| |
Masculinair weblog

p.s. Dit is dus de echte cover van Reismenu
Ik probeerde in Westpunt op Curaçao juist een stukje leguaan te verorberen, toen ik het sms-berichtje kreeg. 'Reismenu, Verhalen in Gerechten' is opgenomen in de Kookboek Top 10 van 2008 van de Volkskrant. Ik spuugde met een verheugd boogje een afgesabbeld botje uit en veegde iets te glimlachend mijn lippen droog.
Tijd voor nog een Polar besloot ik, zonder overleg met mijn reisgenoot/fotograaf Rob, verantwoordelijk voor de fotografie van het kook-, lees-, en reisboek. Reismenu, het eerste echte Cheffen-kookboek -de verhalen verschenen eerder allemaal op julie favoriete foodlog- is vanaf heden online te bestellen via onder meer www.kunstmag.nl en vanaf dinsdag te krijgen bij de betere boekhandel. O ja, ook het kookboek 'Arabia' van Cheffen-collega Merijn Tol en Nadia Zerouali is in die Top 10 opgenomen.
Reismenu staat ook op het Verlanglijstje voor de Sint van NRC Next. "Lekker leesvoer", schrijft de krant, "zo smakelijk". Ook hier een hitnotering voor 'Arabia'.

Midden november verschijnt een bundel van alle verhalen die Mr. Global schreef voor Cheffen.nl, aangevuld met reisfoto’s en foodshots. Titel: Reismenu, verhalen in gerechten. Het is het eerste Kook- Reis- en Leesboek van Nederland, en beslist het leukste cadeau voor de feestdagen. Deel III van the making off: het voorwoord, van Bart Chabot: "Cors boek liet me niet meer los."
Leesvoer
Het zomerde volop in Den Haag; hoewel het oktober was, herfst, en dus geen zomer, officieel.
Maar daarvan trokken de zon en Den Haag zich vandaag niets aan. Integendeel, de zon legde het er dik bovenop.
Duimendik.
De stad voelde aan als juli. Vanochtend marcheerde een leger blote benen naar het strand; vanavond zouden diezelfde benen op huis aan gaan, bruiner nu.
Op het terras van Snackcorner Escamp aan het Monnickendamplein, zaten rond het middaguur twee oudere vrouwen, Ans en Wil.
‘Hé Nel,’ zei Ans tegen de serveerster die een bord friet op tafel zette, ‘waarom krijg ik geen servetje?’
‘Dit is friet,’ zei Nel. ‘Daar doen we geen servet bij. Je heb toch een vorrekje? Nou dan.’
‘Ja, Nel,’ zei Ans, ‘maar net, bij mijn broodje kroket, toen had ik wél een servet.’
‘Okee,’ besloot Nel, het gezeur beu, ‘mij best. Dan krijg jij een servet, Ans. Jij je zin.’
‘Nou ja,’ sputterde Ans tegen, ‘het hóeft ook niet.’
‘Wat?!’ zei Nel. ‘Nee, nou zal je ‘m krijgen ook, je slabbertje!’
Er stopte een tram op het Monnickendamplein, eentje van Randstad Rail. Het tramstel oogde uiterst modern, alsof-ie uit Hong Kong of San Francisco kwam, en nooit uit de rails zou lopen.
Over exotische bestemmingen gesproken…
Voor me lag een boek van Cor Hospes. Met het verzoek daar een Voorwoord voor te schrijven.
Voorts had hij me per mail laten weten dat er haast bij was, bij dat Voorwoord, grote haast. Mijn verontschuldiging dat mijn leven zich grotendeels afspeelde onder extreem drukke omstandigheden, daar had Cor geen boodschap aan, aan dat excuus, had hij me laten weten. ‘Extreem drukke omstandigheden’, daar wist hij alles van, ja, daar kon Cor over meepraten.
Kortom, ik diende onverwijld aan de slag te gaan.
En dat deed ik dan ook. Ja, aan mij héb je wat, als het er echt op aankomt; dat durf ik hier gerust hardop uit te spreken.
