uitzicht over De Maas.
Daar drinken we nog meer aspergewijn, en eten we asperges in allerlei variaties. Voordat we tollend van aspergeplezier in Vierlingsbeek naar een Schäl Automat staan te staren. Een lasergestuurde supersnijder die de asperges voor Chris desgewenst helemaal rond schilt. Met een snelheid van 100 tot 120 kilo asperges per uur. Uitgekleed vallen ze in het water om daar hun hoofd koel te houden totdat de post ze voor Chris over Nederland vervoert. Maar natuurlijk is het leuker om in Limburg zelf asperges te kopen.
Er lopen verschillende aspergeroutes door de streek. Met culinaire stops om te proeven.
Vergeet onderweg niet te plassen.
Dan ruik je pas echt dat je asperges hebt gegeten.

[kader]
www.aspergebestellen.nl

Daar langs de Waterkant

Langswaterkant.jpg
foto: robvandervet.nl

Een rij openlucht eethuisjes langs de Suriname-rivier. Van Creools tot Chinees, van Javaans tot Hollandse patat: langs De Waterkant in Paramaribo vind je de complete Surinaamse keuken. En de culi-strook is een verzamelplek voor locals en Lieve Lita’s.

Harold heet hij. Een mooie lange neger, goedlachs en met dorst, veel dorst.
Voor hem staan drie lege djogo’s; literflessen Parbo-bier. Ernaast ligt een half aangegeten portie bami met bakabanana en pindasaus.
Het is woensdagavond.
We zitten langs De Waterkant in Paramaribo.
Een openlucht restaurant onder schaduwrijke amandelbomen met verschillende eethuisjes waar je al het fijne uit de Surinaamse keuken kunt proeven. Van creools bij Inez en kip bij Chung Kee’s Fried Chicken (‘Lekker Patat’) tot Javaanse halal-hapjes bij Soemi, waar vooral de kippensoto een attractie is. En langs De Waterkant worden liters djogo’s uitgeschonken.
Het Suri-smikkelparadijs is vooral een ontmoetingspunt voor localo’s. Toeristen blijven hangen rond de eethuizen en cafés rond Hotel Torarica en op het Leidseplein bij ‘t Vat.
Daar wil Harold ook naartoe.
Hij is morgen vrij, vertelt hij, en heeft trek in een blond Nederlands meisje.
Het aanbod daarvan is in Paramaribo groeiende sinds stagelopend Nederland de genoegens van Suriname heeft ontdekt.
Er zijn meisjes van hotelscholen, meisjes van pedagogische academies en meisjes die geneeskundig doen.
Harold kent ze allemaal, maar steeds als hij zo'n tranga smatje aanspreekt, loopt die geagiteerd weg of keert zich beledigd om.
Snapt hij niet.
Wat doet hij verkeerd, schouderophaalt hij.
“Ik overlaad die sweeties met complimentjes, weet je. Ik maak kusgeluidjes en zeg hallo poppetje, en dan kijken ze boos.”
We begrijpen het direct.
“Nederlandse meisjes houden er niet zo van om poppetje te worden genoemd”, verduidelijken we.
Harold fronst een vraagteken en neemt een slok Parbo.
“Enneh: hé schatje, wat heb jij een stoere kont... Dat kan dan zeker ook niet.”
“Nee”, zeg ik, “dat is ook niet echt een voltreffer.”
“Wat is eigenlijk een stoere kont”, vraagt Rob. Als fotograaf is hij altijd in voor details.
“Weet je dat dan niet jongen”, glimlacht Harold, en hij grijnst een rij parelwitte tanden met een gouden inzetje bloot.
“Kijk”, zegt hij, wijzend op een Hindoestaans meisje dat langs De Waterkant heupwiegt. “Zie je dat smatje daar, ja, zij daar in die jeans en dat strakke topje. Zie je haar mooie strakke billen, dat is een stoere kont, oe, wat een spange tanga zeg, die billen maken haar helemaal aan het praten man."
"Een sexy kontje dus."
"Nee jongen, geen sexy kontje. Bij een sexy kontje zie je die string lekker in haar billen kruipen. Een stoer kontje heeft meer klasse.”
Spange tanga, sexy kontje, lekkere slip: Rob besluit een paar djogo’s te bestellen.
Dit wordt een leerzame avond.
“Harold”, stel ik intussen voor, als hij enigszins tot bedaren is gekomen, en het smatje uit zijn gezichtveld is verdwenen. “Als je nou eens wat minder over poppetjes en kontjes tegen die Nederlandse meisjes begint, maar het gewoon eens probeert met een gesprek.”
Harold kijkt geschrokken.
“Ja, een gesprek. Vraag wat zij doet in Suriname. Wees geïnteresseerd, en luister nou eens naar haar en niet naar je pik. Besluip haar met woorden zoals een tijger een prooi.”
“Haar besluipen als een tijger", herhaalt Harold. "Man, dat is mooi, maar weet je, ik wil gewoon recht op die sappige poenta af. Jullie in Amsterdam hebben die cuties helemaal verkeerd afgericht. Wat moet ik met woorden terwijl ik mijn lichaam kan laten spreken. Ik wil ballen met die sma."
Ik kijk naar het lichaam van Harold en begrijp hem volkomen.
Rob zet drie djogo’s op tafel en we klinken.
“Ik moet dus sluipen”, zegt Harold na een ferme slok.
“Jij moet sluipen Harold”, herhalen we. “Vertel ons morgen hoe het is gegaan.”
“Zeker weten, jongens, dank je, chill.”
Harold drinkt zijn fles leeg en verdwijnt in het donker. Wij bestellen soto bij Soemi en frietbakjes creools bij Inez.
De volgende avond houden we als Lieve Lita weer spreekuur langs De Waterkant.
Maar hoeveel Parbo’s, stoere kontjes en smatjes ook voorbij komen, geen Harold.
Wel schuift Clarence bij ons aan.
Een mooie lange neger.
Hij heeft een probleem met Nederlandse meisjes, vertelt hij. Steeds als hij ze complimentjes maakt, draaien ze boos van hem weg.
Het wordt wederom een leerzame avond.

Wad un Eiland

vlielandsnip.jpg
foto: Kooijmans Industrieel Ontwerp Eindhoven. Prijswinnende ontwerpers van ms. Vlieland

File op de Afsluitdijk. Het leukste dorpje van Nederland. De hipste ferry ter wereld. Konijnenkeutels, Meeuwen Flatsen, cranberrydrankjes en ander waddenlekkers. Plus een gepimpt hotel met zolderkamertjes vermomd als suites. Een lang weekend op Vlieland.

Hoe is het mogelijk.
Een file op De Afsluitdijk.
Een boot heeft de Lorentz-sluizen bij Kornwerderzand geramd en daardoor blijft Friesland anderhalf uur voor autoverkeer vanaf de Afsluitdijk gesloten.
Dus daar staan we met ons goede gedrag.
Mr en Mrs Global en onze 16 maanden jonge dochter Joeki.
Ruim op tijd vertrokken uit Amsterdam.
Maar nee.
Dag middagboot van 14.15 uur die ons vanuit Harlingen naar Vlieland zal varen.
Welkom avondboot van 19.00 die om 20.30 uur op Vlieland landt.
Dan maar wat door Harlingen slenteren.
Geen straf.
Harlingen is een van de mooiste dorpjes van ons land.
Maar eerst nog die file, en onze boottickets telefonisch omwisselen en het hotel over onze vertraging informeren.
Hopelijk gaat Joeki in haar kinderzitje slapen, maar nee, zij zit liever met pappa achter het stuur en stapt trots door de file.
Toettoet, zegt zij.
De chauffeurs zwaaien terug.
Een weekendje Vlieland was het idee. Omdat je na twintig keer Hotel Van der Werff op Schier eens een ander eiland wilt.
We hadden gelezen over het gepimpte Badhotel Bruin op Oost-Vlieland.
De ronkende hotelbrochure beloofde van alles. 'Lever de bagage af bij de paard en wagen die op de kade staat te wachten en wandel het charmante dorp in'. Wat te denken van de fatboy voor de hond en tripp trapps voor de kinderen, voor wie elke avond een beertje in bed klaar lag. En dankzij de interne babyfoon konden pappa en mamma ongestoord beneden eten in het restaurant en genieten van een 'mediterrane keuken met Vlielandse flair' gebaseerd op 'zoveel mogelijk uit eigen streek', weg te spoelen door 'de grootste wijnkelder van Noord Nederland'.
Dus stappen we met vijf uur vertraging nog immer opgewekt in Harlingen aan boord van de ms. Vlieland. Een sieraad van een boot. Bekroond met de design-Oscar uit de cruise- en ferrywereld.
Terecht.
Vooral de trendy lounge en hippe bar misstaan in geen enkele hoofdstad.
Om 20.30 uur landen we op de donkere kade van het dorp Oost-Vlieland.
De beloofde paard en wagen staan dan al op stal. In plaats daarvan wacht een truck waarin we onze koffers kunnen laden, beloofde de hoteleigenaar.
Maar hoe we ook zoeken, die zien we niet. Wel staan er laadwagens klaar voor Strandhotel Seeduyn.
Weer een belletje dan maar.
“Nee, we hebben daar geen eigen laadkar. Je bagage kun je wel in die van het Strandhotel doen”, vertelt de hoteleigenaar.
Helder.
Badhotel Bruin handelt in praatjes, mopperen we, terwijl we met koffers en babyspullen al door de Dorpstraat richting hotel puffen.
Gelukkig hebben we niet al te veel bagage.
En ach, het is slechts tien minuten zeulen.
Wie heeft dan nog paard en wagen nodig.
De eigenaar van Badhotel Bruin zit zelf achter de receptie.
Joeki begin subiet tegen hem te dreinen; zij moet echt in bed.
Maar in onze bestelde Hästens-suite ontbreekt een kinderbedje, laat staan de beloofde knuffelbeer. Merkwaardig.
Hij weet van Joeki en de vertraging, en weet toch ook dat het al ruim over peuterbedtijd is. En dan blijkt ook nog eens onze plastic sleutelcard niet te werken.
Mrs. Global oogt als ontploffingsgevaarlijk.
Joeki ook.
En er komt bijkans rook uit de oren van Mrs. Global als zij de Hästens suite ziet.
Een van de duurdere kamers, maar niet groter dan een zolderkamertje.
Het in allerijl geïnstalleerde HEMA-kinderbedje blokkeert bijkans de badkamerdeur, zonder ligbad, waar de goedkopere superieure kamers die wel hebben.
Niet om lullig te doen, maar dat is vreemd.
“Ik wil naar huis”, moppert Mrs. Global. “Wat is dit voor raar hotel. Kleine kamer, geen kinderbedje, geen bad, geen paard en wagen, geen teddybeer, wat een larie allemaal. En wat een kutontvangst. We hadden gebeld dat we later kwamen."
En dan valt zij tevreden in slaap.
De volgende ochtend lijkt alles beter.
We rollen Joeki in haar Urban Jungle over schelpenpaadjes door de duinen naar het zandstrand.
Zij heeft de hele dag nodig om bij te komen van de lange reis, en slaapt 's avonds -nog immer beerloos- na een enkel vocaal opstootje als een roos.
Dus aanschuiven in het mediterrane restaurant met Vlielandse flair en de grootste wijnkelder van Noord-Nederland.
De wijnkaart is evenwel bescheiden. En de Ripasso die we op het oog hebben, is van de lijst gehaald.
“Gek”, zegt het bedienmeisje. “U bent al de derde vanavond die naar die fles vraagt. Waar niemand die voorheen zag staan.”
Over het eten zelf kunnen we kort zijn.
Dat is niet best.
De salade met veldsla en linzen blijkt gedrenkt in zoet; de diepvriescarpaccio met foie gras-boterkrullen smaakt naar nergens; de zeebaars komt van de grill, maar mist de geur en smaak ervan, hoe nadrukkelijk ook grilrandjes in de bebloemde vishuid zijn gedrukt. Ook de tarbot wordt opgediend met een grilbelofte, maar heeft overduidelijk enkel boter geproefd. En wat doen die Hollandse garnaaltjes, streepjes mayonaise en al die andere poespas over de vis en elders op onze borden.
Sommige restaurants verwarren overdadig met lekker.
Maar opsmuk dient enkel ter maskering van slechte kwaliteit.
Ook tijdens de bediening gaat er die avond logistiek van alles mis. Edoch, de stagières van de Hogere Hotelschool uit Leeuwarden doen allemaal vreselijk hun best, zoals iedereen in het hotel zijn best doet. En dat is aandoenlijk.
Suite en eten blijven een teleurstelling. En de leugenpraatjes over paarden en beren kan het hotel maar beter voor zich houden.
In de loveseats en hangbanken beneden blijkt het evenwel fijn vertoeven.
Edoch: niet meer doen zo'n suite in Badhotel Bruin, besluiten we.
Op Vlieland komen we wel terug.
Bijvoorbeeld vanwege dat biefstukje bij 't Geuzennest of wellicht later voor de lamsoren of het Vlielands konijn met cranberrysaus.
Die flessen wijn van Badhotel Bruin nemen we dan wel mee de duinen in.
Of smokkelen we aan boord van de ms. Vlieland. Om het hele weekend over het water te heen-en-weren, en relaxed over de wadden met de robben te staren.

[kader]
Vlielandse specialiteiten zijn schaars. Behalve de obligate kruidenbitter en cranberrydrankjes. Voor toeristen zijn er nog de Geitenkeutels, Konijnenkeutels en Meeuwen Flatsen en ander Vlielander suikergoed uit het nostalgische snoepwinkeltje. En voor liefhebbers wachten vele Vlielandse konijnen. Probeer op de wal de hamburger van de lunchkaart van eetcafé Nooitgedagt in Harlingen.

Vinsobres

Vinsobrescheffen.jpg

'Leuk feestje gehad'. 'Goh, ga je alweer op vakantie'. Hoe vaak ik dat al niet heb gehoord. Ook Mrs. Global wilde maar niet geloven waarom ik altijd redelijk uitgewoond van een food & travel-reportage terug kwam. Dus besloot ik haar enkele jaren geleden op reportage mee te nemen. En dat heeft zij geweten.

Jarenlang kampeerden we op een boerencamping in Grignan.
In de Drôme.
Op een kruiploopje van een slager, alimentation en bakker, en toch midden in de natuur tussen de truffelbomen en lavendelvelden.
Volgens veelkampeerders was het de mooiste camping van Frankrijk.
Gasten bleven er dan ook terugkomen.
Totdat ze kinderen of kleinkinderen kregen, want die waren op de camping van Max en Veronique niet welkom.
Grignan lag op prettige rijafstand van verschillende Côte du Rhône-Villages-dorpjes als Valréas, Visan en Vinsobres.
De laatste V van deze VVV hadden we geadopteerd. Omdat het zo mooi op een heuvel lag zoals alleen Franse plattelandplaatsjes ademloos fraai op een heuvel kunnen liggen.
In Vinsobres kenden we na verloop van tijd de weg.
In de groentewinkel van René Chambon mochten we zelf de perziken en tomaten uitzoeken, en we waren op bonjour-niveau in de bakkerij van Monsieur Ginoux.
Ook Pipo herkende ons elk jaar na enkele dagen weer.
De hond bezette steevast het kruispunt voor het terras van Le Bistrot, aan de Place de l'Eglise. Afdalende wielrenners moesten voor hem in de smalle straatjes flink in de remmen knijpen. Ook voor claxons was Pipo oost-indisch doof.
Vinsobres kende een lange wijngeschiedenis.
De naam van het dorpje zou verwijzen naar sobere wijn. Althans, een aartsbisschop uit het nabijgelegen Vaison-la-Romaine had de wijn uit Vinsobres ooit als zodanig betiteld.
Een gevreesde druivenziekte maakte in de 18e eeuw aan de productie van de sobere wijn evenwel een einde. De wijnboeren besloten zich daarom om te scholen tot olijfboeren. De meeste olijfbomen vroren evenwel na de strenge winter van 1956 dood. Een hoekje wijnstokken overleefde de vorst, en dus bekeerden de boeren zich weer tot de wijnbouw.
Vinsobres beleef aldus Vinsobres.
En ik zag een verhaal in Vinsobres.
Een portret van een typisch wijndorpje in Frankrijk.
Dat vond een reisblad een goed idee.
Mrs. Global, toen nog gewoon Miss Global, volgde op dat moment een fotocursus en zou de plaatjes schieten, en via een pr-bureau wist ik gedurende onze vakantie voor enkele dagen een gratis kamer in een hotel annex wijnchateau te regelen.
Aldus verruilden we gedurende onze vakantie onze tent in Grignan voor een luxueuze matras in Domaine de Cabasse in Seguret.
Om negen uur 's ochtends de volgende dag werden we bij Le Bistrot in Vinsobres opgewacht door een vertaler. Fransen mogen dan in Europa een grote mond tot ver over hun landsgrenzen hebben, de meesten weigeren ook maar een woord over diezelfde landsgrenzen te spreken.
We gingen eerst op bezoek bij Richard en Pascal Jaume, twee wijnbroers die midden in Vinsobres hun wijnkelders hadden.
Voor de deur werden we tegemoet gekwispeld door Pipo.
Richard was zijn baasje.
We vertelden dat we hem kenden. Van het kruispunt voor Le Bistrot.
“Hij past niet alleen op ons huis, maar dus kennelijk op het hele dorp”, grapte Richard.
Na die grap bracht hij ons naar de Jaume-wijngaarden. Gelegen tegen de hellingen richting St. Maurice, een andere Côte du Rhône Village.
Les Côtes, heet het gebied. Volgens Richard het beste terroir van Vinsobres. Dankzij de ligging, temperatuur en vooral de mergelbodem.
Hij ratelde nog een rondje over verschillende druivenrassen, liters en opbrengsten, en toen gingen we terug naar Vinsobres om te proeven.
In de wijnkelder van Jaume stonden al tien flesssen open.
Het was nog geen elf uur.
Miss Global slikte.
De foto's die ze na de proeverij schoot van de broers waren niet echt overtuigend, en bovendien, we moesten door.
Beneden in het dal wachtte Hubert Valayer van Domaine de Deurre. Een buitenbeentje onder de locale vignerons.
Met een kale kop en een grunge baardje scheurde hij op een Harley door het dorp. Op zo'n motorfiets was hij ook getrouwd in Las Vegas met zijn Amerikaanse vrouw. In de Amerikaanse bak die naast het domaine stond, waren ze van Californië naar Europa gescheurd.
Zijn grootvader was een gerespecteerd wijnmaker en oprichter van de coöperatie. Hubert wilde liever voor zichzelf beginnen en besloot het contract met de coopérative niet te verlengen, en daar schrok iedereen in Vinsobres van. Want de familie bezat aanzienlijke hectares op Les Côtes. En die smakelijke liters kon de coöperatie goed gebruiken.
Hubert zag het anders.
Hij wilde geen druiven kweken, maar zelf wijn maken. En dat lukte.
Domaine de Deurre maakte al jaren de beste witte wijn van het dorp.
En natuurlijk moesten we die proeven.
Miss Global zag de open flessen en besloot dat ze buiten enkele foto's wilde maken.
's Middags kregen we een lunch aangeboden. Met de burgemeester en eigenaar van een viersterren camping. Acht gangen, met steeds weer een andere Vinsobres. In welke druivencombinatie dan ook.
De ogen van Miss Global tolden. Zij viel bijna van haar stoel.
Ook de olijke burgermeester kon haar niet wakker houden.
Zij bleef evenwel keurig naar hem lachen.
“Ik wil naar bed”, fluisterde zij tussen hoofdgerecht en dessert in mijn oor.
“En Jezus, ik word gek van die man.”
Maar Miss Global mocht niet naar bed, maar moest aan de slag.
Op het programma 's middags stond nog een afspraak met François die ons alles ging vertellen over de geschiedenis van het dorpje, incluis een wandeling door het dorpje. Met als toetje een proeverij. Met medewerking van onder meer Château de Rouanne, Domaine Bouchard de la Bicarelle, Domaine Chaume Arnaud.
En zo moesten we zonder morren blijven luisteren naar beleefdheidsgesprekken, en zonder tegengas blijven glimlachen naar nog weer nieuwe gastheren en gastmevrouwen.
Leuk, zei Miss Global.
Ja, leuk, zei ik.
Om zeven uur waren we terug in het hotel.
Miss Global ging meteen onder zeil.
Ik besloot tot een ontnuchterende duik in het zwembad.
Een uur later moest ik Miss Global wakker maken.
Voor de volgende proeverij met vier wijnproducenten uit de streek, met aansluitend een etentje in Le Bistrot.
“Kom op aanstelster”, zei ik. “Dit is geen snoepreisje, maar werk.
"Je bed uit. We moeten door."
Miss Global heeft me vanaf die dag nimmer meer een prettige vakantie gewenst als ik op pad ging voor een food & travel-reportage.
In plaats daarvan stopt zij altijd stiekem een doosje Finimal tussen mijn onderbroeken.
Want ja, je moet wel door.

Streets of London

London.jpg

Mr. Global doet Londen. Knightsbridge om precies te zijn, met al zijn trendy bars, überdure winkels en hippe vogels. Ook gaat hij tafelen met Beckham in een Michelin-restaurant. Blijf dus Cheffen volgen.

Klukkluks en Kasiri

Klukkluk.jpg
foto: robvandervet.nl

Cassave voor, cassave na. Het menu van de Cariben en Arowakken in Suriname is niet echt gevarieerd. Gelukkig kun je al die cassave wegspoelen met cassavebier.

Verwacht in Suriname geen tarwebloemzachte palmenstranden.
In plaats daarvan vind je langs het overgrote deel van de kust een laag grijze drab, uitgebraakt door de Amazone-rivier.
Op een strook zand van vijf kilometer na.
Galibi, heet die zandstrook met caribean-feel.
Ongeveer drie uur bussen en twee uur varen vanaf Paramaribo.
Je hotelbed staat in een eenvoudige hut tussen mangostruiken, katoenplanten en cashewnootbomen, op loopafstand van de indianendorpen Christiaankondre en Langamankondre. Dat maakt het strandleven er net even anders dan op Guadaloupe en Kho Pha Nhang.
In de tweelingstad Christiaankondre en Langamankondre wonen zo'n duizend indianen; Cariben en Arowakken.
Ga gerust bij hen buurten.
Verwacht er evenwel geen wigwams en Klukkluks met verentooien.
Hun traditionele huizen ruilen indianen steeds vaker in voor houten woningen met koelkast, televisie en ghettoblaster.
Pijl en boog zijn er evenzo al een tijdje uit de mode. De mannen dragen liever Nikes en shorts voorzien van een swoosh. Meisjes voelen zich meer senang in een bloesje of shirt van Donna of Diesel.
Voor de rest leven de Cariben en Arowakken in Galibi hun leventje zoals ze dat al eeuwen doen.
De mannen vlechten manden, bouwen korjalen of gaan vissen en jagen. De vrouwen waken over de kinderen en kostgrondjes, en koken vooral met cassave, de aardappel van de jungle.
Die langgerekte bruine knol vermalen ze tot pulp die ze stoppen in een matapi. Deze casavepers van palmstengen hangt in een boom. Onderaan bungelt een steen die giftig blauwzuur uit de pulp wringt waardoor enkel meel voor cassavebrood overblijft. Het meel wordt uitgerold en gebakken in flinterdunne mega cd-schijven die overal in de dorpjes liggen te drogen.
Cassavebrood gaat lang mee.
Een cassaveknol valt evenzo schillen en in reepjes te bakken of frituren. Cassave gaat verder in de soep, en je kunt ervan koekjes, donuts, cassareep en kroepoek maken.
Van het giftige zuur brouwen de vrouwen cassavebier.
Kasiri.
Het is rood of bruin, en ruikt en smaakt zeer zuur.
We krijgen een kommetje aangereikt.
Snel opdrinken, besluiten we na een voorzichtig nipje.
Moet ook wel. De zure lucht doet ons bijkans braken.
Ad fundum dus.
De indianenmanen vinden dat prachtig, en schenken direct bij.
Vijf procent alcohol voelt in de tropenhitte als veertig.
Ook komt er cassavebrood en peperwater op tafel.
Het kan niet op.
Tiponje, zeggen we, lekker, en we proberen erbij zo vriendelijk mogelijk te glimlachen.
Pas na nog vijf kommen kasiri laten de mannen ons gaan, en dat is jammer, want we hebben net besloten dat we kasiri echt tiponje vinden.
Je moet evenwel niet te veel cassavebier achterover slaan als je midden in de nacht moet opstaan. En dat moeten we. Voor een korjaaltocht in een Indiaanse Piaka-boot die ons voert naar een strand met reuzenschildpadden.
Leatherbacks: kruipende rotsen van twee meter uit de gewichtsklasse van meer dan 600 kilo.
Ze zwemmen de hele wereld over om generatie op generatie instinctief terug te keren naar Galibi, waar ze tussen februari en augustus hun eieren leggen, en dat doen ze het liefst midden in de nacht.
Wil je dat eierwerpen bijwonen, dan betekent dat dus nachtbraken.
Daarvoor wacht een onstuimig riviertochtje in het donker over wild water en door golven vliegen die je van alle kanten belagen.
Eigen schuld.
Moeten we de reuzenschildpadden maar niet storen in hun baringsnood.
Strandzand stuift naar alle kanten wanneer een hoogzwanger leatherbackmeisje met ferme roeibewegingen van haar minipootjes een gat graaft. Als dat diep genoeg is, poept zij er met veel krachtsvertoon en tranende ogen honderd pingpongeieren in.
Anderhalf uur later is zij klaar, bestrooit haar kraamkamer met een flinke laag zand en waggelt in slow motion uitgeput weer terug naar zee. Onwetend van het ongelukkige lot dat vele van haar jonkies wacht.
Slechts twee tot drie van haar eieren zullen overleven.
Veel babyschildpadjes worden op weg naar de branding opgepeuzeld door vogels en vissen. Eieren belanden als omelet op het bord van de indianen. Ook trekken die graag soep van leatherbacks. Een verboden delicatesse.
Wij troosten ons met nog maar een kommetje kasiri.
De eerste slokjes zijn opnieuw even wennen, maar dan raken we al snel in de plezierige ban van tiponje.
Het leven van een moderne Klukkluk blijkt dan helemaal zo gek nog niet.
Maar om dat gevoel te ervaren, heb je wel liters zuur vuurwater nodig.

Het lekkerste hapje van de jungle

CheffenSuri.jpg
Foto: robvandervet.nl

De Twinotter ronkt over een lappendeken van broccolistronkjes. Op 2400 voet, precies onder de wolken, zodat we van het uitzicht beneden kunnen genieten. Daar zien we kabouterhuisjes langs een meanderrivier, maar liggen vooral broccolistronkjes, onderbroken door postzegelformaat kostgrondjes, plekken midden in het oerwoud waar junglebewoners cassave, rijst, bananen en pinda's laten groeien.