Ter zake.
Ik sloeg zijn boek open, en begon te lezen. Had ik nog iets van deze prachtige dag willen maken, dan was ik nu te laat. Want Cors boek liet me, eenmaal beet hebbend, niet meer los. Ik reisde heel de wereld over, fluitend. Ik ging met Cor mee naar Sierra de Aracene y Picos de Aroche, dat zich in Spanje bleek te vinden, en ik reisde mee naar Sanlúcar de Barrameda, en kwam onverwachts bij de Dikke Toren in Zierikzee uit.
Een uitgelezen kans om Cors boek dicht te slaan en te laten voor wat het was, en de stad in te vluchten; maar zo makkelijk kwam ik er niet van af.
Ik kwam zelfs helemaal niet van Cors boek af.
In razende vaart bolderde Cor verder, en ik bolderde met hem mee.
Van Branxton, Australië ging het via Penang, een eiland, naar een Aspergemuseum in Melderslo, even buiten Horst, Limburg. Cor vloog zo hard, dat ik me af en toe moest vasthouden aan mijn terrastafel. Althans, die aanvechting had ik sterk, om me aan iets van houvast vast te klampen.
Je moest juist blijven zitten en stug doorlezen, en zodoende doorreizen. En voldoende proviand bij de had houden, want dit boek ging ook nog eens over Lekker Eten, een onderwerp waar je sowieso geweldig trek van kunt krijgen, en zo nu en dan liep het water uit mijn mond. En dan hebben we het niet over uit een mondhoek lopend speeksel ten gevolge van relatieve ouderdom. O nee.
‘Hé meis!’ riep Ans naar een vrouw die zwoegend achter een rollator liep en nu de parasollen van de snackbar naderde.
‘Hé meis!’ herhaalde Ans. ‘Ik wíst dat je niet dood was! Want ik zag je lopen van de week, met je hondje.’
Een uurtje later stapte Ans op. Ze groette Wil en Connie, riep Nel gedag, en wandelde op haar gemak weg.
Onder haar lege bord friet lag een wit servetje. Ongebruikt.
Ps: Ik vond het écht leuk, Cor - en ik schoot er doorheen. Vaart, vlot, to the point, met een uitweiding waar-ie paste. Dat werk.

p.s. Ook dit is niet de cover.
Midden november verschijnt een bundel van alle verhalen die Mr. Global schreef voor Cheffen.nl, aangevuld met reisfoto’s en foodshots. Titel: Reismenu, verhalen in gerechten. Het is het eerste Kook- Reis- en Leesboek van Nederland, en beslist het leukste cadeau voor de feestdagen. Deel I van the making off: de uitgever.
Ik ga vaak op reis naar het buitenland.
Voor reisreportages of foodverhalen.
Onderweg beleef je dingen die niet direct geschikt zijn voor het artikel waarvoor je op pad bent gestuurd. En je hoort anekdotes die voor dat of dat tijdschrift net iets minder geschikt zijn.
Ik besloot die verhalen op te schrijven voor Cheffen.nl. en die hebben jullie allemaal op deze site kunnen lezen. Mijn ontmoeting met Chickenmeat, Scooner en Maltezer in het Royal Federal Hotel in het Australische Branxton. Mister Ho uit Penang die ons meenam naar Melon Sisters. En hoe zou het gaan met Elliot James, een van de laatste pickers uit het Welshe Penclawdd.
Ik hoorde het steeds vaker.
Die verhalen op Cheffen, daar je moet wat mee doen. Ze zijn gewoon te leuk om alleen op internet te lezen. Dus besloot ik er wat mee doen.
Een bundel moest er komen, met voor elk verhaal een bijpassende recept, geïllustreerd met een foodshot en reisfotografie.
Ik polste het idee bij vrienden en kennissen en iedereen reageerde enthousiast.
Aansluitend benaderde ik een close uitgever van Kosmos maar die reageerde direct met gepaste afstand.
Mr. Global was duidelijk niet haar cup of tea.
Ik stuurde de verhalen naar Mets & Schilt, de uitgever van Sylvia Witteman, althans van haar kookverhalen uit de Volkskrant, waarvan ik vond dat die qua opzet en tone of voice wel een beetje bij mijn mogelijke bundelopzet paste.
Geen reactie.
Ik stuurde de verhalen nog een keer naar Mets & Schilt, en omdat de uitgever nog niet reageerde, belde ik.
Niet gezien die mail, klonk het.
“Stuur ze nog een keer als je wilt, naar mij.”
Dus stuurde ik de verhalen nog een keer, en het bleef ook na een maand nog stil.
En toen dacht ik: wat een kutuitgever.
Intussen lag er ook een stapeltje Globals daar, en een ander stapeltje daar. Maar nee, voor de een waren de verhalen te literair, ja echt, ze vonden de verhalen te literair voor het culinaire fonds. Voor een ander waren ze te culinair voor het non-fictie fonds.
En toen kwam Ubel, voormalig winnaar van de Gouden Kroket en De Gouden Fritesspeld
Najaar 2008, spreken we.
Voor het tijdschrift Linda moest ik een artikel schrijven over frituureten, en als het gaat over een vette bek is Ubel Zuiderveld als voormalig hoofdredacteur van de Snackkoerier en huidig FoodExpress al jaren de expert. Allang voordat Bart Chabot en Pierre Wind een boek over frietjes en frikadellen schreven, had hij een naslagwerk over het onderwerp gecomponeerd, en binnenkort verschijnt Ubels boek ‘Mét. Over een Nederlandse eetcultuur’.
Een fastfooddeskundo dus, en een fijne man.
Nadat ik hem journalistiek had uitgezogen over patatjes oorlog en patat paniek, en ik alles wist over seperatorvlees, het geheim van een goede nasibal en de wonderlijke verkoopkracht van de mexicano, spraken we over zijn boeken en vertelde ik over mijn plannen.
“Je moet eens bij Arjen van uitgeverij Kunstmag uit Zutphen aankloppen”, zei hij. "Die wil alleen boeken uitgeven die hij zelf leuk vindt, en als ik jou zo hoor, vindt hij dat idee van jou leuk. Hij houdt juist van die combinatie van culinaire verhalen en recepten."
Ik stuurde Arjen van uitgeverij Kunstmag uit Zutphen een mail met een pakketje Globals. Opnieuw het verhaal over The Big Apple, truffels, Pata Negra, Ginjinha, doerian en Branxton.
Ik hoorde niks.
Ik stuurde Arjen nog een mailtje.
Ik hoorde niks.
Ik stuurde Arjen nog een mailtje.
Ik hoorde niks.
Eind januari belde ik. Ik had een excuus ook.
Voor delicious had ik gesproken met Albert Kooy over de nieuwe Nederlandse keuken, die bij Kunstmag een prachtig boek met dezelfde titel had uitgegeven.
Ik kreeg een vrouw aan de lijn.
Ja, Arjen was erg druk, en het zou best kunnen dat hij zijn mailpost een beetje liet opstapelen.
Zij zou het met Arjen bespreken.
In april belde ik. En ja, hij had ze gelezen.
We moesten maar eens afspreken.
In mei gingen we lunchen in Zutphen bij 't Schulten Hues, een Michelin-restaurant, bleek. Over wie bij Kunstmag ook een boek was verschenen.
Ik vertelde Arjen nogmaals mijn idee, maar dat was allemaal niet nodig. Hij wist al precies wat ik wilde, had de verhalen op Cheffen met liefde gelezen, had ook gesmuld van het interview met Albert Kooy in delicious, en echt, leuk.
Het was tijd voor nog een glas wijn en we namen één en ander tussen allerlei smakelijk lekkers door. Rijk zouden we niet van het boek worden. Hij deed niet aan voorschotten en promotiebudgetten, daarvoor ontbrak het hem simpelweg aan geld, we gingen gewoon een mooi boek maken. Als we gelijk speelden was dat mooi.