In het broccolilandschap wonen Saramaccanen. Nazaten van gevluchte slaven, die Nederlanders eeuwen geleden met geweld uit Ghana stalen. Diep in het Surinaamse oerwoud wisten ze zich te verschuilen voor plantagehouders en ook na jaren nog hun Afrikaanse taal en cultuur te behouden.
We gaan met hun cultuur kennismaken, en landen daarom na ruim een uur vliegen vanaf Paramaribo op de groene airstrip van Kayana, het laatste bewoonde dorpje aan de Surinamerivier.
We zijn in een keer in donker Afrika.
Voor ons staan gitzwarte jonge vrouwen in fel gekleurde gewaden met kruiken op hun hoofd. We zien mannen met houwers en geweren.
Geen struikrovers, maar jagers op zoek naar een pingo, tapir, hert of gordeldier, begrijpen we. En een gordeldier is het smakelijkste hapje van de jungle.
Donkere jongetjes met uitpuilbuikjes blijven ons met evenveel verbazing als ontzag aanstaren, en besluiten dan met ons mee te rennen naar de korjalen.
In die smalle bootjes zakken we Grande Rio af, een zijtak van de Surinamerivier, de snelweg van het oerwoud, het bos zoals in Suriname zelf zeggen.
Middenin in Grande Rio ligt het eilandje Awarradam. Het wordt beheerd door Njang Njang Man, locaal beter bekend als Mijnheer Frederici Dinge. Hij draagt een dokterjas en woont er met elf kinderen. Allemaal van hem; Njang Njang Man houdt wel van doktertje spelen.
“Ik ben bonuman,” zegt hij.
Een bonuman is een soort medicijnman.
“Het bos fungeert al honderden jaren als onze apotheek. Vooral liaansoorten genezen tegen allerlei kwaaltjes. Opro maka is goed tegen kiespijn, diatete heelt de dorst en dobrudua is onze viagra.”
Njang Njang Man kijkt er veelbetekenend bij, en knipoogt naar zijn kinderen.
Dan treedt gids Nootje met een trits jungletips naar voren.
Hij waarschuwt voor killerants, kruipdoor sluipdoor luizen, gifkikkers in felle kleuren, en scherpe plantenbladen met de werking van een cirkelzaag. Slangen liggen overal, maar slapen vooral overdag. Niettemin: als je een bushmaster tegenkomt, de grootste en meest dodelijke van het stel, kun je beter maken dat je wegkomt. Stel dat je de maka sneki in zijn dutje verstoord.
De hoogste tijd voor een boswandeling.
Daartoe klimmen we eerst in een korjaal.
Onderweg passeren we stroomversnellingen en kaaimannen.
No span, zegt Nootje. Je kunt gerust in het water zwemmen. Surinaamse kroko's bijten niet. Maak je evenzo niet druk om piranha's. Doen de jongetjes ook niet die vrolijk in en uit de rivier waterspetteren.
Dan leggen we aan bij een dorpje.
Voordat we daar doorheen mogen lopen, moeten we eerst het stamhoofd omkopen. Hij zit afwachtend achter een tafel. Aan zijn voeten liggen tientallen lege flessen.
Nootje legt een fles Johnnie Walker en Borgoe-rum op de grond. De prijs voor een wandeling door zijn dorp.
Maar voor een wandeling krijg ik geen kans.
Ik word door enkele vrouwen bij mijn kladden gegrepen en voorgesteld aan een kleine mevrouw zonder tanden en met borsten die tot diep over hun buik naar beneden druipen.
Niet echt Miss Saramacca.
Zij lacht naar mij, en blijft heen en weer tussen haar en mij wijzen, waarbij woorden vallen als bakra (blanke) en moksi meti (gemengd vlees).
Tussendoor gieren alle bosomstanders van de pret.
“Ze vindt jou een lekker ding, en wil graag een kind van je”, vertaalt Nootje lachend.
Mijn lach is in de tropische hitte pardoes bevroren.
Maar Miss Saramacca grijnst opnieuw en begint aan mijn armen te trekken.
Zonneklaar: ik moet haar volgen.
Voor een goed gesprek is geen tijd.
De mannen uit het dorp kunnen ieder moment van de jacht terugkomen, begrijp ik. Dus meekomen, gebaren ook drie halfblote andere vrouwen die me vastpakken en achter de tandeloze Saramaccaanse Miss aantrekken.
Onderwijl praten en lachen ze erbij, en prikken ze in mijn zij.
“Help Nootje, help,” roep ik.
Nootje is evenwel tussen de flessen bij het stamhoofd verdwenen. En de vrouwen raken alsmaar meer opgewonden.
Ik vrees dat ik moet kwartetten.
Dan wijst mijn aanstaande sekspartner naar een hut, enkele honderden meter verderop. Er ontstaat gekwebbel, gekibbelen gedoe, en de drie laten me los.
Jaloezie in de tent.
Meteen grijp ik mijn kans.
Ik trek een sprint en verdwijn in het groen.
Achter mijn rug hoor ik het geruzie wegsterven.
Opgelucht haal ik adem.
Maar wat nu.
Want waar ben ik en hoe kom ik veilig terug. Zonder te worden aangevallen door gevaarlijke junglebeesten of te worden aangerand door sekshongerige junglevrouwen.
Ik kijk om me heen langs de bomen en dan verstijf ik.
Pal boven me hangt een gigantische slang.
Een bushmaster, gilt het door me heen. De dodelijkste slang van de jungle.
Gelukkig, daar is Nootje.
In zijn handen houdt hij een geweer.
“Staan blijven,” gebaart hij.
Staan blijven, jezus man, er hangt een massamoordenaar boven mijn hoofd, de alom gevreesde maka sneki, schiet op, knal die sneki uit de boom, schiet op.
Ik bibber bijna uit mijn vel, en dan klinkt een schot.
Aansluitend verwacht ik een doffe plof op de grond, maar er volgt geen plof. Naar omhoog kijken durf ik niet, hoeft ook niet, mijn doodsangst doet mij omhoog veren richting Nootje, die enkele meters verderop voor mij uit springt over takken en struiken.
Ik spring hem als een hert achterna. Alle wijsheid over cirkelzaagkamerplanten en gifkikkers ben ik vergeten.
En plots houdt Nootje stil.
Voor zijn voeten ligt een merkwaardig dood beest.
“Een gordeldier”, zegt hij. “Het allersmakelijkste hapje van de jungle. Maar no span, wat doe jij hier.”
“Nootje”, hijg ik, “die vrouwen. Is dat een jungle ontgroeningritueel ofzo?”
Nootje vouwt het gordeldier over zijn schouder, en begint luidkeels te lachen. Ik hoor vogels opvliegen en Apenheul-aapjes door bomen springen.
“Misschien kan dit smakelijke hapje de vrouwen wat tot bedaren brengen”, zegt hij. En met een knipoog: “Ik vermoed dat ze dit nog lekkerder dan bakravlees vinden.”
Ik besluit hun keuze niet af te wachten, stel dat het vlees niet goed van de gril of uit de pan komt, en kies voor mijn hangmat op Awarradam.
Uit veiligheidsoverwegingen besluit ik daar ook niet meer vandaan te komen.

Drinken met Pessoa

snipshot_bxjq457j782.jpg
foto: robvandervet.nl

Het is het officiële drankje van Lissabon. De bittere smaakt past ook als geen ander bij de Portugese hoofdstad. Maar een echt uithangbord wil ginjinha maar niet worden. Lissabon is de stad van de saudade. En die stemt bezoekers al bitter genoeg.

Een lange rij in het centrum.
Voor een deuropening aan de Largo de Sao Domingos.
Dat stemt nieuwsgierig.
Vooral als blijkt dat achter de deuropening een soort barretje zit, nou ja, een minibarretje dan.
Achter de toog staat een man met een prachtige snor, een kale kruin en uilebril. Hij schenkt aan een stuk een dieprode kersendrank in plastic glaasjes.
Tachtig eurocent per bekertje.
Zonder of met gefermenteerde kers.
Jongeren prefereren het met 7-Up. Of vermengd met limonade.
Buiten opdrinken. Binnen is voor toogklevers geen plaats.
A Ginjinha, heet het barretje. Getuige enkele muuropschriften zit het daar al even.
Sinds 1840 om precies te zijn.
Om me heen vooral Britten.
Logisch: ik sta voor een bar.
Het barretje wordt evenwel niet gefrequenteerd door bierbuikige cockneys met tatoes of Liverpudlians in morsige singlets en korte broeken, maar door keurige mevrouwen en mijnheren die even aandachtig als voorzichtig nippen aan de plastic kleinduimpje glaasjes.
De inhoud maakt het groepje mevrouwen aan het rillen.
Eentje krijgt er zelfs kippenvel van.
Haar gids wil haar helpen.
Een soort Luís Figo op leeftijd en een grijns die keurige Britse mevrouwen doet zwijmelen.
“Niet nippen”, zegt Figo, “maar, hup, in een keer achterover. Je krijgt het er lekker warm van.”
Dus hup, daar gaat ze.
Het drankje bezorgt haar evenwel nog meer kippenvel.
Net zoals haar keurige buurvrouw mevrouw, wiens zomerjurkje na het slokje pardoes omhoog gaat waaien. En dat uitzicht maakt een glaasje ginjinha er bij voorbaat niet lekkerder op.
Ginjinha wordt gemaakt van ginja, bittere of zure kersen, ook wel morellen geheten.
Lissabon was ooit omringd door boomgaarden vol bittere kersen. Monniken besloten die te stoken met aguardente, de plaatselijke grappa. En die smaak sloeg aan bij de locale bourgousie, fadozangers en poëten.
In de Rossio, het centrum van de stad, openden dan ook steeds meer ginjinhabarretjes. Vele niet groter dan drie bij twee.
Fernando Pessoa wipte er graag naar binnen. Maar vrolijk werd hij daar niet van. Hij zoop zich dood; ginjinha is een voedingsbodem voor de saudade.
Anderen raakten aan het morellendrankje verslaafd op doktersadvies.
Ginjinha, was goed voor je longen. Heette het.
Waar het kleverige dokterdrankje naar smaakt?
“Naar ouderwetse hoestsiroop met kersensmaak”, zegt een Brit. En daar heeft hij getuige zijn gezicht geen prettige associaties bij.
Wij houden het op zoete kersen met een bittere naslok. Een soort campari op jeneverbasis. Maar dan zonder de jeneverbessen.
Al met al een prettig aperitief.
Niet zo vreemd dus dat het vooral gedurende pre-dinertijd ginjinhatijd is.
's Avonds krijgen veel ginjahabarretjes in de Rossio een andere sfeer.
Aan de Rua das Portas de Santo Antao zit een rijtje naast elkaar.
De barmannen zitten er achter tralies. Rugzaktoeristen en jongeren zitten ervoor in kringetjes op de grond. Dronkelappen bedelen om sigaretten, en hangen tegen muren of in portieken.
Gezellig.
Naast ginjinha schenken de barmannen ook aguardente. Een behoorlijk stevig goedje waarvan het alcoholpercentage kan oplopen tot tachtig procent.
Na enkele glaasjes daarvan ga je inderdaad op de grond zitten of tegen portieken hangen. Ook ginjinha gaat ervan zelfs na een tijdje lekker smaken.
De bittere smaak wel snel wegspoelen met water.
Want je wilt in de Rossio niet eindigen als Pessoa.
Geveld door een overdosis saudade.

Faschingsparty

Fashingsparty.jpg
Foto: Cor Hospes

Snowfood: sommigen kunnen er een boek over schrijven. Vast niet over wintersportkost uit Oostenrijk waar bij locale supers zelfs verse peterselie een exotisch Vergnügen is.

Oostenrijk.
Wintersport.
Leuk.
Tenminste, dat vinden velen.
Ik niet, sterker, ik vind mensen die op twee latjes of een breder plankje van een berg glijden sneu.
Het is slecht voor de natuur bovendien.
De sneeuwlawines die de laatste winters allesvernietigend door Alpendalen en Alpendorpen denderden, zeggen daarover genoeg.
Toch is er geen Fransman, Zwitser of Oostenrijker die eraan denkt pistes te sluiten.
Het leven in dalen maakt eenkennig.
Ik wedel ook veel liever tussen parasols en palmen in Azië of Mediterranée dan tussen liften en loipes in Les 2 Alpes of Zell Am See. Bovendien heb ik slechte ski-ervaringen. Zo'n twintig jaar geleden in Crans Montana, op de laatste dag, in de laatste bocht. Geen gipsvlucht, wel een kniekapsel gescheurd.
Toch was ik twee weken geleden op wintersport. In Fügen in het Oostenrijkse Zittertal. Om het samenzijn met mijn schoonouders en schoonfamilie te vieren. Die gingen ooit jaarlijks wintersporten in het Zittertal en wilden nog één keer met de hele familie zo'n vakantie overdoen, alleen dan met kleinkinderen, en dat genoegen wilde ik niemand ontzeggen.
Dus wanneer ski-angehauchte zwagers en zwageressen, schoonbroers en schoonzussen de lift omhoog namen, bleef ik overdag beneden. Om met opa en oma te passen op de kleinkinderen, wat te lezen, te luieren en te koken.
Voor boodschappen was ik aangewezen op de Spar, Billa en Mpreis. De laatste super afficheerde zich op internet als 'the seriously sexy supermarket'. Seriously sexy waren de inteelt cassières zeker niet. Over het winkelaanbod maar te zwijgen. Verse gember, rode peper, koriander, vergeet het maar, zelfs verse peterselie bleek al exotisch.
Neem als kookliefhebber naar Oostenrijk daarom minimaal een eigen kruidenbuiltje mee. Diepvries, vers of van Silvo. Sauzen vooraf invriezen kan ook. En vergeet verse vis en knapperige groenten. Die bleken in het Zittertal even schaars als Zuid-Koreanen en Somaliërs.
Qua wijn kon ik vooral kiezen uit Chileense en Aussie-slobber. De Oostenrijkse wijnkaart was idioot genoeg beduidend kleiner, op literflessen Grüner Veltlinger en druppeltjes Blaufränkisch na.
Waar was de Blauer Burgunder, de trots van het land? De Sankt Laurent, nog zo'n bourgondisch zwaargewicht. En vaten Grauburgunder, Weissburgunder en Riesling hadden de Mpreis, Billa en Spar in Fügen evenzo niet bereikt.
Wel vond ik enkele interessante Alpenkaasjes en Schmuggelkäse die menig fromager jaloers zou maken, en daar moest Oostenrijk het culinair in het Zittertal dan ook mee doen. Niet zo vreemd dus dat toeristen hun kofferbakken volladen met proviand uit eigen land.
Ons snowfood bestond uit variaties van aardappelen en pasta. Want meel en tarwe, echt, daar zijn ze in Oostenrijk dol op, zag ik, terwijl ik de spijskaart bestudeerde van de Eisbar, aan het eind van de Horbergbahn in Penken nabij Mayrhofen, want ja, ook ik wilde hoog in de bergen wel eens aapjes kijken. Die lieten zich daar voederen met Käseknödel, Tiroler Gröstl, Kaiserschmarrn mit Kompott, Faschiertes Laibchen, Zigeuner Hacksteak, Speckknödelsuppe, Leberknödelsuppe: dat soort maaguitdijende dingen. En dan miste ik nog de Oostenrijkse bapao: de Germknödel.
Ik maakte hoofdschuddend enkele aantekeningen.
Mijn geschrijf zorgde onmiddellijk voor paniek onder het personeel van de Eisbar.
Er kwam een struise Zittertaalse op mij af. Rond haar heupen had een jarenlang dieet van knoedels, Zwicklbier en Gröstl een behaaglijke hangplek gevonden.
“Wat doet u daar?” vroeg zij.
“Ik studeer de Oostenrijke taal”, zei ik in het Engels. “Zoals u weet begint zo'n studie in elk land met de menukaart.”
De vrouw droop af. Haar heupen dropen achter haar aan.
Ze begreep er niks van, hoorde ik haar tegen een collega jodelen.
Het leven in het Zittertal maakt eenkennig.
Nog drie pasta en aardappelen, turfde ik.
Ik begon meer en meer te verlangen naar een allesverdovend dieet van Stroh en Obst. Maar ik koos voor een aprés-ski, terug in Amsterdam.
Ik had de wijn speciaal bewaard om onze terugkomst te vieren: een fles Zweigelt Barrique 2003 van Kurt Angerer. Cacao, donkere kersen, pruimen en ander zachtfruit fijns, kortom, een mond vol Oostenrijks lekkers dat goed combineerde met de Schmuggelkäse die ik had meegesmokkeld.
Uit meer hoeft een Oostenrijkse wintersport niet te bestaan.
Thuis.

[kader]
De genoemde Oostenrijkse wijn is onder meer te krijgen via www.garrityfinewines.com.
Voor het kaasje zul je toch echt naar Oostenrijk moeten heen-en-weren. 's Nachts zo'n negen uur rijden. Terug ga je harder.

Geen vriend van Italië

snipshot_b21h3gogrquv.jpg

Echt waar. In hetzelfde weekend waarin hij werd uitgeroepen tot 'migliore amico dell'Italia' werd één van de Cheffen een Italiaanse espressobar in Amsterdam uitgemieterd. Omdat hij een baby bij zich had.

Zaterdagochtend 11.00 uur. Het was bibberkoud in Amsterdam. Door de stad waaide een bibberkoude wind.
Ik liep samen met mijn meisjes Joeki (in de babybuggy) en Hanneke (naast de babybuggy) vanuit de stad terug naar huis.
We hadden boodschappen gedaan op de boerenmarkt en bij de Chinese supers op de Nieuwmarkt, en vis gehaald bij Tel op de Kloveniersburgwal.
Onderweg passeerden we de espressobar The Coffee Galery Caffetteria aan de Jodenbreestraat. Een goed adres voor goede koffie, weten connaisseurs. En daar hadden we trek in, door de bibberkou en bibberkoude wind.
Bovendien was cheffen.nl net uitgeroepen tot 'il migliore amico dell'Italia', in gewoon Nederlands, vriend van Italië. Ik was dus in een Italiaanse bui. En dat gevoel wilden we delen.
Ik met een kopje espresso, Hanneke met een kopje thee, en Joeki met Italiaanse warmte, al was het enkel door de verwarming.
Binnen in het kleine barretje was één van de twee tafeltjes bezet.
De barkrukken langs het raam waren leeg.
Ruimte genoeg, ook voor Joeki in haar Urban Jungle.
Dus reden we Joeki naar binnen en deden onze bestelling bij de kaalhoofdige barrista die zeer nors keek.
Een ochtendhumeur, dacht ik.
Kan gebeuren op zo'n bibberkoude zaterdagochtend met een bibberkoude wind, maar nee, het was iets anders.
Het was Joeki in haar wagen die hem niet zinde.
Ook had hij geen trek in mij en Hanneke.
Want we mochten daar niet zitten en daar niet staan, en daar ook niet, o nee, de kinderwagen kon binnen nergens staan.
Of we maar weer wilden vertrekken.
Buiten hapte Hanneke naar adem, ik stoomde verontwaardiging.
We waren uit een café gebonjourd, voor het eerst in ons leven uit een horeca-etablissement gezet, en nog erger, door een Italiaan, een Italiaan, de grootste kindergekken van Europa, en deze man kieperde een baby uit zijn zaak in de bibberkou van Amsterdam.
Ik ben ervan nog steeds een beetje ontdaan. Als vader, als Italo-freak, als Fries, als import-Amsterdammer en als 'vriend van Italië', en ik vind dan ook dat ik het zeker in de hoedanigheid van 'il migliore amico dell'Italia' mag zeggen: boycot The Coffee Gallery.
Daar zit geen vriend van Italië, maar een smet op Italië. Een ernstige smet. Zijn koffie smaakt erdoor heel erg bitter.

The Coffee Gallery, Jodenbreestraat 96, www.thecoffeegallery.nl

Wining and mining

snipshot_b2o5svqimmt.jpg
Foto: robvandervet.nl

De Australische wijnstreek Hunter Valley is omringd door kilometerslange mijnschachten. In voormalige mijndorpjes als Cessnock en Branxton kunnen buitenstaanders zich volgens de wijnmakers maar beter niet wagen. Gelukkig is het in de dromerig wijnvallei bovengronds zeer aangenaam toeven. Ook al dragen sommige etiketten zeer onheilspellende namen.

Hunter Valley.
Sydney's antwoord op Stellenbosch.
Sydney's antwoord op Napa Valley
De wijnstreek bevindt zich op zo'n twee uur rijden van de stad en dat merk je 's weekends wanneer honderden Sydneysiders langs de wijnhuizen toeren om te proeven, te proeven en te proeven.
The Hunter is de oudste wijnstreek van het land. Penfolds en Lindemans zitten er. Bekend onder AH-wijndrinkers. Fijnneuzigen slaan liever af naar Rosemount, McWilliams, Rothbury, Tyrrell's en Brokenwood. Daar komen meer gedistingeerde glaasjes vandaan. Geen Dolly Parton-wijnen, maar druivensap met diepgang. Met als uithangbord Shiraz en Semillon.
Beide voelen zich wonderwel thuis in The Hunter. Een gebied met stoomhete zomers plus een rode kleibodem waarin wijnranken nauwelijks wortel kunnen schieten en die de streekeigen stevige hoosbuien amper kan absorberen.
"Jonge Semillon smaakt naar citrus en is voorjaargrassig fris. Daarna degenereert de wijn en moet je van de fles afblijven om die te laten ontwikkelen tot een rijke en toast-achtige wijn, echt, een heerlijk glas”, vertelt general manager Geoff Krieger van Brokenwood.
Dat huis is in 1970 opgericht door drie wijnidolate advocaten uit Sydney. Samen kochten ze tien are weiland aan de uitlopers van de Brokenback Ranges om er Shiraz en Cabernet Sauvignon te planten. Omdat ze daarbij vrachtwagens vol knoestige takken en koppig struweel moesten puinruimen, noemden ze hun wijnhuis Brokenwood.
Druiven werden geplukt door familie en vrienden uit Sydney, en dat bleek een garantie voor een vrolijke boel.
Geoff: "Tal van vermaarde Aussie-wijnmakers deden bij ons hun eerste druivenpluk. Iedereen sliep in een gemeenschappelijk zaal, boven de tanks en houten vaten. Vrouwen en mannen. In ruil voor wijn, eten en frisse lucht. En die uitbundigheid is nimmer verdwenen. Sommige vrouwen stonden zelfs een topless te plukken, nou, je moest eens weten tot wat voor commotie dat hier leidde."
Hij kijkt er vol commotie bij.
Dan neemt hij ons mee voor een rondje Hunter Valley. Elke bocht biedt een ander panorama. De eucalyptusbomen contrasteren met het ruige gebergte van het Liverpool- en Brokenback-gebergte. Een bergtop daarvan rijden we omhoog. Bovenop ontkurkt Krieger een knisperfrisse Semillion en wijst over de vallei.
Ooit was The Hunter een mijnstreek. Enkele stadjes herinneren nog aan die tijd. Net zoals de ruige inwoners, merkte Geoff tijdens zijn kennismaking met het gebied.
Bij die verkenning, een paar dagen voordat hij zijn baan bij Brokenwood begon, belandde hij in een kroeg in Cessnock. Daar raakt hij aan de praat met enkele locals. En ineens stond die beer voor hem.
Groot, breed en zwaar behaard en met handen als kolenschoppen.
“Wanna do some pig hunting boy?”
Geoff keek, dacht en handelde.
“Op everzwijnenjacht, ja, waarom niet”, zei hij stoer.
“We voeren je aan de zwijnen, we voeren stadsmannetjes zoals jij aan de zwijnen jongen.”
Iedereen in het café begon hardop te liggen.
Geoff zag zijn kans schoon, wees naar het toilet, maar verdween via de andere deur het café uit.
In Cessnock is hij nadien niet meer geweest.
“Weet je hoe de wijnmakers Cessnock noemen? Knickknock, oftwel curiosa. Vanwege de bijzondere inteelt die er woont. De meeste inwoners hebben er geboorteafwijkingen als hazenlippen en open gehemeltes en gaan ook in geboorteafwijkingen praten. Knickknock, knickknock. Maar dat zijn eigenlijk after dinner verhalen."
“Nee, we mengen niet echt goed, winers en miners. De een houdt van everzwijnenjacht, de andere van truffeljacht.”
Volgens verhalen liggen onder Knickknock kilometers mijntunnels: “Als op een dag een oud vrouwtje een schop in de grond zet om een roos te planten, verzinkt waarschijnlijk het hele dorp. Ik weet zeker dat die dag eens zal komen.”
Terug in het wijnhuis ontkurkt Geoff enkele flessen Shiraz waaronder de Brokenwood Graveyard Vineyard 2004.
De Graveyard is het vlaggenschip van het huis en behoort in de Top 10 van Aussie-wijn. De naam verwijst naar de oorspronkelijke functie van de 40 hectare grond waarop vandaag Shiraz-druiven groeien.
Inderdaad, een begraafplaats.
We nemen nog eens een flinke snuif in het glas.
Ik noteer kersen en pruimen, leeraroma's en een fijn pepertje. Zacht toegankelijk fruit onderbouwd door een stevig tannine om de fles nog enkele jaartjes te laten liggen.
In mijn neus niks geen rottende botten en schedels.
Ook Geoff snuift en slokt.
“De druiven vangen precies de essentie van het terroir”, zegt hij. “Zoals ons andere single vineyards dat in andere flessen doen."
“Hebben die ook van die mooie namen”, vraag ik.
“We hebben nog een Brokenwood Cricket Pitch, Brokenwood Wade Block 2 en een Mistress Block Shiraz.”
We willen ze allemaal proberen.
Met een fles Brokenwood Graveyard rijden we terug richting Cessnock.
Snel opdrinken, besluiten we. Voordat de grond onder onze voeten wegzakt.
Hunter Valley heeft een fijne bodem, maar de vallei moet niet onze begraafplaats worden. We gedijen niet in rode klei en willen ons zeker niet laten vangen in een terroir.

[www.brokenwood.com.au]

Global doet Tirol

apresski.jpg

De dames in Tirol liggen er klaar voor. Après ski met Global. Hij heeft er zin in. Maar die wet t-shirt verkiezingen, die slaan we maar even over. Tot over twee weken.

God's own country

Kuchen, bockwurst en snickerdoodles. De Pennsylvania Dutch keuken heeft niks met Nederland te maken. Het Dutch is een verhaspeling van Deutsch, want dat klonk in Amerikaanse oren toch hetzelfde. Vandaar de calorierijke taarten en loodzware kost. Nodig voor het harde werken op het godsvruchtige Amish-platteland.