Van het eten herinner ik me niet veel meer.
Wel de bijzondere wijnen die ik dronk waaronder een onvergetelijke rosé, waarvan ik nog meer in een roes raakte, want het ging door, ik had het voor elkaar: Mr. Global ging in een bundel.
Opgewonden belde ik verschillende mensen die ik in het boek wilde betrekken, reinigde mijn uitgedroogde wijnmond met Fisherman's Friend, ik zette mijn auto in de vijf en ter hoogte van het landelijke Voorst draaide ik mijn raampje open.
De echo van dat geluid kun je als je goed luistert nog steeds boven de Oostelijke Veluwezoom horen.
[kader]
Ik heb hem nog nooit echt kunnen bedanken voor zijn tip. Dus bij deze: dank je Ubel.

Midden november verschijnt een bundel van alle verhalen die Mr. Global schreef voor Cheffen.nl, aangevuld met reisfoto’s en foodshots. Titel: Reismenu, verhalen in gerechten. Het is het eerste Kook- Reis- en Leesboek van Nederland, en beslist het leukste cadeau voor de feestdagen. Deel III van the making off: de cover.
“Verdorie Rob, er zit geen dragend covermateriaal tussen de foto’s. Of toch die ene foto uit Kuala Lumpur misschien, of dat plaatje van die serveerster uit Sydney.”
“Ja, dat meisje van bill’s is niet onaardig. Als cover draagt die misschien iets te weinig reizen in zich. Dat heeft die lachende Maleisische vrouw duidelijk wel, ze eet nasi lamak volgens mij, maar met zo’n Aziatisch hoofd op de cover 1-2-3’en mensen snel dat je een Aziatische kookboek hebt geschreven, vermoed ik.”
“Onze down under serveerster staat voor een groot menubord geschreven in het Engels, en dat is de taal der reizigers, lijkt me. Het bord dat zij vasthoudt, precies goed, dat is een hap uit het reismenu.”
“Als zij een Koreaanse of Chinese vrouw was geweest voor een Koreaans of Chinees menubord had je meer dat reizen- en kookgevoel gehad.”
“En dan is het geen Aziatisch kookboek.”
“Hmmm, ja, dat is ook weer zo, jezus man, moeilijk zeg.”
Huisvriend en art-director Paul kwam twee weken later met een mogelijke oplossing.
“Je moet een ober fotograferen met in zijn handen een liftbordje waarop Reismenu staat. Dan heb je dat reizen en koken ineen.”
Ik keek Paul even verrast als enthousiast aan.
“Leuk idee Paul, maar waar haal ik godsnaam een ober vandaan, en trouwens, hoe ziet een clichéober eruit.”
“Denk aan zo’n man van Het Amstel.”
“En die moet ik langs de snelweg zetten.”
“Daar zal die misschien wat geld voor willen hebben, so what, maar dan heb je wel een goede cover.”
“Fotograaf Rob, receptuurschrijfster en foodstyliste Ingmar, styliste Hanneke, sommelier Lotte, iedereen heeft belangeloos aan het boek meegewerkt Paul, ik ga niemand betalen, dat lijkt me nogal lullig ook naar de anderen. Ik kan natuurlijk zelf zo’n pak aantrekken. Kun je dat niet ergens huren ofzo? Schrijf ik de verhuurder als credits in het boek.”
Paul luisterde niet.
Hij tekende een ober met een liftbordje in zijn hand met rondom strepen als wegen en bulten als bergen.
“Zoiets”, zei hij, en hij freestylede nog een paar golvingen op papier.
“Je ziet een deel van de weg, er raast een auto voorbij....”
“Hmm-hmm”, spinde ik, terwijl ik een glas rood weg leeg klokte.
Toen draaide Paul het velletje om en begon opnieuw te pennestreken: “Eigenlijk is al die informatie om dat liftbordje ruis, want hier gaat het alleen om: dat bordje met de tekst Reismenu.”