PenDutchsnip.jpg

Foto: robvandervet.nl
Styling: Cor Hospes zonder punt nl

Het ging al mis bij de Amerikaanse douane.
Of ik mijn koffer wilde openmaken.
Dat deed ik.
De douanier inspecteerde nauwkeurig mijn shirts en onderbroeken, bladerde door een stapeltje tijdschriften en vroeg wat dát was.
“Wat”, vroeg ik, iets te onnozel.
De borden, serviezen, kleden, bestekjes enzovoorts.
Op mijn visum stond dat ik naar Philadelphia was gekomen voor vakantie. Niet dat ik journalist was en een culireportage wilde schrijven. Incluis foodshots wenste te stylen.
Journalist-zijn geeft vaak enkel gedoe aan grenzen.
“Dat zijn cadeautjes voor mijn nichtje”, improviseerde ik. “Ik had geen tijd die thuis in te pakken. Stylingspullen zijn het", ging ik verder, want ja, je kunt maar beter rustig doorpraten in zo'n situatie. “Mijn nichtje is foodstyliste voor onder meer Stephan Starr, die kent u toch, hij is de beroemdste horecatycoon van Philadelphia.”
De douanier gebaarde dat ik kon doorlopen en zei:
“Ga naar Morimoto. Een restaurant van hem in Barbarella-sfeer. Moet geweldig zijn.”
“Zal ik doen”, zei ik, en trippelde opgelucht Philadelphia tegemoet, de stad van Rocky I, II, III, IV, V en jawel VI, cheesesteaks, hoagies en pretzels met mosterd.
Over Philly gingen we een food & travel-reportage maken. De wieg van Amerika is rechts koloniaal dooraderd met gerechten uit de Dutch Pennsylvania keuken en wordt links culinair gepimpt met trendy restaurants en dito koks.
Dat Dutch heeft overigens niks met Nederland te maken. Het is een verhaspeling van Deutsch. In Amerikaanse oren klonk dat hetzelfde. Dus daarom staat nog steeds in VS-geschiedenisboekjes dat het Dutch Mennonieten waren die in de 18e eeuw in Pennsylvania neerstreken om Amish-dorpen stichten.
En die heb je er nog steeds. In hetzelfde decor van toen.
Je ziet mannen met hoeden, baarden, bretels en lichtblauwe overhemden sober hobbelen in koetsen, en amechtig ploeteren met ezels en paarden op het land. Vrouwen weven zwijgzaam quilts, tussen het koken door. Want hun mannen moeten eten, stevig eten. Het leven op het platteland vergt energierijke gerechten.
Je kunt die proeven en bekijken op de Reading Terminal Market in Philly, de oudste en grootste boerenmarkt van Amerika. Er is chow-chow (zoetzure groenten), scrapple (brood gevuld met varkensvleesresten) en vooral taart. Van hartig tot mierzoet. De bekendste is de shoo-fly pie waarvan de geur alleen al werkt als een magneet op suikerminnende vliegen.
Voor de rest is het aanschuiven op de markt. Bij onder meer de Dutch Eating Place voor aardappelsalade, spinaziesoufflé, chicken pot pie en sneeën vlees plus geroosterde aardappels met pepers en uien.
Om het af te leren, snoepen we bij de kraam van L. Halteman Family van huisgemaakte bockwurst, kalfsleverworst en geroosterde kalkoen.
En dan verlangen we naar frisse lucht.
Een dag later parkeren we voor het meest typische Dutch Pennsylvania-restaurant van de Amish-streek, twee uur treinen door het achterland van Philly.
Op de gevel staat: Miller's Smorgasbord, gesticht in 1929.
Steve Miller himself ontvangt ons met open armen.
“Twee echte Dutch”, zegt hij, en hij begint feestelijk te schateren.
“Voor iemand die geboren is in 1929, zie je er best nog goed uit”, schater ik vrolijk terug, en daarmee is het ijs gebroken.
Steve toont zijn restaurant. Een vreetschuur aan de Lincoln Highway in het gehucht Ronks met een buffet, een buffet en nog een buffet. Rond lunchtijd zitten alle zalen vol.
Wanneer de schalen leeg en de magen vol zijn, en de gasten met bolle buiken naar hun auto's afdruipen, gaan we foto's maken.
“Wat hebben jullie in gedachten”, vraagt Steve.
We vertellen dat we graag een handvol typische Dutch-streekgerechten willen fotograferen, een portret van hem maken en evenzo met hem babbelen.
“Eerst het eten”, zegt Steve.
We bestuderen de menukaart en kiezen voor de rode bieten eieren in het zuur, Miller's own chocoladepecantaart, de shoo-fly pie, sticky buns, chow-chow en kippensoep met maïs.
Steve knikt, knikt nog eens en verdwijnt.
Intussen verzamelt zich een groepje nieuwsgierigen in de zaal. Uitgeserveerde serveersters en stevige jongens in jeans met geruite overhemden, met in hun kielzog nog steviger jongens met baarden, snorren en bovenarmen als staalkabels.
We zoeken een tafeltje nabij het raam.
Rob pakt zijn camera, ik ontpak mijn rugzak die bol staat van servetten, borden, bestekjes en ander stylingspul waarvan ik alvast enkele setjes maak.
De serveersters beginnen te giebelen.
De mannen met staalkabels stoten elkaar lacherig aan.
Ik voel hun ogen en kijk afwachtend terug.
Zij staren naar mij alsof zij George W. zien tongzoenen met Donald Rumsfeld.
Ik schud mijn hoofd en ga verder met het zoeken naar de juiste combinatie van kleuren en serviezen.
Een meisje komt nieuwsgierig dichterbij.
Zij is door de groep als boodschapper vooruit gestuurd zoals cowboys vroeger een verkenner naar mogelijk vijandige indianen stuurde.
Zij heeft blond haar, grote borsten, rode konen en kijkt onnozel.
Amy heet zij.
Ik ben in God's own country.
“Wat ik doe”, vraagt zij. “Is dit je werk.”
Ik vertel haar dat ik journalist ben, uit Amsterdam kom en een artikel schrijf over de Pennsylvania Dutch keuken voor een culinair tijdschrift in Nederland.
“Maar die bordjes enzo dan?”
“Die helpen de fotograaf de foto nog mooier te maken”, antwoord ik. “Zeg nou zelf, zomaar op een te groot bord en een hagelwit gekreukt tafellaken een shoo-fly pie fotograferen, nee, ik probeer een zo mooi mogelijk sfeerplaatje te creëren dat het gerecht nog lekkerder maakt.”
Ik voel dat er nog een vraag brandt op haar lippen.
Maar ik moet aan de slag.
De chocoladepecantaart staat te popelen voor de camera.
Dus doen we ons ding.
Rob zucht, peinst en klikt. Ik help met een opvouwbaar lichtdoek, dartel om tafels en presenteer het ene gestylede plaatje na het andere, waarbij ik wuft draai met mijn billen en af en toe knipoog naar de staalkabels.
Drie kwartier later zijn alle gerechten vastgelegd.
Rob pakt zijn camera in, ik hervul mijn rugzak.
De mannen met staalkabels en schortloze serveersters wachten in de hal.
We zien het gezicht van Steve om de hoek van de keuken steken.
Zijn mond staat in de zenuwstand.
Een van de staalkabels staat voor hem met een boek te zwaaien.
“God nee”, zegt Rob, 'het is een bijbel.”
Ik besluit Steve te verlossen.
"Kom", gebaar ik. "Het is tijd voor het interview. Zullen we daarvoor een donker hoekje opzoeken.”
Ik hoor Steve slikken.
Hij neemt plaats aan de bar, praat snel en ongeduldig.
Na afloop van het gesprek en de fotoserie durft hij ons nauwelijks nog de hand te schudden.
“Ik plak je foto boven mijn bed Steve”, zeg ik plagerig. “Naast je lekkere pecanpie.”
En dan rennen we hard naar buiten.
Pas in de trein terug naar Philadelphia durven we te schateren van het lachen.
Dutch heeft in Miller's Smorgasbord eindelijk betekenis gekregen.

[kader]
Voor wie trekt heeft: www.millerssmorgasbord.com

Bieren in Branxton

Hunter Valley in New South Wales is Sydney's antwoord op Stellenbosch en Nappa Valley. Al dat gewals en geneus in glazen Shiraz en Semillon maakt dorstig. En dan heb je zin in Tooheys. Uit New South Wales.

> type="application/x-shockwave-flash" wmode="transparent" width="425" height="350">

'We have two cemeteries, no hospital'.
Zegt het bord van de Branxton Lions Club als je het dorpje binnenrijdt.
Welkom in Branxton, New South Wales.
We zijn de afgelopen dagen op wijnbezoek geweest in de Hunter Valley. Sydney's antwoord op Stellenbosch en Nappa Valley. In de Australische wijnvallei maken ze geen Dolly Parton wijn, maar elegante glaasjes Shiraz en Semillon met diepte. Leerden enkele proefrondjes bij de wineries Brokenwood, Tyrrell's en McWilliams. En van al dat walsen, neuzen, proeven en spugen krijg je dorst, echte dorst. Dus zijn we op zoek naar een bar om bier te drinken.
Die vinden we in Branxton. Aan de New England Highway tussen Maitland en Singleton.
Royal Federal Hotel staat op de gevel.
Bars heten in Australië geen bars maar hotels. Heeft iets met vergunningen en vroeger te maken.
Het Royal Federal Hotel is van hout en oud.
Een deur leidt naar eten en een deur naar drinken.
Die tweede doen wij open.
Als we de bar inlopen, draait iedereen binnen zich naar ons om.
“Oi mates”, probeert fotograaf Rob.
“Oi mates”, herhaal ik.
We gaan zitten aan de U-vormige toog, rijkelijk belegd met groene barhanddoekjes en observeren het barmenu: Victoria Bitter, Tooheys en Hahn's.
We bestellen twee pints Victoria.
De mannen draaien zich weer om naar de televisie of naar hun glas. Wij proosten en kijken recht voor ons uit.
Pas na een kwartiertje durven we een beetje om ons heen te turen. Het plafond is groen, de oudroze muren zijn beplakt met posters, foto's, sportvaandels en uitslagenborden van de Greta-Branxton Senior Soccer Club en Greta-Brantxon Cricket Club.
De mannen zitten tegenover elkaar en zeggen niks. Af en toe graaien ze in een zakje chips of lopen ze naar de bar voor een volgende ronde. Anderen staren met open mond naar een televisie met paardenraces. Op een tweede scherm is een wedstrijd uit de Australia Rugby League.
We bestellen een amber bier.
"The two boys are already on the browns”, horen we ineens iemand roepen.
We draaien ons om en zien een man van honderd en nog wat kilo's op ons afkomen. Zijn handen veegt hij af aan zijn broek, uit zijn mond loopt een bierstraaltje.
We kijken snel naar de dichtstbijzijnde uitgang.
Te laat.
Hij stelt zich voor als Terry.
Die man in de overall verderop is zijn vriend Chickenmeat. Die bijnaam heeft hij gekregen omdat hij van 500 meter afstand al het gewicht van een kip kan raden. Hij was jarenlang kippenslachter en heeft daarvan nog steeds zweetplekken in zijn oksels.
Die stille in de hoek, dat is Scooner. Elke dag tussen negen en zes tikt hij zo'n dertig scooner-glazen weg. Daarna gaat hij naar huis. Niet zonder onderweg een fles whisky te kopen.
“Weten jullie waarom ze Terry de Maltezer noemen”, zegt Chickenmeat.
“O, kom op”, blaast Terry, “niet dat verhaal weer.”
Toch wel.
“Zijn vader komt uit Malta en gooide hem vlak voordat de veerboot bij de douane in Sydney arriveerde over boord, omdat hij te veel kinderen had. Bij de paspoortcontrole kwam hij zijn vader weer tegen en toen mocht hij bij het gezin blijven.”
Niemand lacht, behalve Chickenmeat.
Zijn adem ruikt naar rottend vlees. Waarschijnlijk heeft hij die middag in een rauwe kippennek gebeten. Of zijn gebit telt enkel rotte Maltezer kiezen.
We besluiten tot een rondje browns. Daarmee sla je down-under bruggen. En omdat we echte kerels zijn, bestellen we 'a black' Tooheys. Want dat willen Chickenmeat en Maltezer wel eens zien. Dutchies die achter elkaar van wit en bruin naar zwart gaan.
Scooner houdt het op een scooner met lager. Ook met hem zijn we mates voor het leven, terwijl Terry ons bijpraat over paardenraces en de veertien rugbyteam vaandels aan de bar. Die representeren alle teams uit de National League. De Sea Eagles uit Manly, Roosters en Wests Tigers uit Sydney, Knights uit Newcastle, Panthers uit Penrith en Broncos uit Brisbane.
Voor de Warriors hangt een schapenkont.
Dom als we zijn, vragen we waarom.
Terry lacht: “Omdat die fucking Warriors uit Nieuw Zeeland komen natuurlijk, en je weet toch wat ze daar met schapen doen.”
Chickenmeat leidt ons langs de vaandels.
Die hangen niet in willekeurige volgorde, maar naar de laatste competitiestand. Bij de deur begint het tweede rijtje. Elke ochtend na een wedstrijdronde verhangt Scooner de vaandels.
Scooner, twee meter lang, twee meter breed rondom zijn heupen, ruim 200 kilo op een stoel in de Royal Federal Hotel, het moet een geweldig gezicht zijn.
Dan wordt het tijd om te gaan.
Chickenmeat, Terry en Scooner schudden handen. Als we naar buiten lopen, krijgen we een knipoog van de barmanvrouw toe.
“Hèhè”, zegt Rob. “Dat was lekker.”
Zijn boer klinkt als een vreugdekreetje.
Die van mij ook.
En allebei hebben we trek.
Aan de overkant van de straat zit een Chinees. Ook in Branxton. Voor take a way en direct opeten.
We besluiten tot direct opeten, en wachten geduldig op onze bestellingen.
Bij de Chinees is het een komen en gaan van klanten.
De deur blijft open, en dan pas ook voelen we de Australische winter. Gelukkig veroorzaken de Chuan La Niew Shi en La Zhi Yuk bij ons kleine binnenbrandjes. Erbij klokken we twee blikjes Tooheys News weg. Ook uit New South Wales, lezen we.
Dan zien we buiten een bekende.
Het is Scooner.
In zijn hand houdt hij een plastic tasje met een fles.
Whisky, weten we.
Hij ziet ons, groet de Chinees en gaat naar binnen.
“Ik hou niet van Chinees”, zegt hij. “Daarbij vertrouw ik Ken niet, hè Ken, jij stopt toch dode ratten in je eten?”
De Chinees heet Ken.
En Ken lacht.
“Je vergeet de dode muizen Scooner”, antwoordt Ken.
Het Chinese meisje dat Ken helpt, doet een voorzichtig giebeltje.
“Doe maar een sixpack Ken, maar geen fucking Fosters.”
Ken haalt een sixpack Tooheys uit de koelkast en zet dat op de toonbank.
“Ik ga thuis eten, bij de Misses”, zegt Scooner.
Zijn ogen en mondhoeken hangen in de lodderstand.
Bij zijn fles Ballantines stopt hij twee blikjes. Een ervan leegt hij ter plekke, de andere twee houdt hij in zijn hand.
“Two for the road.”
En dan verdwijnt Scooner in de nacht. Om morgenvroeg weer naar de Royal Federal Hotel terug te keren.
'Two cemeteries no hospital.'
Waar heb je ook een ziekenhuis voor nodig als je de Royal Federal Hotel hebt.
Welkom in Branxton, New South Wales.

Limburgs kloostervarken

Adresjes

Livarsnip.jpg
foto: robvandervet.nl

Elf maanden mogen ze scharrelen in de tuinen van een Limburgs cisterciënzerklooster. Daar proeven ze dagelijks de zegeningen van biologisch abdijgraan. En dat geeft ze dikkere hammen en meer smaak. Het rijke roomse leven van Livar-varkens.

Knor knor.
We zijn in Limburg.
In Abdij Lilbosch in Pey, nabij Echt.
Niet om nieuwjaarszegeningen te ondergaan, maar om een reportage te maken over varkens, Livar-varkens.
Livar is een afko voor Limburgs varken, en die knorpotten worden gehouden door cisteriënzer kloosterlingen.
Alle mogen elf maanden scharrelend op smaak komen, voordat ze een ererondje maken naar het slachthuis, gevoed door biologisch graan. Van dat graan verbouwen de trappistenmonniken jaarlijks maar liefst 50 duizend kilo, en dat geeft de varkens 85 tot 90 procent meer vet tussen de spieren.
Voor wie dat niet weet: vet geeft smaak aan vlees. Hoe meer dooraderd en gemarmerd, hoe smakelijker. Zoals een lapje van het Pata Negra-varken of het Japanse Wagyu-rund.
“Met een gewicht tussen de 110 en 120 kilo zijn de Livar-varkens behoorlijk zwaarder en groter dan varkens uit de bio-industrie", aldus Frans de Rond.
Frans is zelf geen broeder, maar geldt als spreekbuis van het Livar-varken.
“Ik speelde als kind op de abdij en was er misdienaar.”
Ook heeft Frans op ruikafstand van het klooster een varkensboerderij waar de lauden en vespers gelden van de bio-industrie. Hij weet: zijn varkens komen door misstanden, varkensverzetstrijders en varkenspest steeds vaker beroerd in het nieuws. En echt smakelijk is zijn varkensbatterijvlees niet.
Moderne varkenrassen hebben nou eenmaal nauwelijks vet op de botten, maar dat wilden consumenten jarenlang: mager en daarmee smaakloos varkensvlees van de kiloknaller.
Een groeiende groep consumenten heeft daarin steeds minder trek, merkte Frans. Waar anderen alsmaar luider vragen om biologisch en scharrel.
Op die trend moest hij inspringen, voordat hij misschien zijn 'vleesfabriek' wegens gebrek aan belangstelling kon sluiten.
Dus bedacht hij met vier andere varkensboeren een nieuw varken, geboetseerd uit oude landrassen met wel voldoende smaak op de botten. Oftewel een combi van de British Saddleback uit Essex en Schwäbisch-Hällische Schwein uit Zuid-Duitsland
Veel Limburgs is daar niet aan. Behalve dat het varken mag scharrelen in een Limburgs klooster en knagen aan Limburgs graan, en het dier een ideetje is van Limburgse varkensboeren.
Het Livar-varken is een marketingbeest dus eigenlijk, en zeg nou zelf, zo'n klooster is natuurlijk een lekker pr-instrument.
Maar pr-gevoel heeft Frans niet, integendeel.
Want fotograaf Rob mag wel fotograferen, maar dan alleen varkens. Hij moet met zijn camera van habijten en kloosterparafernalia afblijven. Terwijl het daar in het Livar-verhaal juist allemaal om draait.
Ook op andere scharrelboerderijen lopen Livar-knorpotten rond, maar daar zijn geen trapisten en kapellen in de buurt, en dat plaatje kiekt natuurlijk beduidend minder.
Dat de monniken in hun dagelijkse ora et labora niet door klikkend Nikon willen worden gestoord, begrijpen we heus wel, maar waarom die hysterie.
“Jezus man, we zijn echt in Limburg. Waarom hoort dit deel eigenlijk bij Nederland. Omdat we Maastricht allemaal zo leuk moeten vinden?”
Even ingrijpen, besluit ik.
Rob is de liefste fotograaf die ik ken, maar hij woont misschien een beetje te lang in Amsterdam. Hij was tevens een tijdje bankzitter bij de F-side, en dat heeft zijn oog misschien ietwat vertroebeld.
Ik besluit Frans af te leiden.
Ik spreek zinnen Limburgs dialect en dat schept vast een mondje vertrouwen, terwijl Rob broeder Johannes vraagt te poseren.
Als Frans het een-tweetje tussen broeder Johannes en Rob ziet, knort hij misnoegd.
Boeder Johannes kijkt breed lachend naar de Nikon van Rob terug.
Hij wil nog een extra kiekje voor thuis.
Hoezo niet op de foto willen.
Rob: “Wat voor domme varkensboer is die Frans. Ik ben verdomme geen toerist, maar sta nota bene reclame te maken voor die kutkarbonades van hem. Dit is mijn werk.”
Rob zijn hanglip heeft bretels nodig. Zijn maag Livar-vlees.
Zeker, de worsten, karbo's en Livarlapjes proeven goed.
Het vlees heeft de smaakvolle bite van vroeger, en geeft je dezelfde sensatie als wanneer je voor het eerst een Bressekip in plaats van een AH-kuiken proeft.
Maar goddelijk kan het niet meer worden.
Daarvoor heeft Frans de dag onvoldoende gezegend.
Smaakrijke kloostervarkens moet je nou eenmaal voeden.
Met gepast gezang.

[kader]
Zin om te logeren tussen de kloostervarkens? Of wil je je in alle abdijeenvoud bezinnen? Boek dan één van de zeven 1 of 2- tweepersoonskamers van de cisterciënzerabdij Lilbosch. Wel tijdig reserveren. Prijs per dag 18 euro. Studenten betalen 12 euro. Vegetarische maaltijden inbegrepen. Voor informatie of reserveringen? Neem contact met broeder Johannes. Tel: 0475-481253. Dagelijks van 10.00 tot 11.00; 14.00 tot 16.00; en 19.00 tot 20.00 uur. Vloor vleeshappers: www.livar.nl.

Sara met bubbels

proseccosnip.jpg
Foto: robvandervet.nl

Rondom Valdobbiadene in Noord-Italië groeien druiven voor de allerzachtste Prosecco. Dat vraagt om een bezoekje, juist tijdens de meest bubbeltjeswijnrijke tijd van het jaar. Niet alleen goed voor sprankelingen in de buik, maar ook in het hoofd. Blijkt.

Daar stond zij.
Felblauwe ogen, betoverende Prodent-lach, diepzwarte wenkbrauwbogen en krullend donkerbruin lang haar.
Mooi.
Sara heette zij en ik geloofde haar vanaf haar eerste hallo. Zolang ze maar bleef praten met haar stem, haar zware doorrookte stem, die alle haartjes op mijn armen deden opveren en blijvend lieten gymnastieken.
Zij werkte als pr-manager bij een Italiaans schoenenmerk. Wij waren met een groepje journalisten overgekomen om een portret van haar baas te maken. Een van de rijkste tien mijnheren van het land.
Interessanter: hij was gelieerd aan een groot wijnhuis met een 17e eeuwse Palladiaanse villa.
Die villa was voor fotograaf Rob, Sara was voor mij.
Zij zorgde ervoor dat van het fotogenieke huis geen deur gesloten bleef. Vertelde over de geschiedenis, over de herkomst van al het Venetiaanse glas dat aan verschillende plafonds bungelde, en over de nukken en eigenaardigheden van haar baas.
Sara kreeg het er warm van.
Toen zij haar jas uitdeed, sprongen twee borstjes mij even vreugdevol als uitdagend tegemoet.
Ik schrok van de gretigheid van mijn ogen.
Gelukkig had zij niks gemerkt.
Rob wel. Getuige de grijns waarmee hij achter zijn camera verdween.
Villa Sandi heette het wijnhuis.
We proefden blends van cabernet franc en merlot, pinot bianco en chardonnay, maar waren vooral onder de indruk van de bubbeltjeswijnen. Spumante, frizzante en vooral prosecco. Romig zacht, en voorzien van een klein sprankeltje en de geur van appeltjes.
Ik vertelde de gastheer dat prosecco in Nederland uitgroeide tot een horecahit. Dat obers in sommige Italiaanse restaurants de bellini's amper nog konden dragen.
Het imponeerde niet.
De man vertelde onverstoord verder over Valdobbiadene, iets verderop, waar de beste proseccodruiven van het land groeiden, en riedelde nog wat standaardriedeltjes.
Ik dacht aan Sara.
Zij zou ons de volgende dag door de donkere kelders van het wijnhuis rondleiden.
Ik verwachtte dat in haar voorbijgaan alle flessen spumante spontaan zouden openspringen.
Gedachten aan Sara gaven bubbeltjes in mijn buik en schoten mijn fantasie op hol.
's Avonds wachtte een groots Italiaans diner rijkelijk besprenkeld met spumante, cabernet franc en grappa. Terug op onze hotelkamer vonden we flessen Prosecco D.O.C. Spumante Cuvée. Het visitekaartje van het huis.
Omdat je tegenwoordig niet langer vloeibaar van buiten de tax-free in vliegtuigen mag meenemen, besloten we de flessen direct op te drinken. Op het balkon met uitzicht over de Dolemieten en een dal waar de lichtjes pas de volgende ochtend uitgingen.
Ik sliep onrustig. Droomde over een zee vol prosecco en een blote Sara die me lachend tegemoet sprankelde.
Een paar uur later werd ik wakker met een flinke kater.
Ook een stevig ontbijt en vier Fisherman's Friends konden de nacht niet uit mijn adem verjagen.
Sara wachtte ons op in de receptie van het wijnhuis. Zij was helemaal in het zwart en haar stem klonk nog zwaarder. Zij was met vriendinnen gaan stappen in Treviso. Een paar uur had zij geslapen, maar wat zag zij er weer mooi uit.
Ik slikte mijn keel droog.
“Dat weinig slapen staat je goed, je ziet er echt fantastisch uit”, probeerde ik. “Wanneer ga je weer laat slapen?”
Sara lachte opnieuw haar mooiste lach en excuseerde zich.
Ze wilde even haar neus poederen.
Wellicht had ik een verkeerde snaar geraakt.
“Hou nou eens op naar haar tieten te staren”, zei Rob. “En neem in godsnaam nog een Fisherman's Friend. Je meurt uit al je gaten naar alcohol.”
Even later liepen we langs rijen flessen, die in een nauw en laag gangenstelsel onder de villa lagen opgeslagen. 1,5 kilometer lang.
Voor sommigen hingen bordjes van restaurants in New York, Tokio en Rome. Een speciale hoek was voor het Vaticaan. Maar spontaan leeg spuiten deden de flessen in haar voorbijgaan niet.
Ik sprong in iedere zucht van haar open en zij bleef vertellen. Over haar werk, over haar gedoetjes en over haar haar.
Ik begreep dat zij 's middags met Chinese journalisten een bijeenkomst had met haar baas en dat zij met Oud & Nieuw naar Madrid wilde. Ik luisterde, kwam met tips over de Spaanse hoofdstad en bleef Fisherman's Friend slikken totdat het doosje leeg was.
En toen moest zij gaan.
Ik probeerde geen beteuterd gezicht te trekken.
“We gaan zo lunchen. Waarom kom je niet mee”, opperde ik.
“De Chinezen”, antwoordde zij.
“De Chinezen”, herhaalde ik.
En zo stonden we zwijgend tegenover elkaar. Met een Chinese muur tussen ons in.
Ik besloot de stenen muur te doorbreken en gaf haar een kus.
Sara lachte voor het eerst verlegen.
“De Chinezen”, zei ik.
“Ja, de Chinezen.”
En toen kuste zij mij, vol op mijn mond.
Belletjes prosecco dartelden door mijn buik naar mijn hoofd omhoog.
Daar bubbelen zij nog steeds.
Prosecco wordt inderdaad een hit.
Prosecco met de Italiaanse zachtheid van Sara.
Veel bruizend geluk allemaal in 2007.

RaraRadicchio

snipshot_94mv5emsoc9.jpg

Het is december. Dus daar komen ze. Vanuit de donkerste kelders en schuren. Gegrild, gebakken, gefrituurd of gevuld. Dan wel verwerkt in salades, pasta's en risotto's. Radicchio: de nationale groente van Treviso.

Beppe woont nabij Asolo en teelt radicchio.
En wij mogen op zijn erf meekijken.
Wij zijn een select groepje journalisten uit Nederland en Vlaanderen.
Beppe observeert ons en vraagt na een tijdje aan mijn Vlaamse collega's of ze Belgisch zijn.
Beiden kijken hem stupéfait aan.
Een Italiaanse radicchioteler die Vlaams herkent, dat is bijkans hetzelfde als een Madagask die Fries verstaat.
“U herkent Vlaams, wat knap”, verbouweert de Vlaamse in stotter-Italiaans.
“Weten jullie dat dan niet”, zegt Beppe, en hij glimt er Italiaans-trots bij. “Onze radicchio is een Belgische vinding. Aan jullie hebben we ons symbool van Treviso te danken. En nee hoor, natuurlijk wist ik niet of jullie uit België kwamen. Die vraag stel ik aan iedere niet-Italiaan die ik tegenkom."
Dan start hij het verhaal over de Belgische landbouwkundige Francesco van den Borre, die in 1859 de teelttechnieken van Brussels lof losliet op de loofvariaties in de provincie Treviso. Daar groeide vooral radicchio. Dus telen ze daar sindsdien radicchio op z'n Francesco's.
Een intensief werkje: “Wij zaaien de groenten in april. Zes weken later poten we de radicchio uit en binden we de kroppen dicht zodat er geen licht in het hart van de plant kan komen en deze licht van kleur blijft. Vervolgens gaat die opnieuw in de grond.”
In de herfst graaft Beppe de radicchio uit en stopt de groente in bakken, die hij in waterkuipen in een donkere kamer zet. Voordat hij de radicchio in december verkoopt, haalt hij de buitenste bladeren eraf.
"Wat je ziet, is aldus geen volledige slakrop, maar alleen het langwerpige zachte hart. Violet tot paarsrood van kleur. En bitter van smaak."
Duidelijk, knikken we.
Maar Beppe doceert olijk verder. Rept over variaties en nog meer variaties waarvan de beste twee een beschermde IGP-status dragen. Een Indicazione Geografica Protetta. Dat betekent dat ze alleen Radicchio di Treviso mogen heten als ze daar ook echt vandaan komen. Want alleen in dat geval ben je verzekerd van een bittere groente die een volwaardiger culinair leven krijgt dan enkel als decoratief blaadje voor door de sla.
In Treviso vind je de groente dan ook als volwaardige groente naast je hoofdgerecht. Gefrituurd, gebakken, gevuld of, het allerlekkerst, gegrild. Anders is die verwerkt in insalata's, strudels, pasta's of risotto's.
Zo ook in Asolo. Een heerlijk heuveldorpje aan de voet van Monte Grappa dat je qua look en feel eerder in de Abruzzen of Toscane zou verwachten. De middeleeuwse straatjes en zuilenrijen slingeren ons via frescorijke gevels en de burcht 'La Rocca' naar Hosteria Ca'derton waar Nino en Antonietta al jarenlang fornuis en zaal bestieren. Aangevuld door hun drie zonen waarvan Enrico het best Engels gebekt is.
Hij belooft ons een avond vol regionale specialiteiten, zegt hij.
In zijn hand flessen wijn en grote glazen die eerst aan elkaar dienen te wennen, zegt hij. Want de Zonta 2004, Vignetto Due Santi, 100 procent cabernet franc uit Bassano del Grappa, een tiental kilometers verderop, die hij voor ons heeft uitgezocht, o nee, als je daarvan direct een plons in het glas zou schenken, daar zouden zowel wijn als glas van kunnen schrikken. Daarom doet hij eerst een bodempje in elk glas, dat hij als een dirigent door het kristal laat walsen.
Aanstellerij, oordeelt de ene helft van de tafel.
Italiaanse toestanden, vindt de andere.
Old skool sommelier, grapt Enrico zelf.
Vinologische machismo of ouderwets wijntheater, de houtgelagerde wijn is fantastisch. Dieprood van kleur, bessen met morieltjes en andere paddestoelgeuren in de neus, en toch iets mineraligs in de mond.
En dan volgt het menu, in volgorde van opkomst: fagottino, bladerdeeg gevuld met radicchio, rucola en buffelmozzarella; ravioli gevuld met eend en radicchio; en 24 uur gestoofde kalfswangen met polenta en radicchio.
We zijn sprakeloos.
In elk gerecht steeds weer een samenspel van zoet en bitter, een verslavende pas de deux die je met Hollandse groenten amper nog kunt dansen. Hoeveel enthousiasmerende golfjes cabernet franc je daar ook bij giet.
Beppe zei het al. “Bitter is een van de basissmaken van het leven. Italianen houden van bitter, en bitter houdt van Italië. Kijk maar naar onze geschiedenis. Zonder zou ons land ook wel erg flauw smaken.”
Nederland houdt niet van bitter. Wel van zoet na zuur.
Eens kijken hoe we de radicchio langs immer bitter kijkende douaniers kunnen krijgen.

[kader]
Hosteria Ca'derton in Asolo. www.caderton.com. Ook proberen in de streek: Locanda Sandi in Valdobbiadene (www.villasandi.it) en Ristorante Casa Brusada in Crocetta del Montello: www.ristorantecasabrusada.com

Het ei van Aruba, slot

eiregatta.jpg

Als food & travel journalist kun je onmogelijk al je reizen zelf betalen. Daarvoor leun je op de schouders van pr-bureaus, die in ruil voor hopelijk een fijn verhaal dolgraag je reis- en verblijfkosten betalen. Ook helpen ze je waar nodig, denk je. Nou mooi niet. Merkte Mr. Global onlangs opnieuw op Aruba. Over verkeerde vliegtickets, schofferende pr-directeuren, merkwaardige uitsmijters en andere vieze luchtjes. De apotheose.

Twee dagen Aruba. Dan wil je geen gedoe aan je hoofd en gewoon je werk doen. Maar dat mocht niet van het pr-bureau dat de reis voor ons had georganiseerd. Onze 48 uur op de Antillen zaten vol met ruis.
Van alles ging er mis. Van de communicatie naar het hotel tot onze vliegtickets waarvan de datum en tijd van de terugvlucht niet klopten. Dat laatste zagen we al aankomen voordat we vertrokken, maar het pr-bureau bleef volhouden dat er met de e-tickets niks aan de hand was. Zelfs toen iedereen op Aruba het tegendeel beweerde.
Dus schreven we na thuiskomst een briefje. Want hoe was het toch mogelijk dat we verkeerde e-tickets hadden gekregen en dat iedereen op het pr-bureau bleef volhouden dat vertrekdata en -tijd wel klopten.
De directeur belde snel terug.
Er zat een geïrriteerde brom in zijn stem. Na een korte warming-up barste die open in een vulkanische tirade.
Waar ik het lef vandaan haalden hem zo'n mail te sturen. Dat verkeerde e-ticket was zijn schuld niet. Hij had dat pas vrijdagmiddag laat gekregen, en verdorie, konden we dan zelf die gegevens niet controleren?
“Ik ga toch ook niet vragen of jullie paspoort niet verlopen is”, brieste hij.
“Maar”, probeerde ik op kalmerende toon, “ik heb toch direct na ontvangst gezegd dat de vluchtgegevens niet klopten. Uzelf beweerde het tegendeel.”
“Ik heb dat nooit beweerd, bovendien, dat gedoe van jullie ook. Wie gaat er dan ook twee dagen naar Aruba.”
“We wilden langer blijven voor een andere reportage, zoals U weet, maar dat kon Uw bureau ondanks een eerdere toezegging niet organiseren.”
“Ach man, vanaf het begin liepen jullie al moeilijk te doen. Dan wilden jullie zaterdag weg, dan konden jullie zondag niet weg, vanwege een verjaardag van je dochter.”
“Sorry, maar wat heeft mijn dochter met verkeerde e-tickets te maken.”
De pr-directeur was niet te houden. Draaide door in zijn monomane geraas, met als topnoot een serie dreigementen voordat hij de telefoon op de haak knalde.
15 minuten later wist ik nog altijd niks te zeggen. Ik was verbaal groggy geslagen en letterlijk overdonderd door dit wonderlijke staaltje van pr.
Een kopje espresso, besloot ik.
En nog een.
Met een handjevol Celebrations.
Pas na een overdosis mini-Bounty's en ander chocoladerijk zoet kwam ik bij zinnen.
Had ik echt gesproken met een pr-directeur of een dronken bootwerker.
Fotograaf Rob belde de bootwerker een dag later.
Hij kreeg ook de volle laag in plaats van een excuus.
“Als ik zo'n mail krijg, dan komt het nooit meer goed”, herstartte de directeur. “Jullie staan bij mij op de zwarte lijst.”
Jammerend: “Ik heb al die voorgaande keren nooit een keer een compliment gehad.”
Om te eindigen: “Voor jullie tientallen anderen.”
De pr-directeur kende de do's en dont's van het Handboek PR & Voorlichting uit zijn hoofd.
Ik ben evenwel een optimist met een lange adem.
Nog een keer proberen.
Ik schreef een brief. Met onder meer het verzoek de telefoon 'zeer spoedig' op te nemen. 'Al was het enkel om de onprettige smaak van de afschuwelijke toon' van enkele dagen eerder 'heel snel te vergeten'.
Geen antwoord.
Zelfs na bijna een maand geen antwoord.
Ik bleef met een naar gevoel zitten. De secretaris van TourPRess, de Vereniging van toeristisch journalisten en persvoorlichters, schrok zich een hoedje over de handelwijze van de pr-directeur. Er vielen woorden als 'schofferend', 'schandalig' en 'ongekend onbehoorlijk', en dat waren nog de meest diplomatieke omschrijvingen. Evenzo van collega journalisten.
Want natuurlijk was het bureau verantwoordelijk voor wat was gebeurd.
Bij dat bureau zelf waren ze de enigen die daar anders over dachten. Net zoals over de juistheid van het e-ticket.
De rotte geur van eieren is erdoor niet verdwenen, sterker, die komt steeds naar boven als ik aan Aruba denk.
Aruba. Een eiland met een luchtje.
Een kwestie van goede pr.

Het ei van Aruba, deel II

SnipIJ.jpg

Als food & travel journalist kun je onmogelijk al je reizen zelf betalen. Daarvoor leun je op de schouders van pr-bureaus, die in ruil voor hopelijk een fijn verhaal dolgraag je reis- en verblijfkosten betalen. Ook helpen ze je waar nodig, denk je. Nou mooi niet. Merkte Mr. Global onlangs opnieuw op Aruba. Over verkeerde vliegtickets, schofferende pr-directeuren, merkwaardige uitsmijters en andere vieze luchtjes.

Twee dagen Aruba.
Dan wil je geen gelazer aan je hoofd en gewoon zonder ruis je werk kunnen doen.
Fotograaf Rob en ik moesten een reportage maken over de Heineken Aruba Regatta voor een glossytijdschrift. Het pr-bureau had de e-tickets geregeld incluis een hotel en ontvangst ter plekke.
Dat was mooi.
Net zoals het meisje van Aruba Tourism dat ons in een Japanse pick-up opwachtte.
“Bonbini”, zei ze.
We bonbinieden terug.
Maar die tickets, nee, dat voelde al ruim enkele dagen voor vertrek niet bonbini.
De afspraak met het organiseerde pr-bureau was duidelijk. Maandag heen, woensdag terug. Opdat we donderdag weer in Amsterdam landden. In verband met opdrachten de volgende dag.
Voor Rob wachtte een fotoshoot met een styliste en foodstyliste. Bij mij lag een deadline voor een food & travel-reportage uit Wales.
Ons e-ticket vertelde evenwel dat we pas donderdagavond 22.35 uur zouden vertrekken.
Vreemd. Ondanks al die voorbereiding en toezeggingen vooraf.
“Van de tijden op dat e-ticket moeten jullie je niks aantrekken hoor,” guitte een meisje van het pr-bureau. “Die verwarring komt door het tijdsverschil. Jullie vertrekken echt woensdagavond 22.35 uur.”
Dat heb je dus maar te geloven. Het pr-bureau organiseerde de trip en hoorde te weten waarover het sprak. Bovendien: een pr-bureau gespecialiseerd in reis-pr zou niet zo'n kinderlijk domme fout maken door verkeerde e-tickets voor je regelen, toch?
Niettemin, nog één keer checken. Om met een goed gevoel op reis te gaan. Ik kende het bureau dat ons wegzond en daarmee eindverantwoordelijk voor de organisatie was; ik was een aantal keren eerder door hen op pad gestuurd, en toen had het evenzo enkele organisatorische slippertjes gemaakt. Maar tickets met verkeerde data en tijden, zo idioot had ik het in mijn 16 journalistieke jaren nimmer meegemaakt. En dat zou ook niet gebeuren, want het was de directeur zelf die per mail bevestigde dat de tickets klopten.
“Goede reis, geniet van Aruba”, zei hij.
Aldus schoot Rob ontspannen mooie plaatjes en schoot ik fraaie quotes op het strand.
Na een dag rennen en zweten waren we klaar.
Dus mochten we los tijdens het Happy Hour, staarden we met een stapel blikjes over de donkere Caribische Oceaan en vulden onze magen met een beachbuffet.
Na afloop kletsten we na met de organisator van de regattarace.
“Wanneer vertrekken jullie eigenlijk”, vroeg hij. “Jullie blijven wel heel kort op het eiland. Geen zin in een paar daagjes vakantie nog?”
Nee, schuddebolde Rob. Te druk. En onze KLM-vlucht vertrok de volgende avond 22.35 uur.
De regattaraceman keek ons bevreemd aan. Er kwam ook een geamuseerde twinkeling in zijn ogen.
“Gek”, zei hij, “KLM-vluchten op woensdag vertrekken al jaren rond zes uur. Op donderdag gaan ze wel om 22.35 uur.”
Misschien moesten we nog eens onze gastheer raadplegen?
Ik verslikte me in een caipirinha.
Het zou toch niet waar zijn.
Rob kreeg pareltjes op zijn voorhoofd en begon te stomen.
De hele dag 30 graden begon zijn tol te eisen.
Even later werden we opgepikt door het knappe Aruba Toerism-meisje.
Ook zij kon Rob niet verkoelen.
“Ja”, schaapte het Bonbini-ding. “Nu jullie er toch over beginnen: ik vond die tickets ook al vreemd. Want de vliegtuigen vertrekken op woensdagavond normaal altijd rond zessen en donderdagavond rond half elf.”
Ik zag een tsunami van vloeken door de gedachten van Rob aanzwellen.
Aangekomen in het hotel -het was drie uur 's nachts in Nederland- sprong ik direct achter een computer en verstuurde een zoveelste mailtje naar het Nederlandse pr-bureau om nogmaals mijn ongerustheid over de juistheid van de e-tickets uit te spreken.
Kon ik daarover worden gebeld? We vertrokken de volgende dag. En omdat de internetverbinding in het hotel niet altijd werkte, was het misschien beter mij te bellen.
Het telefoontje kwam niet. En gerust slapen deden we ook niet.
Gelukkig was er geen klink in de ADSL-kabel en opende ik mijn mailbox.
Erin een bericht van het pr-bureau, en ja hoor, opnieuw de bevestiging dat de vliegtijden en -data van het e-ticket klopten.
Nog een mailtje van mij dan, vooruit, want voor ons lag een bootje klaar dat ons naar een mini-eilandje zou varen en niet eerder dan vijf uur 's terug brengen. Voor de zogenaamde vlucht van 22.35 uur.
Toen alsnog een telefoontje.
De tickets klopten inderdaad niet.
De tsunami in Rob zette zich om in een supergestreste tropische tyfoon.
Het Bonbini-ding voelde de storm aankomen en reed ons onmiddellijk naar het KLM-kantoor.
Rob was veranderd in een snelkookpan.
Ik schudde verdrietig mijn hoofd.
Verkeerde tickets: hoe kreeg het pr-bureau dat voor elkaar. Als we niet een dankjewel-borrel met de regattaman hadden gedronken, hadden we die avond met onze koffers voor een lege gate gestaan. En het was maar de vraag wanneer we weer terug konden vliegen.
Meevallertje: er bleek nog plaats op de vlucht van die woensdagavond. Om 17.55 uur.
Het meisje van het Arubaans verkeersbureau zuchtte opgelucht en dropte ons op het strand met de divi divi-bomen voor ons hotel.
Daar in een ligstoel kon ik het nog altijd niet geloven.
Ik dacht aan de meisjes en directeur van het pr-bureau, en begon heel zachtjes te huilen.


Wordt vervolgd

Het ei van Aruba, deel 1

snipij.jpg

Als food & travel journalist kun je onmogelijk al je reizen zelf betalen. Daarvoor leun je op de schouders van pr-bureaus, die in ruil voor hopelijk een fijn verhaal dolgraag je reis- en verblijfkosten betalen. Ook helpen ze je waar nodig, denk je. Nou mooi niet. Merkte Mr. Global onlangs opnieuw op Aruba. Over verkeerde vliegtickets, schofferende pr-directeuren, merkwaardige uitsmijters en andere vieze luchtjes.

Twee dagen Aruba.
Idiotie. Riepen de vrienden van fotograaf Rob.
Idiotie. Riepen mijn vrienden en familie.
Idiotie. Riepen ook onze gedachten.
We wilden wel langer op het Antillen-eiland blijven, voor nog een verhaal. Maar de input daarvoor kon het toerismekantoor in Oranjestad niet garanderen. Zeiden we.
Dus werden we voor enkele nachten in een Arubaanse hotelkamer geparkeerd. Voor een artikel voor een jetsetters glossy, die meer (foto)journalistieke diepgang op zijn pagina's wenste.
Het onderwerp voor de voorjaarseditie: de Aruba Heineken Regatta. Een catamaran zeilwedstrijd voor zowel profs als amateurs. Dan kun je wel dagen aaneen over het azuurblauwe water turen hoe spinakers voor de zoveelste keer een boei ronden en zelf tussendoor dipjes doen in de Caribische Zee, maar in dat tropentempo wordt zo'n reisrepo wel erg duur. Daarbij: vijf dagen van huis voor één verhaal, dat betaalt zich nimmer terug.
Twee dagen idioot doen op Aruba dus.
We landden locale tijd vijf uur. In Amsterdam was het vijf uur later.
Op ons wachtte een happy hour met bruinverbruinde cat-zeilers op Palm Beach. Om alvast een beetje in het juiste Regatta-sfeertje te komen. En dat lukte na een aantal biertjes prima.
Daarna nog een red snapper in het hotelrestaurant en om tien uur slapen. Om zoveel mogelijk in het Nederlands tijdritme te blijven.
Ons bed stond in het Amsterdam Manor Beach. Dat hotel ligt aan een weg die loopt langs een van de fijnste stranden van het eiland: Eagle Beach. Daar staan langs de branding vooral laagbouw hotels en divi-divi bomen die schuin groeien in de immer vrolijke passaatwind.
Spijtig: in het hotel hing op meerdere plekken een mysterieuze rioollucht. Waar die kwalijke reuk vandaan kwam, konden we niet traceren. Desondanks: een zweetplekje op een okselfrisse tropenidylle was het wel.
De volgende ochtend werden we om vijf uur locale klok wakker.
Tijd om nog een artikel af te tikken, en twee uur later aan te schuiven voor het openlucht ontbijt.
Dat was included, had het pr-bureau gezegd.
Dus deden we gek en namen we een roerei bij het ontbijt. Met perfect uitgebakken ontbijtspek zoals ze dat enkel in Amerikaans-angehauchte hotels kunnen. En 70 procent van alle toeristen op Aruba bestaat uit Amerikanen.
We proosten met glaasjes jus op Natalee Holloway en togen opgewekt naar Palm Beach waar enkele zeilers al hun tuigage inspecteerden. Rob schoot de hele dag fraaie plaatjes, ik schoot fraaie quotes.
Tornado's en trapezes, Darts en dudes, Hobie Cats en Formule 18: niemand kan mij nog iets over catamarans wijsmaken. Vooral niet nadat 's avonds opnieuw de Heinekentap open ging voor nog zo'n gezellig happy hour, gevolgd door een buffet en een dansje op het strand met eighties muziek, en toen gingen de zeilers naar bed.
Wij ook. Hoe de bars en krochten van San Nicolas met de mooiste Venezolaanse dames ook lonkten.
De volgende ochtend namen we opnieuw opgewekt plaats aan de openlucht ontbijttafel. Nog een paar plaatjes en praatjes op het strand, nog een fun-rondje over het eiland, nog een paar baantjes trekken door allerlei schakeringen blauw water en dan terug naar huis.
Onze vrolijke ochtendstemming werd evenwel al in de eerste ontbijtnoten gesmoord door een somber kijkende serveerster die onopvallend naar ons tafeltje was geslopen.
Ahum, zei de serveerster met strenge dictie.
Wij ahumden pseudo-streng terug.
Zij ahumde nog een keer en begon over het ontbijt van de vorige ochtend.
“Sorry, dat we dat niet direct hebben betaald", bloosden we, "maar dat was inclusief.”
Dat wist zij, knikte zij. Maar daar hoorden niet de eieren bij die we hadden gegeten.
Ze sprak de woorden uit als een vonnis.
Het werd stil om ons heen in de openlucht ontbijtzaal.
Oh, stamelden wij, dat is vervelend, heel vervelend voor u ook. "Het spijt ons dat we ons hebben vergist. Kunt u daarom alsnog een rekening van de eieren maken."
Het meisje maakte een aantekening, en vroeg of we opnieuw eieren wilden.
We durfden nog nauwelijks ja te zeggen.
De serveerster verdween om even later met een rekening van zes dollar terug te komen. Want daar ging het over. Drie dollar per ei per persoon. Of dat ei nu was gekookt, geroerd, ge-omelet of ge-uitsmijterd.
Met geknakte Dutchbat-ruggen dropen we af naar het buffet met sinaasappelsap, plakjes kaas en vleeswaren, serials, fruit en toast. We voelden dertig ontbijtogen en dito ontbijtoren in onze rug prikken.
De koffie was gelukkig nog steeds included.
Fijn dat we dat wisten van die eieren, schuddebolden we.
"Prima gecommuniceerd door het pr-bureau", zei Rob, nuchter als altijd. "Waren we van te voren duidelijk ingelicht, dan waren we niet in zo'n opgelaten situatie terecht gekomen."
Want inderdaad, schaamtevol was het wel.
En waar ging het over: zes dollar, vier euro.
Prima gastheerschap van het hotel ook. Zelf je avondeten en ontbijt-ei betalen.
We liepen mistroostig terug naar onze hotelkamers en snoven die nare kwellucht weer. En toen wisten we het.
Dat was geen rioollucht, maar de geur van rotte eieren.

(wordt vervolgd)

[kader]
Het verhaal over de Heineken Aruba Regatta kun je volgende maand lezen in Jetsetters.

Nottinghill Jillbillies

Jillinstoom.jpg

Wat een leuk mens. Vriendelijk, toegankelijk en met een très hoge knuffelfactor. En het belangrijkste: zij heeft verstand van eten. Een kijkje in de keuken van kookboekenschrijfster Jilll Dupleix.

Die avond maakt ze escabeche. Gebakken vis die 24 uur mag marineren in een smakelijk kruidenbadje.
“Licht, snel, gezond en vooral eenvoudig”, zegt culischrijver Jill Dupleix.
En zo ziet zij het op tafel ook het liefst, onderstrepen enkele titels van haar kookboeken, 'Lekker & Snel' en 'Heerlijke Simpele Gerechten'.
In Engeland staat de Australische niet voor niks bekend als de specialist in vlugge en eenvoudige recepten. Zij is onder meer culinair redacteur van The Times en toont haar wonderlach in diverse Britse televisiekookprogramma's. Verder is zij medewerkster van het Australische tijdschrift Delicious en de Sydney Morning Herald, de eerste krant voor wie zij haar culinaire pen sleep.
Daar ging thuis een flink gevecht aan vooraf.
Jill: “Ik ben geboren op een schapenboerderij in Victoria. Schrijver of journalist wilde ik worden, maar dat vonden mijn ouders geen beroep voor een meisje. Ik moest een vak kiezen, dat ik tevens kon uitoefenen nadat ik een gezinnetje had gesticht. Zuster, leraar, administratief medewerker of een soortgenoot uit het rijtje keurige meisjesberoepen."
Als poldercompromis werd zij bibliothecaresse.
“Zo was ik tenminste omringd door boeken.”
Het werd een klein drama.
Jill bloeide pas op als copywriter bij Myer, zeg maar de Bijenkorf van Australië.
In de reclamewereld leerde zij haar man kennen die vlinders en eetliefde in haar buik katalyseerde. Samen kregen ze een restaurantrubriek in de Sydney Morning Herald. Later schreef zij bij dezelfde krant de column 'Ik haat koken'.
Goede titel.
In die rubriek draaide het al bij haar om simpele gerechten.
“Ik ben zelf evenzo een eenvoudig meisje. Ik wil koken vergemakkelijk in plaats van vermoeilijken.”
Die aanpak sloeg aan, ook duizenden kilometers verderop bij de prestigieuze The Times die haar naar in 2000 als culinair medewerker naar Londen transferde.
Sindsdien woont Jill in Notting Hill.
“Elke zaterdagochtend passeren aan mijn raam 20 duizend mensen met de vraag 'waar is Portobello Road'. Hugh Grant-groupies die zoeken naar plekken uit de film Notting Hill, o ja, die tijd is gelukkkig voorbij.”
Vanachter haar raam sta je op veilige toeristenafstand. Je ziet een kerk, een rotonde, dubbeldekkers, zwarte taxi's en een donkergroen 19e eeuws cottage-achtig huisje bestemd voor koetsiers. “Zo hadden die een eigen plekje en belandden ze niet in een pub om kachellam te worden. Beetje link in het verkeer."
Haar kantoor is haar huis. Kookboeken zijn opgestapeld als twintowers. Op schilderijen staan wijnflessen en wijnglazen. Tegen een muur staan boekrekken met 2000 kookboeken.
“Wanneer ik mensen te eten krijg, moet ik mijn kantoor ontmantelen op de eettafel terug te krijgen.”
In haar gerechten speelt zij graag met bekende klassiekers, die ze een eenvoudiger en lichter jasje geeft. Want jongens, kan het allemaal niet een paar calorieën minder? Daarom probeert zij in haar gerechten boter, olie, room, suiker en andere vetten zoveel mogelijk te reduceren.
Twintig minuten, echt waar, langer staat zij niet in de keuken, beweert zij, okay, met een glas wijn en haar favoriete muziek aan iets langer. “Koken moet wel leuk blijven.” En dat kan alllemaal, zegt zij, wanneer je de juiste basisingrediënten in huis hebt.
De belangrijkste: uien. "Omdat ze elk gerecht diepgang geven en smaken versterken. Ook heb ik steevast limoen in huis. Daarmee geef je alles een frisse tik.”
Verder verplicht in de kast: pasta, extra vergine olijfolie, mosterd, ahornstroop, parmezaanse kaas, tomaten, pasta, chilipepers, verse kruiden, chocolade en zoute smaakversterkers als kappertjes en ansjovis.
'Tis maar dat je het weet.
We gaan de deur uit voor koffie ("binnen drink ik thee, buiten koffie").
Jill toont haar Notting Hill en strooit met tips. “Ga ontbijten bij de Electric Brasserie aan Portobello Road. Probeer absoluut de zout en peper inktvis bij E & O op Blenheim Crescent, en ga op zondag voor een traditionele Engelse Sunday Roast naar het nieuwe Bumpkin aan Westbourne Park Road."
En kom, nu we toch aan het slenteren zijn, we zijn vlakbij Chepstow Road, daar zit Ottolenghi: "De beste traiteur van de stad.”
Haar eten koopt zij evenzo in de buurt. Maar potverdikke, wat slaan de ponden over in kiloprijzen. In Australië zijn de prijzen voor verse en niet-verse producten beduidend goedkoper. "Dat maakt eten voor iedereen toegankelijker.”
Niet zo vreemd dus dat er met haar en Donna Hay, Bill Granger en Curtis Stone vanuit down-under tal van foodies opstaan.
“Het kostte een tijdje voordat Australiërs ontdekten wat ze met onze producten moesten doen. Jarenlang bleven we Franse klassiekers kopiëren, totdat we van vooral Aziatische immigrantenkeukens leerden hoe je vers, snel, simpel, licht en eenvoudig kunt koken.”
Het vormt de basis van haar keuken.
Jill:" “Wat dat betreft, zou je mij een halve Aziaat kunnen noemen. Met kangaroe-wortels, want die verlies ik nooit.”

[kader]
Haar laatste kookboek 'Da's Lekker' staat altijd binnen het handbereik van Mr. Global. Als inspiratie. Vooral haar Portugese visstoofpot is een lust. Jammer dat de redactie bij veel gerechten uitglijdt. Verse boontjes twee minuten koken en dan drie minuten wokken? Nee, lijkt me niet echt smakelijk. Moet in een tweede druk zeker even worden rechtgezet.

Fffffff.....

Fucksnip.jpg

Hij komt, hij komt. En dan heb ik het niet over de Goed Heiligman uit Spanje, maar over die fucking Culiman uit Engeland.

Gordon Ramsay, ja, die fucking topkok uit Engeland die zo graag Alain Ducasse van zijn gastronomische troon wil stoten. Volgend najaar opent hij een fucking restaurant in Amsterdam dat moet gaan bestaan uit een fucking fine dining-deel met 45 stoelen en een meer fucking casual deel met tachtig stoelen. Binnen drie weken hoopt hij alle fucking contracten rond te hebben en verklapt hij de fucking locatie. Hij schijnt met die plek al fucking anderhalf jaar bezig te zijn. “Het is een bestaand gebouw dat opnieuw wordt ingericht met een geweldig terras", zei Ramsay. Waar de fuck zou dat zijn. Lloyd? Panama? Hilton? Meeraden? En fuckers dit is geen prijsvraag!

Global rondt Aruba

arubasnip.jpg

Mr. Global wordt enkele dagen in het bootje genomen op Aruba. Volgende week is hij weer terug.

Tar Tu Fo

Imperio2.jpg
foto: Cor Hospes

Niks witte truffels uit Piemonte. Voor de allerlekkerste moet je in Toscane zijn. En die groeien rond San Miniato. Dus steek je neus in de grond en snuffelen maar!