Ik liep naar de kast voor nog een fles Valpolicella.
“Ik ga volgende week met Rob naar Corsica, daar zouden we dat beeld kunnen schieten, in een omgeving die ook duidelijk niet Nederlands is. Want zo’n foto langs de A10, straks denken mensen nog dat zij een boek met lifttips in handen hebben.”
“Nou, probeer het. Vergeet geen karton en een Edding mee te nemen, en ja, lekker dat wijntje."
Onderin mijn koffer gingen vellen dik karton van een lege wijndoos en een internetbestelling bij Lesenfants.
Een dikke zwarte viltstift had ik niet thuis, Rob bleek een dunne Edding te hebben, een dikkere vonden we op Corsica vast wel.
Maar die vonden we dus niet op Corsica, nou ja, eigenlijk waren we in Ajaccio helemaal vergeten naar een Edding te vragen.
Dat vergaten we niet in Bonifacio, dus daar stonden we een dag later, hoog in de bergen, nadat we een avond eerder op onze hotelkamer verschillende liftbordjes naar Reismenu hadden gemaakt. Met designer Claudy Jongstra met wie we over het eiland reisden zoals we voor het tijdschrift Living eerder onder meer met WK Chef Toine Smulders, zangeres Wende Snijders en schilder Jasper Krabbé naar Mexico, Zuid-Afrika en Puglia gingen.
Rob dirigeerde me in de berm.
Claudy bekeek van afstand of mijn overhemd correct uit het jasje stak, de camera klikte, automobilisten toeterden.
“Heb je iets in je zak zitten, dat jasje flapt zo raar door het beeld", riep Rob.
Claudy leegde mijn zakken, veegde tegelijk mijn jasje recht en tien minuten later reden we verder door het woeste binnenland richting Zonza.
’s Avonds op onze hotelkamer waren we het er na enkele flesjes Corsicaanse wijn snel over eens: de foto met het liftbordje ging het worden.
Rob: “Vrouwen kopen geen kookboeken met erop een lekker wijf. Nigella Lawson doet ze enkel gefrustreerd naar zichzelf kijken.”
“Toch trekt een vrouw op de cover vrouwen aan, en mannen ook.”
“Heb je haar onderstel wel eens gezien, daar zou geen vrouw jaloers op worden?”
“Mijn bladwijzer blijft bij Nigella altijd boven haar navel hangen. Is zij de Karen Carpenter van de culinaire wereld dan? Haar heupen maakten van Karen het boegbeeld van anorexia en haar broer bleef haar maar verliefd ondersteunen, Yesterday Once More, Close To You...
“Hospes, jezus, neem nog een slok wijn man, hou je mond en kijk even naar het scherm.”
En we keken beiden naar het scherm waar we een mannenarm in een zwart jasje een liftbordje zagen ophouden, met op de achtergrond een heuvellandschap vol maquis en een rode bergweg met witte inhaalstrepen.
Rob: “Een vrouw zal denken, goh, een leuk kookboek voor mijn man. Wanneer ze doorbladert, ziet zij dat er nog leuke recepten en foto’s in staan ook.
“Mannen halen deze cover eruit vanwege diezelfde hand, een leuk managementboek.”
“Misschien is het ook wel een beetje too much corporate dat jasje, zie jij er een ober in, zit er überhaupt wel genoeg koken in?”
“Het kan een oberjasje zijn, die zijn altijd zwart, en de weg en omringende natuur, dat is absoluut geen Nederland.”
Terug in datzelfde Nederland toonden we trots aan vrienden het resultaat.
Maar die vonden ons coveridee allemaal maar niks.
“Te goedkoop.”
“Te shabby.”
“Waar is het kookgevoel. Het lijkt wel een liftboek.”
Enzovoorts.
Kortom, afgeserveerd.
Wat nu.
Het is toch echt de bedoeling dat de cover binnenkort klaar is.