Oeps.
Voordat hij er zelf erg in heeft, ligt Imperio met zijn lange 67-jarige lijf languit in de modder.
Hij pruttelt woorden die klinken als verwensingen, krabbelt snel overeind en kijkt verontwaardigd om zich heen, want is er wat gebeurd dan?
Niks hoor Imperio, besluiten we, binnensmonds grinnikend. Er zit alleen een flinke modderklodder op je achterhoofd.
Het is half zeven 's ochtends. Tussen de bomen van het landgoed Barbialla Nuova inm Corrazano hangt een mistdeken. Ochtenddauw druppelt van de takken tussen onze ogen, hoog gras wrijft onze broekspijpen nat.
Imperio is op dauwtrappen gekleed. Hij draagt hoge laarzen en een Rambo-pakje met een Duitse driekleur. Munitie heeft hij niet; het enige vuurwapen dat blaft is zijn truffelhondje Tobi. Een Lagotto Romagnolo, zegt hij, een ras dat stamt uit de Italiaanse provincie Emilio-Romagna en heel geschikt is voor de truffeljacht. Vanwege zijn neus, lengte en korte wollige krulhaartjes die niet tussen bosschages en heggen kunnen valstrikken.
“Vai Tobi, vai”, instrueert Imperio.
En Tobi vait alsof hij zijn hele leven heeft gevait. En dat is ook zo. Hij is speciaal voor truffelspeuren getraind. Dat begon direct na zijn geboorte, 9,5 jaar geleden. Na al die jaren van trouwe truffeldienst verdient hij eigenlijk een suite in een hondenrusthuis. Maar zijn neus snuffelt nog teveel truffelkilo's bij elkaar. 22 in 2002, een Tobi-record. En goed voor een opbrengst van 15 tot 20 duizend euro. Het maakt van Tobi kostbaar bezit. Om zijn nek hangt dan ook een prijskaartje van 9000 euro. En zo'n prijsvechter stop je niet in een tehuis voor hondenpensionados.
500 hectare meet het landgoed Barbialla Nuova. Op het gras lopen Toscaanse Chianine-koeien, eronder liggen witte truffels te rijpen. In het najaar barsten ze open van smaak en dat laten ze tussen midden september tot eind december ondergronds blijken. Niet aan mensenneuzen, wel aan hondensnuiten.
Imperio werkt tien jaar op het landgoed en slentert tijdens de Toscaanse doldwaze truffeldagen elke dag tussen zeven en één, en na de lunch tot een uur of tien met Tobi door de bossen, bij elkaar al snel zo'n 8 tot 10 kilometer per dag.
Imperio: “De beste truffels geven hun plek prijs rond 20 oktober. Als ze eerder rijpen, heeft het geen zin ze te laten liggen. Dan moet je ze plukken. Anders rotten ze weg.”
Zwarte truffels, o nee, daarvan moet hij niks weten. Die vallen hem te zwaar in de neus. Een witte truffel is veel delicater. Noem het goud versus diamant. De zwarte doen ook maximaal 300 euro per kilo, de prijs van de witte begint pas vanaf 3000 euro per kilo. “Hoe ronder, hoe hoger de prijs. Wij Italianen houden wel van een fraaie vormgeving.”
Ze weten het in Toscane: qua bekendheid kan hun ondergrondse witte paddestoelpopulatie niet opboksen tegen die uit Piemonte. Ten zuiden van Siena moet je ervoor je neus in de grond steken in San Giovanni d'Asso. De Toscaanse truffeltop heeft zicht verschanst tussen bomenwortels rond San Miniato.
“Dat niemand verder de geheimen van de Toscaanse truffel kent, komt doordat we die liever voor onszelf houden. Wij verkopen de meeste direct aan restaurants. Waarom ook het goede aan anderen verklappen. Dat ze in Piemonte zo over hun truffels pochen, kennelijk hebben ze die reclame nodig.”
En nee, kook de truffels niet, verwarm ze enkel met een gerecht mee, het liefst gerechten zonder uitgesproken smaak, zegt Imperio. Denk aan een omelet waarover je flinters tartufo bianco schaaft. Of aan die klassieker rondom San Miniato: taglioni met witte truffels en botersaus.
Maar voordat dat in ons bord ligt, moeten we eerst flink wat uurtje glibberen en glijden langs greppels, slootjes en geultjes in de schaduw van de bomen. Vooral daar ruikt het in het najaar naar truffels. Een daarvan heeft Toby in zijn neus, en hoe, kijk hem in HSL-vaart graven. Imperio moet zijn snuit echt uit de modder trekken, voordat Tobi de paddestoel zelf opschrokt.
Ook de ogen van Imperio grommen als hij zijn neus in de truffel stopt. Wij ruiken knoflook en oude kaas.
En dat gedoe met seks, hoe zit dat nou?
Imperio schudt zijn hoofd.
Truffels zijn helemaal niet zo'n afrodisiacum, integendeel. Een truffel is een paddestoel en daarmee giftig. Als je daarvan maar een grammetje teveel eet, krijg je een fikse hoofdpijn. En dat is wel het laatste wat je wilt.
“Heeft je vrouw een keer geen hoofdpijn, moet jij afhaken met je handen in je haar.”
Maar misschien is een truffeloverdosis wel lekkerder dan een robbertje sex. In San Miniato zie je in het najaar niet voor niks zoveel mannen met hun neus naar de grond lopen.

[kader]
Je kunt op het domein Barbialla Nuova logeren. Verspreid over het enorme landgoed liggen in de stilte verschillende boerderijen met opmerkelijk hip ingerichte appartementen. Elk huis heeft een zwem- of dipbad voor de deur. Inlichtingen via Oda van Viaggi Da Gustare. www.viaggidagustare.nl. Of neem rechtstreeks contact op met de Italiaanse eigenaren: www.barbiallanuova.it

Fukui in Okura

Fuiki%20Snip.jpg

Om de geuren van een land of streek te proeven, hoef je niet altijd te reizen. Soms komen die ook naar je toe. Zoals de smaak van Fukui. Saké, Koshihikari-rijst en de beroemde Echizen-Gani krabben uit die Japanse provincie kun je nog tot en met 14 november proberen in het Okura Hotel in Amsterdam.

Japanners flitsen met mobieltjes, Japanners flitsen met Fuji's, Japanners flitsen met Nikon. En weer andere Japanners rennen met camera's.
Het is prime-time in Hotel Okura.
Dus lopen Japanse meisjes in gala onhandig te wiebelen op hoge hakken. Prefereert een Japanse mijnheer met een sikje klompen, en tonen oudere dames zich in traditionele klederdracht. Zij een tasje op hun rug, hun dochters in Dolce & Gabbana met een tasje in hun knuistjes.
Een Japans meisje oogt bijzonder fraai. In haar opgestoken haar zit een witte bloem, om haar schouder draagt zij een witte sjerp met een flinke rij karakters.
Vast een Miss, peins ik, en dat blijkt Yoshi Sakakibara ook te zijn.
Ik begrijp direct waarom.
Voor Japanfetisjisten was het een feestje, afgelopen maandag in Hotel Okura dat je op z'n Japans blijkt uit te spreken als 'okkera' en niet als 'okoera'. Nu werkt dat Amsterdamse hotel toch al op de culinaire feestspieren. Velen krijgen bij voorbaat natte genotsplekjes als ze aan de kunsten van huiskok Akira Oshima denken. Zijn restaurant Yamazato is de enige traditionele Japanner in Europa met een Michelinster. En sinds kort voorzien van een koninklijk lintje. Want Akira mag zich ridder Akira noemen. Vanwege zijn ambassadeurschap van zowel de Japanse (culinaire) cultuur in Nederland en Hollandse cultuur in Japan.
Om die reden gaat hij regelmatig sneupen in kaiseki keukens in verschillende Japanse provincies om die vervolgens te introduceren op de kaart van Hotel Okura. Zo was Akira afgelopen zomer in Fukui, in het bijzonder in de keuken van het luxe Grandia House Hotel. En die kreeg zijn ridderlijke goedkeurig.
Dus waren de eigenares en grand chef afgereisd naar Amsterdam. Incluis een opengetrokken blik horecapersoneel, een gouverneur en een locale filmploeg. Met in hun kielzog de lekkerste producten uit de streek. Waaronder Miss Fukui en tientallen flessen exclusieve sake, en nee, die drink je niet altijd warm, sterker, zegt de directeur van het sakehuis, die warme soorten behoren tot de mindere van Japan.
Een van de allerbeste sakemakers van het land komt uit Fukui.
Born, heet die. Eentje ook die keizerlijke rijstbrouwsel maakt, ja echt, speciaal voor de keizer. En die mochten we tijdens de perspresentatie proberen.
“Kersen”, zegt iemand naast me die juist zijn enorme neus in het glas heeft gestoken. “Dat ruik je altijd bij sake.”
Dus proef ik ook kersen in het volgende glas, en in het volgende en in het volgende. En allengs ruik ik overal kersen en voel ik me keizerlijk boven iedereen uitstijgen.
Gelukkig kun je bij sake prima allerlei Fukui-fijns eten.
Ik snoep erbij van gegrild Wagyu rundvlees; sashimi van griet, zoete garnaal en blauwvin tonijn; een zee-egel met ei; sushi van zoetzure zeebrasem en de beroemde Echizen-krab, en inderdaad, die smaakt opmerkelijk zoet en zacht. Wel is het lastig eten uit die krabbenpoten.
Vanuit mijn ooghoeken zie ik Miss Fukui vriendelijk naar me knikken.
Ik scrub de krabresten tussen mijn tanden weg, duizel haar kant op en vertel haar dat ze ook zonder sjerp heel mooi is, en zij lacht haar vriendelijkste lach.
Ik zeg haar dat ze de allermooiste lach van iedereen heeft, en zij lacht haar vriendelijkste lach.
Ik zeg tegen haar dat ze vrede kan brengen in de hele wereld, en zij lacht een nog mooiere lach.
Ik vraag haar of alle meisjes in Fukui zo mooi zijn, en dan knikt zij met een lichte buiging om te verdwijnen tussen andere meisjes die ineens ook heel mooi zijn.
Om enigszins af te koelen, wacht er sakeijs.
Ook prima te combineren met sake.
En aan het eind van de presentatie mag het journaille enkele suites van het hotel bekijken.
Miss Fukui heb ik al een tijdje niet gesignaleerd.
Zij zal toch niet tussen de lakens van een van de getoonde suites liggen, dagdroom ik.
Ik besluit beneden te blijven.
Met een sterk bakje espresso. Om me weer wat minder keizerlijk te voelen. Want dat valt niet mee, sakekeizerlijk verheven zijn.

[kader]
Voor meer informatie: www.okura.nl

Bra is Bah

Bra%20is%20Bah.jpg
foto: Cor Hospes

Veel Cheffen zitten dit weekend rond Turijn om geuren op te snuiven van de slow food-beurs Salone del Gusto. Mr. Global nam enkele weken geleden al een kijkje in Piemonte en wandelde door de hoofdstad van de slow-food beweging, en daar, ja, daar rolden van verbazing bijkans zijn ogen uit zijn kassen.

We snappen het niet.
Missen we iets?
Hebben we soms een verkeerde kaart?
Wat doen we hier in godsnaam.
Bra heet de hoofdstad van de internationale slowfood-beweging. Maar om te zeggen dat het Piemontese stadje overkookt van culinaire genoegens, nou nee, integendeel.
Het centrum ruikt op deze zonnige najaarsdag vooral naar uitlaatgassen; door de hoofdstraat trekt een onafgebroken stoet auto's.
Waarschijnlijk maken de inwoners dat ze het dorpje uitkomen, want veel te beleven is in Bra niet. Okay, er zijn enkele barokkerken, laatgotische gebouwen en andere ANWB-heiligheden. We ontdekken eveneens nog een verrassend leuk interieurwinkeltje en de Via Cavour kent een streepje autoloos met terrassen. Maar verder?
We tellen vooral kinderkledingwinkels en slagers, ja, er zijn veel slagers, dat weer wel. Maar die verkopen lang niet allemaal het befaamde worstje, de Salsiccia di Bra. En waar zijn al die smakelijk delicatessenzaakjes die je in de hoofdstad van slow food zou verwachten?
We zien ze niet, ze zijn er niet. Net zo min als winkels waar ze de beroemde Bra-kaasjes verkopen; de Bra tenero or duro DOP en Bra d'alpeggio DOP. Dat Europese DOP-zegel garandeert dat je met een authentiek product te maken hebt. In Bra zijn de DOP's edoch uitgestorven, en dat in een dorp dat eens in de twee jaar een kaasshow houdt met louter bedreigde kaasjes.
Van de schrik bestellen we een ristretto in het drukke Caffè Converso dat al sinds 1902 aan de Via Vittorio Emanuele II zit en schudden teleurgesteld ons hoofd.
Bra smaakt naar niks, smaakt naar uitlaatgassen, smaakt naar bah.
Waarom mag dit heuveldorpje in godsnaam de hoofdstad van slow-food heten?
Omdat Carlo Petrini, de oprichter van Slow Food, in Bra woont, retoriseer ik. En beneden in het dal in Pollenzo de Universiteit van Gastronomische Wetenschappen staat.
Nog maar een kopje ristretto dan. Om wakker te blijven.
Hoe anders is Alba dat iets hogerop in Piemonte ligt.
Ooit stonden in het stadje 100 torens. Vandaag staat Alba geheel in het teken van de gastronomie. Het aantal eetwinkels en restaurants overstijgt alle andere. Met als smulwalhalla La Bottega del Vicoletto.
Daar vult een smakelijke Italiaanse voor 25 euro een picknickmandje met lekkerbeklekkers.
Mijn hemel, haar geroosterde paprika's en gevulde kalkoenballetjes, echt, een weekendomweg waard.
Wijn?
Zelfs in de vitrines van kledingzaken liggen flessen. Het aantal wijnshops met Barolo's, Barbaresco's, Monferrato's en grappa's is niet te tellen. En dan zijn er nog de vele plekken waar ze beroemde witte truffels uit Alba verkopen. In alle soorten en vormen met prijskaartjes die je ogen in alle mogelijke Histor-kleuren doen uitslaan.
We weten het dan ook zeker. Als Piemonte het culinaire hart van Italië is, dan is Alba de gastronomische hoofdstad. Onze smaakpapillen zijn verslaafd.
Dus ober, doet u nog maar een bordje agnolotti, dan graag tonno di coniglio en gesuikerde kastanjes toe.
Thuis wacht de hometrainer.
Excuus-troost voor Piemonte-adepten.

The Big Apple

BIg%20Apples.jpg
Foto: robvandervet.nl

In oktober staat het plattelandsgehucht totaal in het teken van appels en peren. Dan zijn er picknicks, proeverijen en rondleidingen door boomgaarden, en kun je ervaren hoe ambachtelijke cider en perry wordt gemaakt. En natuurlijk is er appeltaart, appelcake, appelthee en ander country living-getut. Dus op naar de The Big Apple, in het Britse Much Marcle in Herefordshire.

“Raap je zo mee?”
James Marsden van Gregg's Pit Cider & Perry port met een stok tussen de takken van een appelboom, en dan regent het plaatselijk appels.
Een stapje achteruit is niet onverstandig als je geen appelbuil wilt krijgen. Een helm dragen kan ook, maar die heeft James uitgeleend uit zijn vrouw. Zij moest even brommen naar het dorp.
Als de boom is uitgeregend, gaan we met een emmer door de knieën. Overal in het enkelhoge gras liggen Kingston Black-appels. “De beste voor het maken van cider”, zegt James.
In andere bomen hangen Dabinett, Ellis Bitter en Yarlington Mill, waarvan je ook een lekker ciderglaasje kunt maken.
“Ciderappels zijn over het algemeen kleiner en harder, en bevatten veel tannine en zuur", zegt James. "Echt lekker om in te bijten zijn ze niet. Probeer maar eens; je mond trekt ervan scheef, zo zuur zijn ze.”
James werkt als opzichter bij English Nature, een soort Natuurmonumenten. In 1992 kocht hij Gregg's Pit. De boerenplaats was vervallen, de boomgaard geheel overwoekerd. "Al sinds 1785 staat op deze plek een boerderij. Er is zelfs een perenras naar vernoemd.”
Of die Gregg's Pit-peer nog op het erf groeide, zeker, knikt James. Net zoals 99 andere bomen met bijzondere eeuwenoude appel- en perenrassen. Na een grondige kap- en opknapbeurt leveren die vandaag jaarlijks 2,5 ton fruit, dat hij de eerste jaren vooral verkocht aan Weston Cider, de plaatselijk ciderfabriek in Much Marcle. Binnen twee jaar bottelde hij evenwel zijn eigen cider en later eveneens perry, zeg maar cider van peren.
Intussen tapt hij maar liefst 2200 liter hapsap uit eigen vaatjes, en dat smaakt beduidend anders dan dat bocht uit supermarkten en pubs.
"Maar de ambachtelijke smaak van cider is bijna iedereen vergeten."
Daarom besloot hij samen met vier andere ambachtelijke cider- en perryproducenten uit de streek rondom Much Marcle in 1989 de smaak van echte cider te promoten, geruggensteund door de grote ciderboer Weston Cider. En wat startte als een eenmalige actie groeide onder de noemer The Big Apple uit tot het grootste appeloogstfeest van Herefordshire en misschien wel van Engeland.
Tijdens het Big Appple-weekend zie je in Much Marcle dan ook meer mensen dan gedurende de rest van het jaar. Bezoekers in Barbour en andere verantwoorde country living-kleding maken er een weekenduitje van, en keren vaak met neuzen vol geuren en kisten vol appels en cider terug naar huis.
Verwacht in Much Marcle geen kermistaferelen. Het dorpje bestaat uit een groepje huizen dat uitwaaiert langs verschillende straten met boerderijen die tijdens het weekend elk hun eigen appelfeestje geven.
Zo zijn er bij Awnells Farm rondleidingen door de boomgaard; bij Hellens Great Barn mag je van appelcake, appeltaart en ander appelzoetigheid snoepen; in de Much Marcle Memorial Hall serveren ze een high appeltea, en op tal van andere plekken kun je zelf appels plukken en meehelpen cider maken. Verder kun je kijken naar folkloristische oogstdansen van Morris-men, leer je het verschil tussen de Ellis Bitter en Lord Lambourn, gaan er koteletten en hamburgers op de grill of staat bij mooi een picknickmandje tussen bomen met Golden Harvey, Broxwood Foxwhelp en Breakwel Seedling klaar. En dames, niet bang voor bemodderde Dubarry-laarsjes zijn.
Ook de menukaarten van restaurants zijn aangepast. Denk: mossels gekookt in cider; konijn met appelpesto; chocoladeparfait met appelsiroop. Vooral de prijswinnende chef van Scrumpy House in Much Marcle heeft een groot appelhart.
De lekkerste appeltaart vind je bij The Ancient Camp Inn in Ruckhall. Gemaakt van Cox's Orange Pippin-appels. Een smaakvolle traditionele Britse appel, zegt kok Charles Mackintosh.
Je kunt rondom Much Marcle natuurlijk ook gewoon urenlang dwalen door het pastorale landschap van Herefordshire. Voor onderweg hoef je geen proviand mee te nemen. Appeltjes voor de dorst vind je immers genoeg.

[kader]
Oktober is voor foodies de beste maand om Herefordshire te bezoeken. In Hereford is een cider maken festival en later een food festival, in Leominster een appelbeurs en in Much Marcle is The Big Apple. Zie voor meer info: www.gourmetherefordshire.co.uk

El Bulli in Madrid

Pacosnip.jpg

Zijn restaurant bevindt zich in een van de fraaiste gebouwen van Madrid. Daar kookt hij met onder meer nitrogeen en chloor, en maakt hij van olijfolie snoepjes, crême en ijs. Geen wonder dat hij bekend staat als de trouwste discipel van Ferran Adrià. De nueva cocina van NH Hoteles-kok Paco Roncero uit Madrid.

Zin in een whisky sour?
Ja, knikken we, zo'n drankje willen we wel.
Onze mobieltjes vertellen dat het half twee 's middags is.
De gerant pakt een fles passievruchtsap en Four Roses, en een thermoskan nitrogeen dat met een graadje van min 180 graden prima op kamertemperatuur is. En dan begint het spektakel. Vruchtensap en whisky gaan in een kom, en als de gerant het arctischkoude goedje erbij giet, walmen mistflarden en borreldampen van de tafel omhoog, en voilà, na flink wat geroer en gestoom serveert hij een whisky sourijsje.
Welkom bij La Terraza del Casino in Madrid. De culinaire speeltuin van Paco Roncero die geldt als de trouwste discipel van Ferran Adrià. De El Bulli-chef fungeert sinds 1998 dan ook als hét opperhoofd van het Madrileense restaurant, dat is gevestigd in het Casino de Madrid. Een 169-jaar jonge privémannenclub in een grand gebouw vol kroonluchters, spiegels, muurschilderingen, pluche en ander fijns aan de Calle Alcalá, in het hart van de binnenstad.
Even later komt er opnieuw een Ti-Ta-Tovenaar minilab op wieltjes aangereden.
We zien een kunststof standaard waarin drie stevige spuiten gevuld met meloenessence rechtop staan. Ernaast een bak ijswater, eronder dito, denken we. Maar dat is mis.
Het is chloor, vertelt de professor Barabas in livrei.
We slikken.
Chloorgas, bleekwater en zwembaden vol urinerende kinderen; ik probeer deze en andere toxische misgenoegens weg te spoelen met een glaasje Viñas del Vero Chardonnay 2005
Ahum, aarzelt mijn tafeldame, is dit allemaal wel gezond?
Barabas lacht.
Dit is ruik- en moordloos chloor, dat koks vaker gebruiken in de keuken. Het is een culinair wondermiddel. Want wat gebeurt er als je heel voorzichtig meloensap in dat chloorbakje laat druppelen? Dan stolt die vruchtenessence als oranje namaakkaviaar. De meloenbolletjes spoel je in ijswater en serveer je in een bakje Beluga, met enkele drupjes passievrucht en een miniblaadje mint.
Het is me wat, schuddebol ik.
Wat een gedoe, schuddebolt mijn tafeldame mee.
Ideetjes van Adrià, zegt Paco die even later aanschuift.
Sinds 1991 werkt hij in het Casino, vertelt hij. Drie jaar later promoveert hij tot chef van de banketafdeling en als zodanig wint hij verschillende kookawards, en dat heeft ook Adrià onthouden die vanaf 1998 de scepter over de Casino-keuken gaat zwaaien.
Hoe Paco over de nueva cochina dacht, vraagt de primus inter pares van de moderne Spaanse keuken.
Paco denkt daar inderdaad het zijne van, gaat in training bij El Bulli en La Terraza verovert in 2002 een Michelin-ster.
Niet slecht.
Toch kriebelt er iets. Hij krijgt het er steeds meer Spaans benauwd van dat hij altijd maar weer als slippendrager van Adrià wordt bestempeld. Zeker, hij heeft veel van hem geleerd. Maar na al die jaren is hij ook zijn eigen ding gaan doen.
Neem zijn beroemdste handtekening: de tortilla van de 21e eeuw. Een tortilla die hij uit elkaar heeft gesloopt waarna hij alle onderdelen weer vloeibaar bij elkaar in een cocktailglas gegoten. In Madrid zijn ze er gek op.
Ook experimenteert Paco graag met olijfolie. Spanje is Europa's grootste producent. In het land groeien tal van soorten met elk een textuur en smaak. Variërend van amandelen, rijpe artisjokken en bloesems tot perziken en sinaasappelen, en daar kun je leuke fratsen mee uithalen. Paco transformeert ze onder meer tot schuim en crême, bevriest andere soorten tot ijs of stolt die tot ravioli -snij erin en vloeibare olijfolie loopt eruit, en van weer andere maakt hij olijfoliesnoepjes, lekker als dessert.
Niet dat Paco alles tot vloeistoffen of jelly laat vervloeien of klassiekers op lollystokjes zet. Zijn keuken is een mix van modern en traditioneel. En dat hoort ook in zo'n historisch pand, vindt hij. Maar authentiek Spaanse gerechten verlaten zijn fornuis niet zonder een fikse twist. Zoals zijn bocadillo pancetta, gemaakt van pizzadeeg dat is belegd met gesmolten en weer gestold pancetta. Of probeer zijn jarrete de ternera; zaligzacht gesudderd kuitvlees. Een gerecht dat in huis-tuin-en-keuken keukens een uur tot hoogstens twee uur mag stoven. Bij hem gaat het vlees met stevig stuk been maar liefst 36 uur op 65 graden in de pan.
“Ik hou ervan kooktechnieken te updaten, en dat is ook wat ik met die tortilla doe.”
Eens kijken wat hij vermag met zo'n typisch Madrileens gerecht als duelos y quebrantes, een ratjetoe van roerei, ham, chorizo, hersens en trijp. Daaruit moet je toch een lekker vloeibaar zooitje kunnen destilleren waarmee je de culinaire ladder kunt veroveren. Ook buiten Spanje.
Een idee. Maar eerst de huidige kaart blijven perfectioneren.
Daarbij, zegt Paco: "We mogen nimmer onze traditonele keuken uit het oog verliezen. Als je die verlaat, is het net alsof je een deel van onze cultuur wegsnijdt. Maar dat hoeft niet te betekenen dat je als kok geen fun met nieuwe dingen kunt maken."

[kader]
www.museodelacocina.com; www.casinodemadrid.com

Spaans Hockeyfeestje

Fatima%20WK.jpg

“Madelène”, roept Ties, “waar is mijn bier.”
“Hé, Gerrit-Jan”, zegt Tim, “wat leuk dat jij er ook bent.
“Minke, goed gedaan”, borrelpraat Jan. “En nou die finale pakken ook, hè.”
Het Nederlands dameshockeyelftal speelde op het WK in Madrid, en Mr. Global keek een wedstrijdje mee.

Ministokjes met chorizo en jamon. In een koelkast lag water met en zonder prik.
De perskamers van het Samsung Copa del Mundo Hockey Femenino in Madrid was allesbehalve ruim belegd. Een VIP-room of Holland House ontbrak. Of misschien kon ik die door alle consternatie wel niet vinden, want ik ben geen vaste gast op hockey-WK's, sterker, dit was mijn eerste. En omdat ik toch in Madrid voor een cityreportage was, dacht ik, och, waarom een keertje niet kijken.
Ik speel zelf nog graag een balletje in een veteranenelftal en ook de Argentijnse fotografe met wie ik Madrid vastlegde, had vroeger gepusht en gewokkelt. En dan is er geen leukere halve finale om samen te bekijken dan Nederland-Argentinië.
Vooraf had ik een pers accreditatieformulier ingevuld, dus wandelde ik na nog enkele administratieve handelingen zomaar de perstribune op, nou ja zomaar, het verkeer in Madrid bleek verstikkend. En de weg richting Campo de Madrid, waar de kunstgrasvezels van de plaatselijke HC liggen, liep vooral vast. Dus miste ik nog net niet het fluitje dat afblies voor de eerste helft. Alleen, want de fotografe lag op bed met een voedselvergiftiging, opgelopen in een van de beroemdste tapasbars van de stad.
Misschien was zij anders wel misselijk geworden van de wedstrijd, want hoe de Argentijnse supportersenclave ook heen en weer bleef springen op de tribune, Nederland won met 3-1 en ging door naar de finale.
Na afloop ontstond een voorzichtig feestje. Ouders en vriendinnetjes gehuld in oranje polo's, broeken, truien of iets anders oranje, wachten op de speelsters die één voor één uit de kleedkamer druppelden. Hun vriendjes namen direct hun sticktas over.
Ik kon de speelsters nauwelijks uit elkaar houden. Van Janneke Schopman tot Ellen Hoog: bijna alle meisjes, want echt, het zijn nog meisjes, waren blond en hadden helblauwe ogen omringd door dezelfde donkere make-up. Alsof het team naast een manager, pr-mijnheer en arts ook een visagist in dienst had.
De coach werd geknuffeld door cameramensen en even later geïnterviewd, terwijl hij zijn dochter in zijn armen hield. Veelscoorster Sylvia Karres kreeg van Ties Kruize een kusje, en ook andere oud-internationals met dikke buiken keken goedkeurend naar vooral Fatima Moreira de Melo die geurde naar het lekkerste zweet.
Een groep Nederlandse jongens met corps-uitstraling had enkel oog voor de biertent waar Mahou werd getapt in plastic Coca Cola-bekers.
De perskamer bleef droog. Er was zelfs geen buffet met kleffe paellarijst, droge plakken beef of kledderige pasta van plastic bordjes. Maar ach, met die broodjes en bier uit plastic bekers was het ook een echt Nederlands feestje. En daarmee mijn laatste WK ooit.

[kader]
Drie dagen later werden de meisjes van het Nederlands Hockeyelftal met twee vingers in de neus Wereldkampioen. Vooruit een bitterbal, en dan naar bed.

La Grande Boeuf of La Grande Suf

Adresjes

osteria2.jpg
foto: cor hospes

En dat sta je dan. In een Toscaans dorp dat tegen half een langzaam leegloopt. Italië gaat op slot; het is etenstijd. Maar hoe vind je een goed restaurant. Zeven tips.

1. Vermijd toeristenfuiken nabij bezienswaardigheden. Vooral als er drie tot meertalige menu's op tafel liggen. Niks van die volle terrasjes aantrekken. Daar zitten onwetenden en mensen zonder gezonde smaakpapillen. Een kleine inspectie van hun borden leert daarover genoeg.
2. Speur in toeristische enclaves als San Gimignano, Volterra, Siena enzovoorts door achterafsteegjes, stille straatjes en verlaten pleintjes. En zie, daar is ineens dat slow food restaurant of zegt een jonge kok het met ravioli met een twist.
3. Veel Italianen binnen? Direct aanschuiven.
4. Bestudeer het menu. Heeft dat een laag spaghetti bolognese-gehalte, dan is dat een eerste stap over de drempel
5. Onderweg in de auto passeer je er tientallen. Restaurants langs de weg in kleine dorpjes of naast benzinestations. De vele auto's met Italiaanse nummerplaten rondom spreken boekdelen. Hier valt wat te halen.
6. Concentreer je meer op osteria's en trattoria's. Dan heb je meer kans op een oma achter het fornuis. Wellicht ook komt ze zelf langs met de soepterrine of koekenpan.
7. Hoe meer basic het interieur, hoe meer basic en goed het eten.

[kader]
Mr. Global verbleef nabij Montaione. Zijn restauranttips voor als je daar toch in de buurt bent:

1. Osteria di Culegna in Pisa. Meest verfijnde pasta in Toscane. En Mr. & Mrs. Global zijn vaker dan een keer in de streek geweest. Gelegen in steeg in rommelig buurtje.
2. La Gattaiola in Fauglia. Voor een avondvullend diner met avondvullende buik. Ongedwongen sfeer, grootse kok. Aan zijn antipasti lijkt geen einde te komen. In steeg tegenover kerk in niemandallig passeerdorpje.
3. Ristorante Dorando in San Gimignano. Restaurant gespecialiseerd in slowfood gelegen in kronkelstraatje achter het befaamde plein. Mrs. Global was onder de indruk van de gefrituurde tomaten in een beslag van pistache en hazelnoten, opgevrolijkt door gefrituurde courgettebloemen. Mr. Global werd gelukkig van de Toscaanse pici met konijnragout. Mooie wijnen ook. We proefden de Sottobosco 2002, een Rosso uit San Gimagnano. Een blend van sangiovese en cabernet. Groots. www.ristorantedorando.it
4.Genovini in Corazzano. Bar, hotel, restaurant en benzinestation langs de kant van de weg. Bijtanken dus, en dat doe je in een grote eetzaal zonder poespas. Het eten is simpel, goedkoop en groots. Pappardelle al cinghiale is een verplicht nummer.
5.La Rocca in Volterra. Raviolo met een twist. En konijn met lardo. Fraaie wijnkaart ook. Vraag om de Ipogeo, Tenuta di Pecciolo. Een houtgelagerde rosso van sangiovese en merlot uit de buurt van Volterra. Mooi!

Bambina a tavola

snipshot_nx36oaxrk.jpg
foto en copyright: Cor Hospes

Mr. Global was met Mrs. en Miss Global twee weken vakantievieren in Italië. Juist naar de Laars omdat ze daar stapel op kinderen zijn. Maar in dit babyknotse land ontbreken in restaurants gek genoeg babystoeltjes. Mama's moeten hun bambina's kennelijk op schoot houden.

“O, che bella, si, che è più bella. Bellisima, bellisima.”
Lidia Alciati kan zich niet langer inhouden. Haar ogen schitteren het uit; zij wil Joeki vasthouden. Als zij onze babydochter in haar armen voelt, begint zij van geluk bijkans radioactief te stralen en tilt Joeki als een trofee boven haar hoofd het restaurant uit.
Wij halen onze schouders op, nemen nog een slokje Barbera D'Asti en horen uit de keuken gebaby en gebombarie; Joeki wordt voorgesteld aan de beroemde chef van het beroemdste restaurant van Piemonte, begrijpen we. En misschien dat zij van hem nog een vingerlikje pannacotta krijgt ook. Maar daarover maken we ons maar niet al te druk besluiten we, terwijl we smullen van een agnolotti al sugo d'arrosto en risotto carnaroli mantecato con zucchine e gallina di saluzzo, en nog voordat we die lange naam hebben uitgesproken zien we Joeki en Linda alweer aankomen. Restauranteigenaar Piero Alciati zweeft in trance achter hen aan. En Joeki, hoe jong ook, is gesmolten voor de fraailachende Piero.
“Bellisima, bellisima”, galmt het, "complimenti", en heel het restaurant belissimaat en complimenteert met hem mee.
Italianen zijn stapel op baby's. Het maakt van Italië het land om met je tien maanden jonge dochter op vakantie te gaan. Nergens in Europa kunnen baby's rekenen op zoveel aandacht. Op straat is er altijd wel een oma die haar diep in de ogen wil kijken of in haar wangen wenst te knijpen. Jonge vrouwen op terrassen blikken en blozen verlangend naar pappa en nog jongere en nog knappere meiden geinen dat ze ook wel zo'n bambina willen.
Lachende baby's maken lachende papa's.
In zo'n babyverliefd land zou je verwachten dat ze in restaurants over ballenbakken vol babystoeltjes beschikken. Maar nee, een babystoel had slechts een van alle ruim tien restaurants waar we een vorkje prikten. Gelukkig hadden we daar al voorzichtig een beetje rekening mee gehouden. Met in de aanslag steevast de Kidskit, een handig uitklapbaar blauw stoeltje met geel minitafeltje dat je aan andere stoelen kunt gespen. Een typisch klusje voor Mrs. Global, terwijl Mr. Global zich ontfermde over de wijnkaart.
Soms lieten we haar gedurende de antipasti, primi en secondi in de kinderwagen. Als zij die zat was, tilden we haar op. En met haar verrijzenis veerde iedereen in het restaurant dikwijls mee. Dan ging het weer van bella zus en bella zo, wilde een opa haar tegen zijn borst drukken, smolten oma's of vergat een meisje uit de bediening steevast enkele bestellingen. En onze dochter, wilde die misschien wat ham of iets anders eten. Maar met drie opkomende tandjes is het al lekker genoeg aan grissini's te knagen.
Wanneer Joeki dreigde te dreinen, nam ik haar mee naar buiten. Een beetje dollen op straat of voor de deur van het restaurant heen en weer wiegen. In Pisa vond zij dat het fijnst en begon zij erbij luidkeels te kirren. Iedereen binnen stak pardoes zijn hoofd om de deur. Joeki keek tevreden naar acht gezichten, incluis de kok en eigenares en slaakte nog een hoger kreetje.
Een automobilist in het straatje bleef rustig achter het stuur naar het wiegfeestje kijken, en nadat het hem echt te veel werd, stapte hij uit om Joeki over te nemen. Natuurlijk wist hij er een leuk Italiaans wiegedeuntje bij. Konden pappa en mamma rustig verder eten.

Mr. Global is op vakantie

San%20Miniato.jpg

Ik zit tot en met 24 september in San Miniato.

Topchefs Down Under III

Donna%20Hay.jpg

Zij is een van de meest invloedrijke culinaire auteurs ter wereld. Haar kookboeken zijn bestsellers, haar eigen tijdschrift is een hit en haar foodstyling vindt wereldwijd navolging. Keuvelen met de culinaire stijldiva Donna Hay.

“Echt waar, het is fantastisch een merk te zijn. Dat voelt veel beter dan te moeten fungeren als een persoonlijkheid zoals Jamie Oliver. Diens kookboeken bestaan zonder zijn gezicht niet. Ik blijf liever een abstract iets op de achtergrond. Probeer me zo ver mogelijk van het merk Donna Hay te houden. En dat lukt. Veel mensen denken dat Donna Hay net zo'n fictieve naam is als die van het tijdschrift Marie Claire. Dat schept ruimte tot afstand.”
Even voorstellen, Donna Hay.
Beroep: merk en stijlicoon.
Haar naam is verbonden aan een tijdschrift (330 duizend lezers per nummer), acht kookboeken (2,2 miljoen verkochte exemplaren wereldwijd) en een serviesreeks.
Eenderde van alle Australiërs hangt aan de lippen van haar columns in de bekendste zondagkranten.
'Wat kook je vanavond?'
'I'm doing a Donna.'
Iedereen down-under weet wat je bedoelt.
Het Donna-imperium zit verstopt op de bovenste verdiepingen van een voormalig textielpakhuis aan een non-de-script straatje in de heuvelbuurt Surry Hills, tien minuten met de taxi verwijderd van downtown Sydney.
Zij draagt die ochtend een zwarte slobberbroek met een mal wit bloesje.
Donna Hay is zelf allesbehalve een stijldiva, sterker, zij oogt als een huisvrouw uit Belfast.
Klein en gedrongen is zij. Zij heeft donker haar dat in slagen over haar schouders valt, mollige vingers en onderzoekende bruine ogen die mij de eerste minuten van ons gesprek niet loslaten. Okay, zij is hoogzwanger, maar dat neemt niet weg dat zij tevens zonder babybuik een stevig voorkomen moet hebben.
“Ik ben een gewoon meisje”, zegt zij. “Houd niet van uiterlijke poespas.” En het klinkt nog geloofwaardig ook.
Gek op eten. Daarom is zij in het foodstylingvak terecht gekomen. Zij kookte al vroeg voor haar ouders en zussen thuis. Na een studie fysiotherapie en huishoudkunde kreeg zij een stageplek als assistente bij een culinair stylist die vooral reclameopdrachten kreeg. Daarna werd zij culinair medewerker bij het tijdschrift Women's Weekly. Zij moest er niet alleen gerechten uitproberen, maar die ook stijlen voor de fotografie. Zonder bloemetjes, kandelaars en andere rimram zoals de culinaire stijlpolitie voorschreef in die tijd.
“Ik vond dat het gerecht centraal moest staan.”
Met die filosofie ontketende zij een foodstijlrevolutie die zij perfectioneerde bij de Australische Marie Claire. Daarvan verscheen in 1995 een Australische versie en zij mocht er als 25-jarige culinair redacteur doen wat zij wilde. Aldus ontstond wat zou uitgroeien tot de veelvuldig gekopieerde Donna Hay-stijl: moderne, verse en eenvoudige gerechten gefotografeerd op witte borden voor een witte achtergrond met hoogstens een servetje, houten plank of lepel.
“Vijftien minuten duurt nog steeds een shot. Van de eerste polaroid tot de eindfoto. We fotograferen dat gerecht zoals het is, in daglicht voor de naturel look. En daarna eten we dat met z'n allen op."
Na vijf jaar Marie Claire en verschillende Marie Claire-kookboeken startte zij in 2001 een tijdschrift onder haar eigen naam, met als onderschrift 'turn simple into special'. Kookboeken konden niet uitblijven.
Haar culinair adagium: simpel, smakelijk én stijlvol: “Mijn recepten moeten zonder gedoe zijn. Ik heb een hekel aan gerechten die veel vieze pannen of urenlange bereiding vergen.”
Hoogstens acht ingrediënten vormen de basis van veel van haar idioot-proof gerechten: “Iedereen die kan lezen, kan ze maken. Zo eenvoudig zijn ze. Mensen moeten ook het idee krijgen dat ze mijn gerechtne zelf thuis kunnen maken. Textuur is daarin voor mij belangrijk. Een gerecht moet uitnodigen om in te bijten.”
Donna Hay is een klein meiske, een klein krengetje is het ook. Zij staat bekend als lastig, explosief en veeleisend. Vermaard zijn haar uitvallen en driftbuien als dingen niet gaan zoals zij wil. “Ik ben enorm gepassioneerd en daardoor ook ongeduldig. Maar van nature ben ik nogal verlegen en kat-uit-de-boom-kijkerig. Vertrouwen moet je bij me winnen, ook mijn medewerkers, maar dan laat ik ze ook groeien als mijn eigen kinderen.”
Heeft zij Martha Stewart verstoten als stijlkoningin? De ex-gedetineerde vroeg Donna in 2001 of zij niet voor haar wilde werken. Over het antwoord hoefde Donna niet lang na te denken. “Het eten van Martha is meer bewerkelijk, waar ik meer van simpel houdt. En rond haar borden is het teveel kleur en drukte.”
Toch zal er wellicht ook rond haar witte borden meer drukte komen: “Foodstyling kun je niet los zien van maatschappelijke ontwikkelingen en lifestyle trends op het gebied van mode, design en architectuur, en daar zie je dat al een tijdje is gedaan met dat cleane, minimale en strakke. Mensen hebben behoefte aan een warme en comfortabele vluchtheuvel thuis. Je ziet dan ook meer kleur, warme stoffen, decoraties en ornamenten in interieurs. Het kan haast niet uitblijven dat foodstyling tevens meer barok en kleurrijk gaat worden.”
Dan komt een fotograaf binnen. Met een repo die hij voor het volgende nummer van het tijdschrift heeft geschoten. Ook legt hij rijen negatieven op de lichtbak; voorstellen voor het omslag. Hay trekt een vies gezicht. “Ik haat covers.” Bovendien, zij heeft trek. Er liggen nog koekjes en cakes in de keuken. Overblijfselen van de shoot van een dag eerder. Laat iemand anders zich maar over die cover buigen. Zij is even weg. Zij doet even haar eigen Donna.

Topchefs Down Under II

Bill03.jpg
foto: robvandervet.nl

Hij is een van de culinaire troeteldiertjes van Australië. Zijn gerechten zijn even smakelijk als verrassend, en makkelijk en snel te bereiden. En hij is down under de grote roerganger achter de ontbijtrage. Aanschuiven bij Bill Granger in Sydney.

Is hij nou een homo of niet.
We twijfelen.
Niet dat het belangrijk is, maar we weten totaal niet wat we met zijn glimlach aanmoeten. Aan het eind van bijna elke zin verschijnt die op zijn lippen, en als hij poseert voor fotograaf Rob, dan bezorgt zijn gemaakte grijns me bijkans jeuk, ja, ik krijg er echt rillingen van.
We hebben met Bill Granger afgesproken in zijn eerste zaak.
De deur zit verstopt aan het meest stille deel van Liverpool Street, achter Victoria Street in de trendy wijk Darlinghurst. En, heel handig, op de gevel of op het raam staat geen naam.
Vergeten, zegt hij. En nou hoeft het niet meer. Iedereen kent de plek, Sydneysiders althans. Die verklaarde hem met z'n allen voor gek toen hij op die plek in 1993 een restaurant voor ontbijt en lunch begon. De buurt was een speeltuin voor tippelaars, vechtersbazen en dronkaards. Het pand waarop hij zijn oog had laten vallen, stond niet voor niks al jaren leeg. Niemand durfde het aan.
Bill deinsde ervoor niet terug. Hij verfde de muren kraakwit, kocht een sober blankhouten Lundia-interieur en gaf zijn restaurant dus geen naam, zodat iedereen er nog eens aan voorbij kon lopen ook, ja, toen nog wel. Maar ach: “Sydneysiders vinden het spannender zelf een bar of restaurant te ontdekken.”
En zijn restaurant werd ontdekt, zoals de hele wijk; Darlinghurst is uitgegroeid tot een van de hipste buurten van de stad. En de klanten blijven naar hem komen.
's Ochtends om tien uur zijn alle tafeltjes bezet. Serveersters lopen af en aan met roereieren, sweet corn fritters en ricotta hotcakes. Gestropdaste managers vergaderen boven een kop macchiato naast een groepje jongeren dat getuige hun adem en oogopslag de hele nacht heeft gefeestbeest. Ontbijten is in Sydney uitgegroeid tot een rage, en Bill geldt als de grote roerganger. En dan komt weer die jeukverwekkende lach die overgaat in een heus binnenpretje deze keer: “Het restaurant mocht vanwege een hinderwetvergunning 's avonds niet open. Ik moest dus wel voor ontbijt en lunch kiezen.”
Intussen telt zijn culinaire imperium Bill's drie restaurants. En om niet in dezelfde instapfout te vervallen. Die andere twee hebben wel zijn naam op de gevel. Gebleven binnen is de minimale stijl met een enorm schoolbord waarop elke dag een ingehuurd schoolmeesterhandschrift het menu krijt.
Bill zelf schreef een stapeltje kookboeken en heeft een eigen kookprogramma dat ook te zien was op RTL4. Hij is uitgegroeid tot een merk.
“Ik sta voor alledaags, casual, relaxed en sunny, precies de manier ook waarop ik met eten en koken omga.”
Relaxed voelt hij zelf evenwel niet meer, sterker, hij zit een beetje met zijn faam in zijn maag. “Ik ben nogal verlegen. Weet me soms met al die aandacht geen raad. Misschien dat ik daarom ter maskering iets te vaak gespannen lach.”
Aha, daarom.
We hoeven dus niet te wachten op een verlate coming out.
Bill werkte dertien jaar geleden nog als ober in een lunchrestaurant, vertelt hij. De eigenaar zag hem zijn eigen lunch bereiden, en dacht, goh, die is lekker bezig. Dus mocht hij steeds vaker plaatsnemen achter het fornuis.
“Ik voel me geen chef. Ik leer mensen wat homecooking is. Een kookstijl waarmee ik zelf ben opgegroeid op het platteland.”
Letterlijk homecooking. Al zijn recepten zijn thuis getest door zijn drie dochters voor wie hij elke dag kookt. “Als je kinderen hebt, kom je vanzelf uit bij eenvoudige recepten. Je stopt een eenpansgerecht in de oven en de kinderen in bad.”
De kaart in zijn restaurants is evenzo wars van opsmuk.
“Mensen hebben weer behoefte aan locale gerechten en authentieke smaken. Willen de herkomst weten van producten. Komt doordat eten overal ter wereld op elkaar is gaan lijken. Sydney, Londen of New York: chefs volgen dezelfde trend. Koken is verworden tot mode en zijn eigenheid kwijtgeraakt. Je vindt soms invloeden uit vier continenten op een bord, en dat gaat te ver. Fushion is doorgeschoten.”
Daarom: “In Australië zijn we met die fushion begonnen, dus moeten we die ook weer uit elkaar trekken. Tot simpele gerechten met pure eigen smaken. Geen ingekookte sauzen en andere ingewikkelde bereidingfratsen, maar eenvoudige recepten, vers en met smaak.”
Ah eindelijk, de scrambled eggs komen op tafel.
Met een glas verse jus en gebakken bacon is er geen beter ontbijt.
En heb je een ochtendhumeur, dan krijg je er van Bill een snufje glimlach bij.

TIP
Een keurige versie van dit gesprek staat deze maand in TIP.

Sherry oh Baby

Drank & de man

Vatentellenman.jpg
foto: robvandervet.nl

Een half uur wachten we, nog een kwartiertje en dan besluiten we dat het mooi genoeg is geweest. Spanjaarden komen graag te laat, maar een gids die twee journalisten drie kwartier voor een afspraak laat wachten, nou vooruit, nog tien minuten dan, we gaan tenslotte aanschuiven bij het beste restaurant van Andalusië, maar nee, nog verschijnt onze vriendelijke vriend niet. “Zijn auto staat voor de deur”, ziet fotograaf Rob, om te vervolgen. “Volgens mij is hij gewoon lam. Is hij vanmiddag met de chauffeur de kroeg ingedoken en ons gewoon vergeten. Tapaatje dan maar?”

Ik herken hem van afstand: Bartolomé Vergara. Zijn jasje draagt hij nog altijd losjes over de schouders, zijn handen vrij om sigaretten te roken of glaasjes fino of amontillado rond te delen. Hij heeft nog minder haar dan de vorige keer; de paar slierten die zijn schedel gedogen, heeft hij over zijn kale hoofd geplakt.
“Buenos dias senior Vergara.”
Hij lacht, dirigeert ons naar zijn auto en begint herinneringen op te halen. Bartolomé is sherrygoeroe en werkt voor het Spaanse opperorgaan van sherry in Jerez als begeleider van journalisten die de sherrydriehoek bezoeken. Zelf stamt hij ook uit een voornaam sherryhuis dat voor veel geld werd overgenomen door Harveys.
Drie jaar geleden ontmoette ik Bartolomé voor het eerst. Ik was naar Jerez gereisd namens een country-tijdschrift voor een reportage over de oudste bodega van de streek. Andere journalisten reisden met andere verhaalopdrachten met mij mee.
Deze keer ben ik alleen met fotograaf Rob om meerdere verhalen te coveren. Maar eerst moet er worden gedronken en gegeten, zegt Bartolomé die getuige zijn adem al een voorproefje op de lunch heeft genomen.
We hebben vier dagen voor minimaal drie artikelen. We willen iets met paarden en stieren, iets met manzanilla en iets met iets onverwachts. Na anderhalve dag al vraagt Bartolomé of we niet een tempootje lager kunnen. Hij begrijpt ons niet. Dan weer heb ik een vraag, dan weer moet hij daar een afspraak maken, dan weer komt er een ander verzoek.
“We zijn hier voor drie verhalen Bartolomé”, probeer ik, “en dat betekent dat we met z'n allen drie keer harder dan normaal ons best moeten doen.”
Hij veegt zweet van zijn voorhoofd, vraagt nog maar eens om een glas Tio Pepe, en zal alles in orde maken. Belooft hij. Maar in plaats daarvan loopt hij steeds vaker mopperend met een glas in zijn hand achter ons aan, en dat al soms om tien uur 's ochtends.
Onze aanwezigheid kleurt Bartolomé steeds roder, niet van de drank, maar van ons aandringen om informatie, adressen en andere assistentie. Hij is duidelijk niet meer dezelfde Bartolomé als drie jaar geleden; hij is nog steeds sherry-devoot, maar vooral dorstiger geworden.
Een lunch brengt hem vaak redding, maar hij blijft wanhopig hoofdschudden als Rob voor de zoveelste keer halt houdt en zijn camera pakt.
Het loopt uit de hand als we gaan buurten bij Don Alvaro Domecq, paardenfokker, stierenvechter en telg van een fameus sherrygeslacht, dat wordt gezien als de ongekroonde koninklijke familie van Andalusië.
In een eigentijdse jeep scheuren we over het majestueuze familielandgoed nabij Medina Sidonia. Broedplaats van Spaanse raspaarden en Torrestrella-stieren. De don poseert in traditionele ruiterkleding als een edelman op een schilderij van Velasquez. Tijd voor een interview heeft hij niet, wel paradeert hij graag voor de camera een rondje te paard tussen zijn briesende stieren en andere opgewonden Torrestrella-standjes. Ook toont hij gretig de familiearena waar hij de fijne kneepjes van het stierenvechten leerde, en waar een toreador voor koninklijk bezoek nog steeds graag in een stiertje prikt.
Maar kom, gebaart Bartolomé, we moeten gaan.
Rob is evenwel nog niet klaar. Die heeft nog een tiental hippische stillevens in gedachten, zijn camera tuurt in de ogen van een stier en verderop heeft hij een wand gezien vol stierenvechterparafernalia.
Dus Rob blijft klikken en Bartolomé kijkt alsmaar zenuwachtiger. En ik sta er middenin. Bartolomé langer dan tien minuten afleiden, lukt me niet, want ineens galoppeert hij richting Rob.
“Rob, sometimes enough is enough”, roept Bartolomé bozig.
Even raakt hij Rob aan, heel even maar, en dat moet je niet doen.
Rob's ogen spuwen vuur, zijn onderlip hangt in de allerlaagste stand en dat duidt op gevaar. Zelfs een stier zie ik achteruit deinen. Maar gelukkig voor mens en stier lopen Rob en zijn Nikon een andere kant naar een fotogenieke stal op. Bartolomé stampvoet Andalusische verwensingen pruttelend richting de auto. Ik volg minzaam, Rob arriveert een kwartier later.
“Ik word helemaal gek van die man, jezus, ik sta hier verdomme gewoon mijn werk te doen. Laat hem dat nou ook doen, die idioot. We zijn toch ook voor hem bezig.”
Rob is verhit, Bartolomé zwijgt en ik voel me ongemakkelijk, kortom, de toon is gezet voor een onvergetelijke autorit en ontspannen lunch waarbij obers aangevuurd door Bartolomé in Bonfire-draf met allerlei fijns van en naar onze tafel galopperen.
Bartolomé ontdooit na een fles fino en een fles rood en enkele digestieven. Wandelend door Sanlúcar de Barrameda ziet hij steeds meer vrienden. En dan blijft hij die avond helemaal weg.
De volgende ochtend weet hij van geen avondprogramma. Dat onze hotelkamers zijn gesponsord door de Consejo Regulador van sherry, nee, daar weet hij niks van, en dan, ja, dan vind ik het ook welletjes en kijk Bartolomé met mijn meest doordringende wenkbrauwfrons aan.
“Bartolomé, sometimes enough is enough.”
Hij verstart, zegt dat de rekening in orde is en rijdt ons stilzwijgend naar ons volgende hotel.
“We komen er zelf wel uit”, zeg ik. “Dank je voor je hulp, we willen vandaag gewoon nog wat struinen door Jerez, dank je wel.”
We hebben Bartolomé in Jerez nog een paar keer op een terras zien zitten. Zijn jasje losjes over zijn schouders, in zijn hand een glas sherry. Hij keek bevrijd en gelukkig.

[kader]
Bartolomé is niet langer werkzaam voor de Consejo Regulador de las Denominaciones de Origin Jerez-Xeres-Sherry-Manzanilla Sanlúcar de Barrameda y Vinagre de Jerez. Hij heeft een eigen bedrijf en leidt in opdracht nog steeds journalisten rond.

Cuilnaire PC

NFFair.jpg

Op 2 september wordt die voor de negende keer in Amsterdam gehouden. In de lekkerste straat van ons land: de New Food Fair. Mr. Global zat aan tafel bij de voorbereidingen en genoot van de humor uit de Straat en van de Dijk.

"Hoe houden we het Westindisch Huis fietsvrij?"
"Volgens mij heeft Manfred die boordjes 'Fietsen Weg' nog."
"We moeten ook de geparkeerde auto's niet vergeten."
"Vorig jaar waren die allemaal keurig weg op eentje na. Daar hebben we toen een doek over heen gegooid."
"Ja, zo'n oud Peugeootje was dat. Manfred heeft daarin nog een flesje ranzige olie gegoten."
"Moet haast wel, want dat kreng spoot de volgende ochtend weg."

Het is woensdag twaalf uur. Aan tafel vergadert de organisatie van de Amsterdamse New Food Fair. Even voorstellen, met de klok mee: Maarten van Caulil van delicatessenzaak Caulils, Manfred Meeuwig van de gelijknamige olie-, mosterd en azijnwinkel, Harry Potjes van wijnhandel Chabrol, Robert Peppelenbos van restaurant Stout!, straatmanager Nel de Jager namens ondernemersvereniging Straat & Dijk, en foodstyliste en Haarlemmerbuurtfan Hanneke Boers, die samen met Nel fungeert als het aanspreekpunt voor de winkeliers.
Notulen zijn er niet, een agenda ontbreekt. Elk mogelijk onderwerp wordt in het voorbijgaan aangestipt en afgevinkt.
Toch ligt het draaiboek bijna klaar van alweer de negende New Food Fair. Ooit opgestart voor restaurateurs die een andere manier van koken predikten, vertelt Van Caulil. Maar anno vandaag zijn het vooral foodwinkels uit de Haarlemmerstraat en -dijk, kortweg Straat en Dijk geheten, die zich er met hun waar en leveranciers presenteren. Met als epicentrum het Westindisch Huis.
Van Caulil: “Op 2 september loop je hier van een kraampje met champagne naar een stalletje met broodjes gebakken choriso met uien, waar verderop oesters of een Tome d'Auvergne wachten.”
Hoe anders was het ruim 25 jaar geleden. Toen walmde de geur van ganja en nederwiet over straat. Stadsrenovaties rondom hadden bewoners en winkeliers weggejaagd. Coffeeshops hadden de plek voor de dagelijkse boodschappen van de bakker en kruidenier ingenomen.
Onder leiding van buurtbewoonster en tegenwoordig straatmanager Nel de Jager kwam er een omslag. Zij lokte kleine zelfstandigen naar de Straat en Dijk om er een winkel te beginnen. Alleen gas en elektrisch hoefden ze betalen.
Een van de eersten die in 1995 toehapte, was Manfred Meeuwig met zijn olie- , mosterd- en azijnwinkel. En een paar jaar later begon de buurt zowaar weer een beetje te bruizen, noteerden ook enkele ketens. Maar een verblokkerisering wist De Jager tegen te gaan. Straat en Dijk moesten een outlet voor kleine zelfstandigen blijven. En dat zijn vooral food-angehauchte winkeliers.
“Dat is organisch zo gegroeid”, zegt straatmanager Nel de Jager. “Je ziet steeds meer gepassioneerde ondernemers die iets met eten willen doen, en de één trekt de ander aan.”

De New Food Fair-organisatie loopt niet elke vergadering op volle kracht. Meeuwig is op vakantie, Boers heeft een shoot en De Jager komt een uur later. Maar zij heeft dan ook groot nieuws: “We hebben er nog een evenement bij gekregen. De buurt krijgt een Keurmerk Veilig Ondernemen uitgereikt, en daarmee zijn we de eerste in de Amsterdamse binnenstad. Daarvoor wordt een convenant ondertekend tussen 1 en 2, en dat kunnen we voor het Westindisch Huis doen, dacht ik.”
Peppelenbos: “Is daar wel ruimte genoeg. Het staat er dan rammetje vol.”
Potjes: “Waarom doen we die uitreiking niet op de brug, lekker ver weg.”
De Jager, serieus: “Dat kan toch helemaal niet, dan verdwijnt het.”
Peppelenbos doet er nog een schepje bovenop: “Krijgen we geen extra subsidie voor dat feestje, dan kunnen we misschien wel die grote parasols betalen. En wat voor hotemetoten komen daar eigenlijk allemaal?”
De Jager: “Raadsleden, en vertegenwoordigers van de politie en brandweer. Ik ben wel ceremoniemeester. Er moet een katheder met microfoon komen, en dat regel ik wel bij het Westindisch Huis, en verder, die mensen willen zitten.”
Peppelenbos: “Ach nee, die mensen willen zitten....”
Potjes: “We hebben toch bierbanken?”
De Jager: “We moeten voor de genodigden wel een cadeautje maken. Maarten, kan jij dat doen met wat producten uit de zaak, jij krijgt daarvoor betaalt.”
Caulils: “Heb je een prijsindicatie.”
De Jager: “15 euro?”
Peppelenbos: “Dat zijn bij hem twee plakken ham.”
De Jager: “Kan Chabrol misschien de wijn sponsoren, is dat een idee. Nou ja, ik bedenk wel wat.”

Van de sixties Slager Blommestein tot het überhippe Papabubble: een wandeling langs de eetwinkels op de Haarlemmerstraat en Haarlemmerdijk is een reis door de tijd. De slager snijdt nog op ouderwets wijze verse spekblokjes van een reuze speklap. Papabubble is een nieuwerwetse Jamin waar op ambachtelijke manier snoep wordt gemaakt. Ja hoor, kom gerust kijken hoe eigenaren Dominik Otto en Marieken van den Brink een reuzesushi transformeren tot een meterlange slang waaruit ze honderden snoepjes hakken. In de verrassende smaakjes lavendel en scherpe kaneel. Of voorzien van een logo of hartje voor bedrijven en newly weds.
“Er broeit hier van alles", vertelt Papabubler Van den Brink. "De straat is upcoming en trendy, en lokt mensen uit tot hippe creatieve ideeën.”
Tampopo is zo'n creatief hip idee. Een toko nieuwe stijl bekleed met kekke witte tegeltjes. Maar hip is niet de ingang, interrumpeert initiatiefnemer Willy Demacker. Tampopo vult het gat tussen toko's en supermarkten. Bij de laatste vind je hoogstens twee zakjes Patak's en het obligate wandrek Conimex. Toko's zijn veel spannender en ruimer gesorteerd, maar een beetje shabby, vindt Demacker. Bovendien staan alle producten er door elkaar en spreekt het personeel amper Nederlands. "Vandaar dat wij hebben gekozen voor een strak en clean interieur met heldere informatie per landengroep.”
Met Tampopo is Azië in de buurt neergestreken. Eerder landde er een Portugees (Casa Bocage), Spanjaard (Hollandaluz) en mediterraan (Caulils), en binnenkort opent Sam's Markets, volgestouwd met 250 producten geïmporteerd uit Amerika. Het is wachten op de eerste ondernemer die zich werpt op soetkoekies, sousboontjes, boerewors en biltong. En Kaapse wijn, alweer wijn, want er is wellicht geen straat in Nederland waar zich zoveel wijnverkooppunten per strekkende meter bevinden. Niet vreemd. Van zoveel eten krijg je immers een flinke dorst.

Caulils: “Elektra? Weten jullie wie voor het Westindisch Huis stroom nodig hebben?”
Peppelenbos: “Vorig jaar alleen Holtkamp, en die stond bij Manfred voor. Waarschijnlijk tapte die elektriciteit bij hem dus af. Laat die anderen dus maar bij het Westindisch Huis aftappen ofzo.”
Potjes: “Hoe ga jij het dan aanpakken bij het diner dan.”
Caulils: “Ik heb de Kookstudio afgehuurd. We rijden alles op voorverwarmde trollies hier naartoe en houden het eten warm op een gasbarbecue.”
Potjes: “Wat doen we als het gaat regenen eigenlijk?”
Peppelenbos: “Dan kan Holtkamp zijn frituur in het vet laten en zijn we ook van dat probleem verlost.”

Regen of zon, dat komt wel goed op de New Food Fair. Je kunt je nog opgeven voor de twee avonddiners van Caulils of Stout!. Inlichtingen op www.newfoodfair.nl

Backstagediner

Menpower

Backstagedinersnip.jpg
Foto: Cor Hospes

Een wereldwijde première. Tijdens de vijfde editie van de Amsterdam International Fashion Week: een driegangen diner tussen modellen, visagisten en modestylisten. Vlak voor de catwalkshow van modeontwerper Hans Ubbink. Want denk toch niet dat een ontwerper uit Parijs, Milaan of Londen zoiets kan verzinnen.

Zeker. Hans Ubbink is de leukste modeontwerper van ons land. Hij is een menselijk lichtpuntje in een schijnwereld die aan elkaar botoxt van glibberige handjes en plastic glimlachjes.
Aardige ideeën heeft Hans ook. Zo redactiet hij al vier zomers lang in eigen beheer het Vakantiedoeboek bij elkaar. Ouderen herkennen dat misschien nog wel zo'n boek vol puzzels, kleur- en knipplaatjes, strips en verhaaltjes. Het moest je op de achterbank van een Taunus, Simca of Dyane richting de camping in Frankrijk, Spanje of Italië honderden kilometers koest houden.
Hans maakt net zoiets, maar dan met een knipoog voor volwassenen. Want die knipoog hoort bij Hans, zegt Hans. En die kenmerkt tevens zijn collecties die hij steevast toont tijdens de Amsterdam International Fashion Week (AIFW), vanzelfsprekend ook op knipoogwijze.
Dan sneeuwt het bij hem op de catwalk, dan schommelen hoog boven de witte loper Christo-iaans ingepakte meisjes, dan zingt er een Medemblikker Mannenkoor en anders wordt er wel een zakje friet geserveerd.
Kennelijk smaakte dat naar meer, zoals eten vaker opduikt in relatie tot mode. Want huiver even mee: het Japanse merk Shiseido lanceerde onlangs nog een drankje dat vetverbranding moet stimuleren; het fooddesignersduo Foodoo zei het met fashionfood; en volle borden in modereportages zijn allang geen trouvaille meer.
Hans wilde het daarom groter, en had voor de vijfde editie van de AIFW een backstagediner bedacht. Voorafgaand aan zijn catwalkshow.
Drie shifts, elk van drie kwartier.
Een ambitieus plan, dat natuurlijk ontspoorde.
Dat hoort bij elke eerste keer.
Terwijl visagisten, stylisten en andere modebemoeials de mannequins in de nieuwste collectie van Hans hesen, werden wij getrakteerd op een zwart inktvissoepje, witte tonijn en een passievruchtdessert met een rietje waaraan we mochten zuigen, frontstage wel te verstaan.
Tijd voor een tweede glaasje Chardonnay was er nauwelijks.
Na 25 minuten stonden we alweer buiten.
We voelden een klein boertje opkomen ten teken dat we vooral onder de indruk waren van de presentatie van het backstagediner, opgediend door een leger mooie meisjes en jongens. In een gongslag paradeerde dat in een langgerekte slingerrij met kommetjes soep naar binnen. Strak kijkend op weg naar onze tafeltjes om daar als versteend te blijven staan en pas in de volgende 'boing' het eten te serveren, en in de derde boing, nog altijd zoutpilaarzwijgzaam, weer te verdwijnen.
Snel happen en doorslikken was verplicht, want na acht minuten en alweer een boing catwalkten de obermannequins opnieuw dreigend richting de tafels om de borden op te ruimen, en zo ging dat dus nog een paar keer.
De modeshow zelf ging een beetje aan ons voorbij.
We vergaapten ons vooral aan BN'ers.
Regilio Tuur was er natuurlijk; hij had behalve een blonde schaduw de gesjeesde ex-Ajacied Nordin Wooter meegenomen. Op de eerste rij kirde Daniel Boissevain van plezier en bekeek Matthijs van Nieuwkerk vanonder een mal hoedje met steeds hollere ogen naar alsmaar langere benen en diepere decolletées.
Aan het eind van de show kwamen alle modellen in smetteloos wit met flessen rosé over de catwalk aanrennen om die in plastic bekertjes boven het publiek uit te schenken.
Dat rosé akelige plekken op dat fraaie wit kan achterlaten, dat moest Hans die avond even voor lief nemen. Witte wijn was er kennelijk niet meer. Die flessen waren backstage natuurlijk door alcohollustige modellen achterover geslagen.
Zo werd het frontstage zowaar backstage-gezellig.
We begonnen weer trek te krijgen.

[kader]
De collectie van Hans Ubbink kun je bekijken op www.hansubbink.com. Blader ook eens digitaal door het Vakantiedoeboek op www.humanholidays.com en ontdek waarom Mr. Global zo'n grote fan van Hans is.

Toffe Peer

Drank & de man

Perryman.jpg
foto: robvandervet.nl

Hij was tourmanager en sound engineer bij onder meer Van Morrison, Everything But the Girl, The Proclaimers en Burning Spear, en leefde een leven van seks & drugs & rock 'n roll. Totdat hij de smaak van Coppy, Gin en Butt te pakken kreeg en koos voor een leven als perry-maker. Op bezoek bij Tom Oliver, de tofste peer van Engeland.

We meanderen over glooiiende heuvels en smalle weggetjes, langs oude stallen en zwart-wit boerderijen. Na drie kwartier draaien en keren en de fraaiste doorkijkjes op het platteland van Herefordshire krijgen we eindelijk te zien waar Tom Oliver zo van houdt: Coppy-peren.
Honderden hangen tussen de bladeren te glimmen.
Bijzonder, want de Coppy-peer is uiterst zeldzaam.
Tom glundert zijn grootste glunder.
“Een Coppy bevat minder sap, maar dat is dan wel het allerfijnste sap dat ik ken. Dik en stroperig, een ietsepietsje minder zuur dan andere ciderperen, en met een heerlijke bloemige neus. Het maakt Coppy-peren ideaal voor perry, oftewel perencider.”
Tom is perrymaker. Ooit was hij full-time sound engineer en tourmanager voor tal van Britse bands, maar hij heeft gezien zijn kalende hoofd zijn wilde haren letterlijk verloren en de tijd van seks & drugs & rock 'n roll achter zich gelaten.
Hoho, tempert hij: “Ik heb on tour nooit zo'n wild leven gekend hoor, o nee, dat is niks voor mij. Ik ben met mijn jeugdliefde getrouwd en heb nooit een andere vrouw aangeraakt.”
Hij trekt er een nog olijker gezicht bij alsof hij het echt meent.
Waarom ook niet. Een rocker die van perry houdt, zeg nou zelf, ook dat is ongewoon. En Tom is dol op perry. Niet die zoete supermarktshit van Babycham en andere fabrieken, zegt hij, maar het echte ambachtelijke spul. Vervelend: dat bleek steeds lastiger te krijgen. Dus besloot hij de drank zelf te maken en daarmee trad hij in de voetsporen van zijn opa. “Ik heb boerenbloed en ben opgegroeid op de familieboerderij in Ocle Pychard hier in Hereford, en daar woon ik nog steeds. "
Perry is een zeer British drankje. Zoals whisky hoort bij de Schotse Highlands, hoort perry bij de Engelse Midlands. Om precies te zijn de graafschappen Gloucestershire, Worcestershire en Herefordshire. Vroeger verdwaalde je daar tussen de appel- en perenbomen. Appel- en perencider waren toen ook mateloos populair, vooral in de 17e eeuw. Door oorlogen met Frankrijk bleef de toevoer van wijn en champagne beperkt, en bleken cider en perry goede alternatieven, waarbij vooral perry werd gezien als een sjiek drankje voor sjieke mijnheren en mevrouwen.
Na de industriële revolutie bleken peren- en appelbomen evenwel populairder als brandhout dan als bron voor cidersap, en sneuvelden honderdduizenden bomen. En nog steeds moeten die wijken voor wegen en Vinex.
Tom proeft evenwel een ommezwaai. Recent werd de Three Counties Cider & Perry Association opgericht, een broedstoof voor mensen met passie voor appels en peren. Ook de internationale organisatie Slow Food heeft perry omarmd. Tom is daarom alsmaar minder aan het rocken.
“Eerst was ik enkel aanwezig bij de oogst. De rest van het jaar was ik met de bands op pad. Maar ik merkte dat mijn aanwezigheid het hele jaar nodig is voor de smaak van perry. De langzaam groeiende bomen, de tijdrovende teelt, de pluk en rijping: voor perry moet je echt de tijd nemen.”
In totaal zijn er 120 perensoorten. Voor perry gebruik je geen gewone hand- of stoofperen. Die zijn voor perencider te zoet. En goede perrypeer smaakt als een zure bom. “Als je eruit een hap neemt, hoor je een scheve mond te krijgen. Hoe meer tannine, hoe beter.”
In een schuur naast zijn huis heeft Tom een ouderwetse fruitpers staan. Hij heeft eigen boomgaarden en mag takken van anderen leegplukken, vaak restanten van oude grote boomgaarden. Tijdens de oogst in het najaar bij elkaar goed voor zo'n 9000 liter perensap dat acht tot veertien weken mag gisten, waarna het wordt gegoten in vaten van Schots eikenhout die perry zachtheid geven.
"Proef maar", zegt hij.
We dachten dat het nooit zover zou komen.
Er komen flessen met fraaie etiketten op tafel. Waterlow, Thunderbock Ram, Rabbit Foot & Toby Time staat erop: titels van muzieknummers van Mott the Hoople, begrijpen we. Een 'gouwe ouwe'-band uit Hereford waarvan hij een bandlid persoonlijk kende.
De blends variëren in kleur van goud- tot lichtgeel, en hebben een palet dat danst van zoet naar zuur. Vooral de Waterlow en Oliver's Vintage 1999 bezorgen onze papillen vreugdevuren. Geuren van peren en passievruchten vechten om voorrang onze neuzen binnen met vleugjes citrus en weidebloemen. De perry's zijn fluweeelzacht en laten een stroperig laagje achter op onze tong.
"Ik proef moscatel", ontkurk ik.
“Dat is de Coppy”, lacht Tom, “mijn handtekening. En die onderscheidt mijn perry van alle andere perrys.”
We neuriën er spontaan een wijsje van Everything But The Girl bij.
In de perry van Tom zit muziek.
Hij zal voor altijd wel een beetje een sound engineer blijven.

Iqaluit

Iqaluit.jpg

“Spareribs van zeehondenvlees, hoe smaken die nou.”
Een eskimo in een gewatteerd douanierjack kijkt me bevreemd aan.
“Hoe zeehonden smaken”, herhaalt hij, en er komt een verlekkerde glimlach op zijn bolle Texmex gezicht.
Ik knik, iets te gretig misschien.
“Zeehondenvlees smaakt naar zeehondenvlees”, zegt hij. “Waar moet dat anders naar smaken.”
Ik knik opnieuw. Eskimo's hebben een logica die zelfs Cruyffiaanse volkswijsheden doen verbleken.

We zijn met vlucht NW 0046 van Northwest Airlines op weg naar Minneapolis. Boven de poolcirkel horen we dat we een noodlanding moeten maken. Een Franse passagier heeft hartproblemen en verdient rap ziekenhuisonderzoek.
De dichtstbijzijnde luchthaven heet Iqaluit, de hoofdstad van de Canadese provincie Nunavut op Baffin Island, vlak onder de poolcirkel. Dat eiland bestaat uit kilometers bruinzwarte kale rotsen met stroompjes sneeuw en water, zie ik vanuit mijn vliegtuigraampje. Niks geen bomen of andere groene vegetatie. Echt een plek voor een zorgeloze olé-olé vakantie.
De landingsbaan van Iqaluit blijkt voor een Boeing net lang genoeg. Met een hoogwerker en later een andere hoogwerker wordt gepoogd de Franse patiënt uit het vliegtuig te tillen. Die moet dan welhaast doodgevroren zijn. Zelfs medio juli heerst op Baffin Island een ijzige snoeiwind.
Nu snel verder vliegen naar Minneapolis, duimendraaien we. Maar dat verloopt anders.
Rapporten moeten worden ondertekend, documenten moeten worden verstuurd. Het duurt uren voordat iemand daarvoor de juiste handtekening kan vinden.
Dan spreekt de gezagvoerder: “Sorry dat het allemaal zo lang duurt, maar u begrijpt, we hebben hier nog niet eerder geland.”
Dat begrijpen we.
Wat we niet begrijpen, is dat we vlucht NW0046 niet mogen verlaten. En dat pas vier uur later ter afleiding de entertainmentschermen weer werken. Een goedmakertje voor nog slechter nieuws, want het vliegtuig moet voor verder vluchtvertoon eerst een paraafje krijgen; de Boeing is met overgewicht geland en daarom behoeft het landingsgestel controle. Omdat het vliegveldpersoneel van Iqaluit voor zo'n keuring onbevoegd is, dient er een keurmeester uit Minneapolis te komen, bijna vier uur Boeingen verderop. In zijn lege vliegtuig gaan wij verder naar Minnaepolis. Zonder bagage, want die kunnen ze in Iqaluit niet uit het ruim van vlucht NW0046 krijgen. En begrijpen we, we mogen ons vliegtuig pas verlaten als het andere is geland.
Er gaat een gezamenlijke kreun door NW0046.
Na acht uur vliegtuigarrest laat de gezagvoerder ons los in de vertrek- annex aankomsthal van Iqaluit, en geloof het of niet, we krijgen een stempeltje in ons paspoort en onze handbagage wordt gescreend. Iqaluit betekent in eskimotaal 'plek van veel vis'. Maar de meeste van de 6200 inwoners hebben hun hengel ingeruild voor de ambtenarij sinds Iqaluit de hoofdstad werd van de nieuwe provincie Nunavut. En gek op ambtenarij zijn ze.
Op het vliegveld vind ik een toeristisch blaadje. Ik lees daarin dat je in het stadje hip kunt slapen bij B&B Kajjaarvik. De hangjeugd snackt bij Northern Light Café en casual dining doe je bij Wizards Bistro. Geliefd bij de bevolking zijn kariboe, muskusos, garnalen, schelpen, walvisvlees en parelhoen. Het nationale hapje van de poolcirkel is zeehondenvlees. Met de groeten van Greenpeace.
“Het lekkerste stukje zeehond is de rug, een soort biefstuk”, verhaalt een douanier. “Een steak tartare van een verse rug is echt goddelijk. En de lever van een zeehond doet niet onder voor een echte foie gras.”
Ik kijk om me heen maar het vliegveldrestaurant is gesloten. Als dat überhaupt voor een bordje zeehondenvlees opengaat.
“De smaak van zeehondenvlees is nergens mee te vergelijken”, gaat de eskimo verlekkerd verder. “Het is wild vlees. Met vis heeft het niets te maken.”
Een mevrouw in een jas van zeehondenleer praat gezellig mee en vertelt dat onderzoekers hebben vastgesteld dat de bewoners van de arctische regio van Canada nauwelijks cardiovasculaire problemen hebben. Zeehondenolie is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren van het type Omega-3, die essentieel schijnen te zijn voor de mens. Dit vetzuur met een Star Trek-formule zit in vis en zeezoogdieren en vooral in zeehonden. Waarschijnlijk heeft de getroffen Fransman aan een infuus van zeehondenolie gelegen, want hij heeft zich breed lachend weer bij ons vervoegd.
“Zijn we daarvoor gestopt”, moppert mijn buurman uit San Francisco. “Waarom is die sonafabitch op zijn minst niet gestorven.”
Met vijftien uur vertraging landen we uiteindelijk op het vliegveld van Minneapolis. Van Northwest Airlines krijgen we tien dollar. Dat is de prijs die ze bij die vliegtuigmaatschappij rekenen voor een klote nacht met vijftien uur vertraging. Een paar hartkalmerende Omega-3 pillen zijn wellicht meer op hun plaats. Of een steak tartare van zeehondenvlees. Maar die kunnen we tussen de Taco Bell's, Subway's en McDonald's op het vliegveld van Minneapolis niet vinden. Die luchthaven handelt liever in hartvertragend vet. Dat belooft wat voor de aansluitende vlucht naar Salt Lake City.

[kader]
Mr. Global had in Amerika geen culinaire missie. Maar was op weg naar Bonneville. Meer weten? Surf naar www.bonneville400.com.

Miroosje

Adresjes

GentSchinkel.jpg
foto: robvandervet.nl

“En een fles Chardonnay graag.”
“Die witte?”
“Pardon?”
“Die witte wijn, je bedoelt die witte wijn?”
“Nee lieverd, we willen graag een rode Chardonnay. Ga maar vragen achter de bar en dan komt het allemaal goed.”

De zon schijnt in Amsterdam. De terrassen zitten vol gelukkige gezichten. Tussen vijf en negen is het spitstijd voor bier en bitterballen. Er wordt gesjanst, geblikt en geblozen. Enkel het defilé van Slavische accordeonisten en klarinetspelers doet de zomerzotheid enigszins verschralen.
Voor terrassen zonder Bulgaarse en Roemeense straattroubadours dient Amsterdam uit te wijken naar buiten de grachtengordel. Op een daarvan had ik afgelopen donderdag een tijdschriftborrel. Bij Café Gent aan de Schinkel, vlak achter het Vondelpark bij de Schinkelbrug. Een droomlocatie aan een doorvoerwater voor vrachtschepen en ander bootjesverkeer.
Ook bij Gent aan de Schinkel een ongebruikelijke doordeweekse spits. De dienbladen met rosé en bier deinden over de hoofden, en wij deinden in dorstige vaart met de dienbladen mee.
Met acht man waren we. Amstel dronken we. Enkelen Bob-ten op cola light, maar kregen steevast spa rood geserveerd van ons tafelmeisje.
Een jong ding. Bloot topje, arrogante blik, groots draaiende billen. Eerstejaars, tweedejaars, Havo-eindexamen? Moeilijk te schatten. Wel duidelijk: haar laag uitgesneden spijkerbroek zat veel te strak en deed haar buik en heupen over haar broekriem knellen.
Na zo'n zes rondjes en twee schalen bittergarnituur vroegen we haar of we konden eten.
Zij keek ons tafeltje rond, trok een dommig gezicht en zei:
“Nee dat kan niet, jullie zijn met teveel personen.”
“Teveel personen?” gromden we in koor.
Ja, teveel personen.
We keken om ons heen, telden acht personen aan ons tafeltje en zagen een veelvoud daarvan op het terras en verder om ons heen.
“Ik ga weg”, besloot direct één van ons.
“Als het zo moet, ga ik ook”, zei een ander.
We vroegen om een time out, zwaaiden enkele briesende personen uit en bestelden nog een rondje vaasjes en cola light.
We kregen vier vaasjes en, jawel, een spa, en hoorden dat we nu wel konden eten. We waren te verbouwereerd om alsnog op te stappen en ondergingen in volle inertie wat er verder op tafel kwam.
En dat was cafépretentieus en te duur.
We bestelden nog een fles rode Chardonnay en een schaaltje gefrituurde aardappelreepjes, maar nee, dat extra schaaltje kregen we niet van ons steeds bozer kijkende tafelmeisje.
“Stel dat ze opraken", schaapte zij. "Dan kunnen we ze niet meer serveren aan mensen bij het hoofdgerecht. En daar horen ze bij.”
En weg was ze.
We keken elkaar opnieuw met holle ogen vol verbijstering aan.
Eerst continu cola light verwarren met spa rood, dan zitten we met teveel personen aan tafel om te eten, dan niks weten over Chardonnay en dan geen extra bestelling kunnen doen.
Klanten oprotten, wat doe je op mijn terras. Niks geen gastheerschap ook. Hoe durf je mij überhaupt lastig te vallen. Ik sta hier gewoon lekker voor mijzelf dom met mijn kont te draaien. Zoals al die jonge meisjes in de Amsterdamse horeca enkel in zichzelf lijken geïnteresseerd met als epicentrum Café Werck aan de Prinsengracht.
“Wat staat er eigenlijk voor naam op dat kettinkje dat je om je nek draagt”, vroeg ik haar, aangemoedigd door het zoveelste glas Chardonnay.
“Miroosje”, antwoordde ze.
“Miroosje, goh, dat is een aparte naam.”
“Ja, een gekke naam hè. Kan ik ook niks aan doen.”
Nee, Miroosjes kunnen er niks aan doen dat ze Miroosje heten. Miroosjes kunnen er ook helemaal niks aan doen dat ze sowieso bestaan en centjes moeten bijverdienen om veel te strakke spijkerbroeken voor hun veel te dikke billen te kopen.
O Amsterdamse horeca, verlos ons van de Miroosjes. En geef ons professionele barkeepers en klantgedienstig terraspersoneel met liefde en livrei. Dan nemen wij zelfs die muzikale Balkanterreur er bij.
Goh, wat een opwinding. Je zou er een droge mond van kunnen krijgen.
Nog maar een fles Chardonnay dan.
Een witte, bedoel ik.

[kader]
Oproep!
Onlangs was het weer raak. Een lunch bij het nieuwe Caffe Oslo. Van dezelfde eigenaren als de übergehypete Chocolat Bar in De Pijp. We moesten lang wachten op de lunch die maar niet kwam. Op het terras ruziede personeel met personeel, ruziede klanten met datzelfde personeel dat maar bestellingen naar de verkeerde tafeltjes bleef brengen, en even later een kok die boos de tent uitliep. En dat betekende einde lunch. De drankjes waren van het huis, dat dan weer wel. Misschien tijd voor een top 10 van Amsterdamse café's/eetcafés met de slechtste bediening? Doe mee. En een lijstje met goede adressen mag ook. Mijn top 2 goede adressen: Plancius (Plantage Kerklaan), Café Krom (Utrechtsestraat),

Erectiefruit

Software

Doerian001.jpg
foto: robvandervet.nl

Een huiveringwekkende stinkbom.
De koning van het fruit.
Oftewel: de doerian.
Het is juni en tot augustus betekent dat in Maleisië: doerianseizoen. En dat kun je zien op het eiland Penang. Rond het dorpje Titi Kerawang hangt het koningsfruit overal hoog in soms veertig meter hoge bomen. In elke bocht wachten doerianstalletjes.
Stoppen dus, onmiddellijk.

Onze gids kijkt ons argwanend aan.
“Uuhh... willen jullie echt doerian eten?”
We hebben de deur van zijn minibus al open geroetsjt en lopen naar een stalletje waar drie Maleisische mannen ons glimlachend opwachten.
Onze gids roept hen vanuit de verte iets toe dat hen nog meer voorpret geeft.
Dus wij willen doerians eten, gnuift de meest lefgozerige van het drietal.
Wij knikken.
Hij draait zich uitnodigend om naar zijn stal.
We tellen dertig doerians.
Met hun doornige stekels ogen ze als olijfgroene egels. 1,5 kilo wegen ze gemiddeld. De zware jongens doen maximaal acht.
“Hebben we een voorkeur voor een bepaalde kwaliteit?”
Ik rep iets over D1 en D24, een verhaal dat een inwoner van Ipoh me eerder op de mouw heeft gespeld. Volgens hem representeren die cijfer- en lettercombinaties de beste kwaliteit.
De verkoper lijkt geïmponeerd. Zijn licht spottende blik krijgt iets belangstellends.
Ik ben een kenner, begrijp ik. De D1- en D24-doerians hangen met draden aan de bomen. De andere mogen gerust een kort zwaartekrachtreisje maken, voordat ze na enkele meters worden opgevangen door netten die tussen de bomen hangen. Maar helaas, vandaag zijn er geen D1 en D24 in de aanbieding. Wel een andere kwaliteit, nummer 2.
Nou, snij maar open die dan, gebaren we.
Hij pakt een klawang en splijt de doerian in tweeën.
Voor ons ontbloot zich puddingachtig vruchtvlees in verschillende schakeringen geel.
In een van de vruchtkamers ligt een soort embryo te weken.
De mannen kijken ons nieuwsgierig aan, vooral als we onze neus in de doerian stoppen.
Nu moeten wij, twee boelehs uit belanda, twee buitenlanders uit Nederland, toch echt ieder moment groen en grijs gaan zien en gaan kokhalsen?
Maar dat braakvermaak blijft uit.
De legendarische stank van de vrucht berust op tropenmarketingverhalen, constateren we. Okay, we ruiken een snufje zwavel met een topnoot van rotte uien en terpentijn, maar meer is het niet.
"Kaas", zegt fotograaf Rob, "tenenkaas."
"Smeerkaas", vul ik aan.
En zo smaakt het vruchtvlees ook. Als romige smeerkaas met iets van vanille, amandelen en ananas en een gratis knoflookachtig bijsmaakje achteraf.
Nog een doerian proberen, vraagt de verkoper.
Ja hoor, knikken we.
Vooral Rob toont zich een groot liefhebber.
Onze omstanders begrijpen er niks van. Normaal rennen boelehs al weg als ze een doerian zien. Maar leuk vinden ze onze doerian-ontmaagding wel.
De tweede smaakt ons evenwel beduidend minder.
Doorslikken kost moeite.
“Kwaliteit nummer tien”, zeg ik.
De mannen slaan elkaar op de schouders en lijken het te begrijpen.
Onze gids krijgt ook weer praatjes.
“Een doerian maakt je lichaam heet en is goed voor your brother”, zegt hij.
"Mijn broer?"
De hilariteit galmt langs de bomen.
Onze gids en de verkopers besluiten voor de gezelligheid ook maar een hapje doerian te nemen en beginnen steeds meer jongensachtig te geinen.
“In ons land is een gezegde", vertaalt de gids met besmuikt gezicht, "wanneer de doerians vallen, gaan de sarongs omhoog.”
Weer krijgen Rob en ik vraagrimpels, en weer schateren de andere mannen het uit.
Dan valt het kwartje.
Van een doerian krijgen mannen in Maleisië een flinke bobbel in hun broek. De vrucht is goed voor hun potentie, geloven ze. Als die bobbel na het eten van een doerian uitblijft, moet je niet doerians blijven eten, want je bent niet de eerste die na een doerian-overdosis verhit of met een hartaanval in het ziekenhuis beland.
Doerian is zeer hitsig fruit.
Wij rijden verder en de gids vertelt over doerianijs, doeriansnoep en doeriancurry, en doeriandesserts.
Onderweg ondergaan we in restaurantjes en winkeltjes alle variëteiten gedwee. De een met meer tegenzin dan de ander. Bang voor een overdosis zijn we niet. Maar gaandeweg de dag krijgen we het wel allengs warmer.
Onder mijn oksels kleven zweetplakkaten, en ik krijg een lichte kriebel in mijn onderbuik die mijn ogen onrustig over straat doet lonken en loeren.
Zou het dan toch waar zijn?
Maar nee, een bobbel in mijn broek ontbreekt.
Ook het kruis van Rob vertoont weinig roering.
Onze gids ziet de onrust in onze ogen en is minder gerust.
“Het doerian effect”, lacht hij, terwijl hij de minibus een zandweggetje instuurt. “Daarvoor bestaat slechts een medicijn.”
De auto stopt voor een schuur.
Een fraaie Hindoestaanse wacht hem op en beiden verdwijnen.
Wacht eens even, we zijn toch niet gestopt voor een bordeel ofzo. In dat soort medicijnvrouwtjes hebben we toch echt geen trek.
Dan komt onze gids terug.
In zijn handen houdt hij een zakje met op het eerste gezicht paarsbruine tennisballen.
“Mangosteen oftewel mangistan”, zegt hij. “De koningin van het fruit. Werkt verkoelend op de koning.”
"En op onze broer", jolig ik.
De gids kruipt met een grijns achter het stuur.
We pellen de harde schil en zien wit fruit dat als mandarijnpartjes aan elkaar kleeft.
Mangosteen smaakt naar aardbeien en druiven en smelt op de tong.
Maar zelfs vier mangosteens doen ons gezweet niet verminderen.
Niks geen erectiefruit, we hebben gewoon de zon in onze bol.
De hoogste tijd voor een ijsje, vinden we.
Vanille, frambozen of toch maar doerian.

Topchefs Down Under

Menpower

Tets.jpg
foto: robvandervet.nl

Kippenvel, ja echt. En dat gebeurt na de tweede hap nog een keer, want o o, wat is dit lekker: gemarineerde koningsgarnaal uit Nieuw Zeeland met foie gras en een dressing van walnoten en sjalotjes. Hoe komt iemand op het zalige idee om een garnaal en lever te combineren. En wat zorgt die vondst voor een smaakexplosie.

Chefkok Tetsuya Wakuda van Tetsuya's ziet genoeg.
Hij knikt een lach naar ons en verdwijnt weer naar zijn keuken om een gang later opnieuw raak te schieten. Met een langzaam in Umbrische olijfolie gesmoorde Tasmaanse zeeforel ingewreven met geroosterd Japanse zeewier. Het is een van Tetsuya's meest vermaarde gerechten en maakt je smaakpapillen aan het pingpongen.
Frankrijk heeft Alain Ducasse, Spanje doet het met Ferran Adria, Amerika slaat op de trom met Thomas Keller, maar Australië heeft Tetsuya Wakuda. Een culinaire superster, maar geen celeb kok. Sterker, de Japanse Australiër pocht nooit over zijn gerechten waarin kooktechnieken en ingrediënten uit de Japanse en Franse keuken een harmonieuze pas-de-deux aangaan.
Voor ons is plek gereserveerd in een kamer met uitzicht op een bonsaituin met een kabbelend watervalletje. Op tafel komen twee welkomglaasjes uit Reims. Het blijkt het tintelend voorvocht van een culinaire hoogmis van vier uur waarin de gast de hoofdrol speelt. Die wacht een 12-gangen menu dat bestaat uit bordjes kleine gerechtjes of een serie nog kleinere hapjes die je in combinatie met de fijnste Australische wijnen stuk voor stuk in vervoering achter laten.
Ooooh, horen we naast ons.
Aaaah, klinkt het, een tafeltje verderop.
Ook wij krijgen bijkans natte plekjes van orgastische smaakverrukking.
Smaakt het, vraagt een gerant.
We kijken hemels voldaan.
Nog een glaasje wijn?
We zijn in de hemel.
Even denken we dat al die sommeliers en obers voor ons alleen zijn, maar een wandeling leert dat in het restaurant nog twee dinerruimtes zijn. Plus drie keukens, 17 chefs met een esquadron assistenten, twintig obers en zes sommeliers. Elke avond is er plek voor 100 gasten. Zomaar even bij Tetsuya's naar binnen lopen aan Kent Street? Vergeet het maar. Tom Cruise dacht met zijn oude liefde Nicole Kidman zomaar te kunnen aanschuiven. Tom werd weggewuifd. Reserveren is bij Tetsuya's verplicht.
Vier uur later staan we tollend buiten. Dronken van smaak- en wijnervaringen.
Ik wil iedereen zoenen van geluk. Lijk bedwelmd door een culinaire XTC-trip.
Omstanders op straat en in enkele kroegen downtown Sydney vragen naar de naam van mijn dealer.
Van de local pusher Tetsuya aan Kent Street hebben ze nog nooit gehoord.
Het restaurant kan de volgende dagen enkele opvallende klanten verwachten.
Tetsuya landde in 1982 vanuit Japan in Sydney. Hij was 22 en wist dat Australië het thuisland was van koala's en kangoeroes. Snel geld verdienen, en doorvliegen naar Amerika was zijn bedoeling.
Een Griekse makelaar veranderde dat plan.
Tetsuya had een huis, een baan en Engelse les nodig, vertelde hij. De Griek vertelde hem dat de beste plek daarvoor een keuken in een restaurant was. "Daar krijg je eten, leer je de Engelse taal en verdien je nog geld ook."
Hij meldde zich aan als bordenwasser. Zeven jaar later had hij zijn eerste restaurant.
Tetsuya had gouden foodie handjes.
Elke avond als hij in zijn restaurant is uitgekookt, schuift hij aan bij Golden Century of BBQ King in Chinatown, voor een bordje geroosterd vlees.
"Proberen", zegt hij als we hem er eindelijk te pakken krijgen, "beter gegrild kun je het in Chinatown niet krijgen."
Er komen extra bordjes en Aussie-bier op tafel.
Geen wijn, o nee, dat blijft bij puur Aziatisch eten niet overeind: "Tonijn kan nog zo vers en rijk van smaak zijn, maar een paar druppels sojasaus met wasabi zijn dodelijk voor elk glas begeleidend rood of wit. De zuren in de wijn reageren met de wasabi en soja, en laten op je tong dan een vissig smaakje achter. Maar een tartaar van tonijn met geitenkaas en een sprinkeltje olie lift het fruit van een Gewürztraminer omhoog."
Die liftervaring wil hij in Tetsuya's aan zijn klanten meegeven. Dat vergt soms maanden sleutelen aan gerechten, want dat obsessieve streven naar perfectie, dat zit in zíjn Japanse genen. En dat zullen zijn leveranciers weten ook. Toen bleek dat de speciaal voor hem gekweekte Tasmaanse zeeforellen, door het schommelen van de watertemperatuur, maandelijks een ander kleurtje kregen, verordeneerde hij de visboeren met hun vissen door kouder en warmer oceaanwater te heen en weren. Opdat ze dezelfde roze-oranje tint zouden behouden. En zo maakt 45 ton zeeforel jaarlijks een gepamperd vakantietochtje langs de Tasmaanse kust alvorens ze naar de keuken van Tetsuya's trekken.
"Koken is een kwestie van techniek, productkennis en smaakvermogen, en dat kun je leren", zegt Tetsuya. "Daarbij moet je een goede eter zijn. Kijk naar mij," zegt hij kloppend op zijn Bourgondische buik. Na een hap geroosterd rundvlees: "Daarbij draait alles in de keuken om balans. Smaken en texturen moet je zo combineren, dat er geen overheerst. En dat kunnen we in Sydney net even iets beter waardoor fusion bij ons in tegenstelling tot in Europa niet ontaard in confusion. Komt doordat we down-under meer in evenwicht zijn. Meer relaxed. En dat proef je in onze gerechten terug."

Voor een culinaire smaakervaring bij Tetsuya's betaal je allesbehalve de hoofdprijs. Kijk op de site www.tetsuyas.com en verwonder je. Je vraagt je opnieuw af waarom de Nederlandse horeca zo stuitend duur moet zijn. Iets anders. Tetsuya's is door het Europese Restaurant Magazine opgenomen in de Top5 van de beste restaurants ter wereld. Een: El Bulli, Montjoi. Twee: The Fat Duck, Berkshire. Drie: Pierre Gagnaire, Parijs. Vier: French Laundry, Yontville (USA). Vijf: Tetsuya's, Sydney. De rest van de Top 50 kan slechts likkebarend toekijken.

Mr. Global is even global

Global is Out001[1].jpg

Deze week geen Mr. Global. Die zit voor een reportage in Lissabon en heeft zijn bestek meegenomen.

Nederkreeft

Software

Kreeft2.jpg
foto: Robvandervet.nl

Tweeënhalve kilo Oosterscheldekreeft. Schoon in de fuik à 30 euro de kilo. Kreeftenvanger Jan van Westenbrugge krijgt een gelukzalige glimlach. “Ik denk dat deze jongen zo'n 40 jaar oud is. Ik vang jaarlijks vijf van die joekels, dus hopelijk is dit niet de laatste van dit jaar.”

We mogen een dagje meevaren met kreeftenvisser Jan van Westenbrugge uit Zierikzee. Nou ja, eigenlijk varen we op een klipper achter hem aan. Met een handjevol andere gasten, zegt de pr-mijnheer, maar die zullen fotograaf Rob niet in de weg lopen, nee, echt niet. En er is voldoende tijd om de kreeftenvisser uitgebreid te volgen.
Dus op naar Zierikzee, de kreeftenhoofdstad van ons land. In de haven krijgen we direct de schrik van ons leven. Op het dek en in het ruim van de klipper wemelt het van de genodigden. Relaties van een keukenboer uit Goes, horen we, en cursisten plus familie van een kookclub die de kreeftenvisdag culinair zullen bekronen. En er zijn nog twee journalisten van een nieuw kookblad, vertelt de pr-mijnheer die ons breed grijnzend opwacht met koffie en Zeeuwse bolussen.
Wij voelen ook iets opkomen.
Waar is de kreeftenvanger, probeer ik voorzichtig.
Die dobbert even later in ons kielzog met vriendin Marjon richting Oosterschelde. Als hij aankomt bij zijn kreeftenstek varen we een half rondje om hem heen om te zien hoe hij de kreeftenkorven leegt en kan Rob hem fotograferen.
Tien minuten, van afstand.
En dat kan nog een keer als Jan met zijn bootje aanmeert tegen de klipper om zijn vangst te tonen. Rob probeert zich de ellebogen en flitsende mobieltjes van veertig keuken- en kookrelaties van het lijf te houden.
Hij kijkt verhit, zijn onderlip hangt.
Mijn hemel, denk ik. Hoe moet ik die kreeftenvanger in alle rust een uur te spreken krijgen.
Daar heeft de pr-mijnheer voor gezorgd. Het kreeftenbootje blijft tegen de klipper kleven, en Jan en Marjon komen aan boord waar de stemming op weg naar hangmosselkwekerij Neeltje Jans alsmaar beter wordt, want er staat nog meer Zeeuws zilt op het programma. Zeeuwse vissoep, broodjes garnalen, broodjes paling, Zeeuwse oesters, en glaasjes wijn die steeds vaker worden ingewisseld voor cognac en schelvispekel, want op weg naar Noord-Beveland varen we een koud weerfront tegemoet.
In mijn hoofd is gelukkig een dreinend lage druk gebied verdwenen. Aan de bar in het ruim slaag ik erin Jan voor mezelf te houden. Hij vertelt hoe de Oosterscheldekreeft aan zijn bijzondere smaak komt en waarom die zich juist rondom Zierikzee zo senang voelt.
Een kwestie van genen en terroir.
Zijn vrouw heeft het ook reuze naar de zin, getuige het ritme waarmee zij glaasjes rosé en schelvispekel naar binnen giet. Maar daarvan kijkt Jan niet op. Hij praat ongestoord verder over de bruinvissen, tropische lipvissen, mediterrane bokvissen en zeehonden die hij steeds vaker in de Oosterschelde ziet. Geen goed teken, zegt hij. “Het betekent dat er in hun natuurlijke omgeving steeds minder te eten is. Dus trekken ze naar vreemde wateren, want ja, die vissen hebben honger.”
Wij eten en drinken nog wat, dobberen in de ijzige kou op een betonvlot langs hangmosselen en keren terug naar de blauwe lucht boven Zierikzee. Het geplande bezoek aan een zeekraalteler is door het getij letterlijk in het water gevallen, maar dat schijnt de keukenboerrelaties en kookcursisten niet te deren. Die zijn al in polonaise op weg naar het keukenparadijs in Goes waar in de showroom hun kookmutsen wachten.
Wij besluiten Jan en Marjon nog even bezig te houden. Voor een paar portretten op de kade. Pas dan zien we hoe dronken zij is. Haar ogen rollen door haar kassen. De schouders van Jan moeten haar staande houden.
Nou vooruit, nog een plaatje dan. Marjon, wil je nog iets naar links, ja, zo ja.
Wanneer wij in Goes aankomen, staat de kookclub al te bakken en te braden. Wij slaan beleefd enkele bordjes over; sommige cursisten zijn aan boord hun gevoel voor smaak kwijtgeraakt. De keukenboer glundert naast een speciale muurgril waarvoor een megakreeft ligt te temperaturen. Er komt weer iemand met een fles langs en Jan takelt zijn vriendin naar buiten. Net op tijd, blijkt.
Haar emoties zoeken een uitweg in een keurig verzorgd perkje Kaapse viooltjes.
Jan kijkt om zich heen en besluit haar te verstoppen in zijn MPV, en gaat weer naar binnen.
Marjon wiebelt nog een beetje met haar hoofd, haar lippen pruttelen en dan valt zij in slaap.
Morgen gaat om zes uur 's ochtends voor alletwee de wekker. Misschien dat hij een andere assistent moet bellen, maar nee, zo'n type lijkt Jan ons niet. Hij schopt zijn vriendin gewoon het bed uit.
Niet zeuren, maar werken.
Kreeftenvisser is beslist een zwaar beroep.

[kader]
Lees het verhaal over kreeftenvanger Jan van Westenbrugge in de laatste editie van het tijdschrift Man of All Seasons. Je mag zelf opmaken of we nog een keertje naar Zierikzee zijn geweest. www.manofallseasons.nl

Balti Brum

Kooktechniek

Balti2.jpg
foto: Robvandervet.nl

Uit de keukens walmen massala's. Voor een filiaal van de Habib Bank houden burka-vrouwen een praatje. In winkeletalages hangen felgroene en kobaltblauwe sari's, en vind je tinnen schalen, chai-kopjes en Shiva-beelden, en overal klinkt Bollywood-muziek.
Bombay, Islamabad of Bangalore? Nee, we zijn in Birmingham. In de wijk Sparkbrook om precies te zijn. Een buurt met de hoogste kijkdichtheid Pakistaanse immigranten van Engeland en de wieg van balti, oftewel curry uit een wok met een platte bodem.

Balti is een uitvinding van Birmingham oftewel Brum zoals de inwoners zelf liever zeggen. Wie de Professor Barabas van de balti-keuken is? Daarover zijn de laatste discussies in de wijk nog niet gevoerd. Dat ligt nogal gevoelig ook, vertelt Andy Munro, auteur van een gids over Balti in Birmingham.
“In de Pakistaanse keuken kennen ze de wok. Met name in de provincie Kashmir, waar ook de meeste immigranten vandaan komen. Maar daar gebruiken ze de wok meer als een sudderpan. In de balti-keuken draait het om vers en snel. A la Chinees roerbakken boven een hoog vuur."
"En nog iets geks: Balti betekent emmer in het Pakistaans, en dat is een wok toch echt niet."
Hoe dan ook, in 1980 telde Sparkbrook de eerste balti-houses. Eenvoudig ingerichte restaurants met fel neonlicht en witte muren.
Munro: “Elke tafel is bedekt met een glasplaat waaronder een kleed en de menukaart. Niet echt uitnodigend, maar wel heel ongedwongen en informeel, en dat sprak vanaf het begin enorm aan."
Intussen is Sparkbrook met ruim veertig balti-restaurants en tien Indiase take-aways uitgegroeid tot een Balti-triangle. Brum kent meer Indiase eethuizen zoals heel Engeland ruim tienduizend Indiase en Pakistaanse restaurants telt. Met elkaar hebben die ervoor gezorgd dat de Engelsen hun nationale hapje fish and chips hebben ingeruild voor chicken tikka massala. Dat gerecht is dan ook op de menukaart van ieder Indiaas restaurant te vinden. Net zoals steeds vaker balti-gerechten.
Maar of dat echte balti is?
Munro heeft zijn twijfels: "Tachtig procent van alle Indiase eethuizen in Engeland wordt beheerd door immigranten uit Bangladesh en die nemen het met roerbakken niet zo nauw. Ze weten vaak niet eens hoe dat moet. Ze koken een gewone curry, serveren die in een wok en noemen dat balti."
Hoe anders in de balti-triangle. Daar staan Pakistaanse chef achter het fornuis.
"Je bent er dus van echte balti verzekerd”, vertelt Munro die al in de jaren tachtig zijn eerste gidsje over balti in Brum schreef. Later maakte hij voor de locale 'What's On' een speciaal supplement over balti. Met een proefrapport. De restaurants honoreerde hij met een cijfer van 1 tot 5. Niet gesymboliseerd door een ster, maar een balti-wokje. "De laagste score was drie balti's. Ik kon geen slecht restaurant vinden.”
Zijn schrijfsels zorgden niettemin voor veel opwinding in Sparkbrook.
"In de moskee is zelfs de fatwa over me uitgesproken."
Geen zorgen. Hij kan zich nog altijd fris en frank over straat bewegen. Zoals iedere bezoeker. “Er zijn plannen om van de buurt een soort Chinatown in Pakistaanse sfeer te maken. Met rondleidingen en proeverijen. Balti zelf is recent naar India en Pakistan geïmporteerd. Daar zien ze de keuken als iets exotisch. De wokken zijn made in Birmingham.”
Munro neemt ons mee naar de Royal Naim. Volgens hem een van de beste balti-restaurants van de stad en meerdere malen uitgeroepen als Best British Baltihouse. Het interieur van de Royal Naim past naadloos in de stijl van de eerste balti-restaurants. Neonlicht en tafeltjes bekleed met een glasplaat: "Volgens puristen een teken dat je bij een goed balti-restaurant bent."
Eigenaar Mohammad Nazir toont trots de keuken, uitgerust met een klei-oven, voor het grillen van vlees, en een bruinzwart geblakerde metalen tandoori waarin koks naanbroden zo groot als tafelkleden kunnen bakken. Handig als je met een groot gezelschap aan tafel schuift. Je scheurt steeds een reep van het 'tafelkleed' en dipt die in de balti-pan. Want zo hoor je balti te eten. Met naan en handen.
"Met een dubbelgevouwen stukje brood als chopsticks tussen je vingers om het vlees, de stukjes vis of groenten uit de pan te scheppen", instrueert Nazir, terwijl een kok op de achtergrond met veel vlamvertoon een balti-wok verwarmt. Dan doet hij olie in de wok, roerbakt hij boven een enorm hoog vuur verse knoflook, gember en uien, hup, dobbelsteentjes tomaat erbij, gemarineerde en gegrilde vlees toevoegen, en tenslotte kokosmelk of yoghurt met een massala van gedroogde kruiden.
Nazir: "Alles nog tien minuten koken, en gloeiend heet opdienen."
Even later komt er van alles op tafel. Pakhora, samosa's, seekh kabab, matar paneer en tandoori vis. En natuurlijk, balti, veel balti. Balti kip, balti groenten, balti-aubergine, balti garnalen, balti lamsvlees. Qua originaliteit behaalt de Royal Naim niet de hoofdprijs, zoals de meeste balti-huizen trouwens. Qua geur en smaak is ieder gerecht evenwel een feest voor al je geur-, en smaakpapillen.
De massala's en curry's zijn precies in evenwicht. De pakhora's en samosa's zijn knapperig van buiten en zacht van binnen. Het vlees is supermals, de naan is licht en luchtig. En dat betaalt zich in de bezoekersaantallen terug.
"Alle inwoners van Birmingham eten gemiddeld een keer per week in een balti-restaurant. Veertien procent van alle gasten komt van ver buiten de stad, sterker, zit anderhalf tot twee uur in de auto om in de balti-driehoek te komen eten”, zegt Munro.
Dat balti zo populair is, komt voor een groot deel door de verhouding prijs kwaliteit, denkt hij. En er is nog iets anders. Eigenaren van balti-restaurants serveren uit geloofsovertuiging geen alcohol.
Je mag zelf wel bier of wijn meenemen, en dat maakt een avondje uit eten nog voordeliger.
Iets dat Nederlanders toch zeker ook zeer zal aanspreken.

[kader]
Balti-weekend
Alleen te boeken in Birmingham: een balti-weekend. Deze kruidige city-break bestaat uit een balti-lunch, een wandeling door de balti-driehoek waarbij je kunt genieten van de geuren en kleuren van Sparkbrook. Verder included: een kookdemonstratie en zelf aan de slag, en een diner van een vooraanstaande balti-chef. Info: www.balti-birmingham.co.uk.

Salon van de Smaak

108.jpg

Soms hoef je niet ver te reizen om te kunnen proeven en ruiken. Op zaterdag 24 en zondag 25 juni vindt in Breda op Landgoed Wolfslaar de derde editie plaats van de Salon van de Smaak. Een culinair festijn voor fijnproevers en levensgenieters, aldus het persbericht. En dat klinkt even pretentieus als veelbelovend. Dit jaar draait het op de salon om culinaire tradities en producten uit eigen land. En dat is mooi, want ons land heeft veel meer te bieden dan bintjes en boerenkool alleen. En dat weten nog altijd te weinig mensen. Vooral die groep dient zich te laten onderdompelen in het Smaaktheater. Daar vinden in samenwerking met het Gilde van Nederlandse Meesterkoks en Euro-Toques Nederland kookdemonstraties plaats. Niet bekend met deze koktoques? Dan moeten namen als Pascal Jalhaij (Chatillon) en Albert Kooy (BIg Diet) en Dick Middelweerd (De Treeswijkhoeve, Waalre) toch de smaakpapillen wakker schudden. Voor dorstige kelen wacht een compleet paviljoen met Spaans wit uit Rueda. Nog niet voldoende ontkurkt? Sommelier van het Jaar Edwin Raben presenteert zich met 101 verschillende wijnen waaronder druivennat uit Libanon als de Bachus van de Lage Landen. Zolang de voorraad strekt. Verder is er een culinaire boekenmarkt waar onder meer Ronald Giphart, Pierre Wind en Onno Kleyn hun schrijfwaar signeren, en proeverijen en workshops op het gebied van wijn, kaviaar, champagne, truffel, sherry, Oosterscheldekreeft, kortom, alles wat vreugde brengt in ons dagelijks leven. Tevens aanwezig: een kookelftal dat bier-spijscombinaties serveert, niet onbelangrijk in een tijd die bol staat van de bal. Surf voor het volledige programma naar: www.salonvandesmaak.com. Toegangskaarten kosten 15 euro. Bestellen via internet is goedkoper en dan wacht nog een aardige attentie ook.

Smeerkaas en Sirloin

Menpower