Wordt vervolgd met in willekeurige volgorde deel I (de uitgever), II (de shoot) en IV (de presentatie).
[kader]
Reismenu. Verhalen in gerechten.120 pagina's. 16 x 16 cm. 12,50 euro. ISBN: 978 90 75979 18 2. www.kunstmag.nl


Altijd leuk, een township in Zuid-Afrika.
Goed voor je relativeringsvermogen, het wegpoetsen van eigen Weltschermz en het verbreden van horizons, en het schieten van leuke plaatjes van lachende negerkindjes. En die plaatjes hebben Rob en ik hard nodig voor een reisverhaal over KwaZulu Natal.
Aan townships in Durban geen gebrek. Rondom de stad ligt een schimmel van veertig kilometer krottenwijken waar officieel zes miljoen mensen wonen.
De camera van Rob kan zijn lol op.
Probleempje: de inwoners van de Durban-townships zijn niet al te happig op witneuzen met supersized camera’s die komen loeren naar hun krottenleven, zegt onze gids Chike.
De stad kent daarom in tegenstelling tot andere grote steden in Zuid-Afrika geen township tours, althans niet meer.
Te veel overvallen en carjacking. Verduidelijkt hij.
Chike kent evenwel iemand in het township Inanda, en die wijk is veilig.
Erdoor loopt bovendien een heritage trail; de grond is er doorvoed met geschiedenis.
Het wiegje van eerste ANC-president stond er; Nelson Mandela stopte er zijn stembiljet in een gleuf tijdens de eerste vrije verkiezingen van Zuid-Afrika; en Mahatma Gandhi woonde 21 jaar in Inanda waar hij de gronslag legde van zijn filosofie van actieve geweldloosheid.
We hebben dus een excuus om de townshiphabitat te observeren.
Ghandi’s voormalige denkpaleis staat bovenop een heuvel.
Rondom liggen gammele huisjes van hout, leem en golfplaat, en staat een school met een klas.
Alle leerlingen gaan voor ons naast hun tafeltje staan en zingen met hun hand op hun hart het Zuid-Afrikaanse volkslied.
Een op de drie heeft aids, hoorde ik eerder van een zuster uit de HIV-hulppost.
Dan lopen we verder langs nog meer krotten.
Uit de ramen klinkt rapmuziek. In een winkeltje kopen we frisdrank, en dan vinden Chike en zijn kennis het mooi genoeg geweest.
Ook de kindertjes lachen iets minder enthousiast naar Rob, hoe hard die ook smile, smile, smile naar hen roept en ze daarna naar de achterkant van zijn digicamera laat kijken.
Nog een marktje doen, vraag ik Rob.
Chike rijdt naar een markt.
“Ik moet de mensen eerst toestemming vragen of jullie hier wel mogen rondlopen. Blijf maar beter even dan in de auto zitten.”
Voor het geval we het waren vergeten: we zijn in een township, op gevaarlijk terrein. Zomaar wat gidsloos daar rondlopen of fotograferen, vraagt om overvallen en carjacking, bedenk ik, terwijl we alsmaar dieper tussen de golvende krotten- en hutjesheuvels verdwijnen.
Ik kijk naar Rob die stevig zijn fototas vasthoudt.
Binnen in de auto wordt het alsmaar warmer, en dan mogen we naar buiten om te doen wat we moeten doen.
Even later stopt Chike aan het eind van een doodlopende straat.
Ik probeer mijn gedachten te sluiten voor mogelijke metaforen.
“Hier zit een slager, herinner ik me. Ik denk dat hij straks de grill aandoet voor de lunch. Misschien leuk voor jullie artikel.”
We stappen uit.
Chike loopt met een iets versneld pasje naar een huis omringd door tralies met erop prikkeldraad.
Voor het huis staat een zwart geblakerde gril.
Schuin ervoor zitten drie mannen te kaarten.
Ze kijken ons grimmig aan.
Rob wijst op een bord dat boven de voordeur van het huis hangt.
Gunfree zone, staat erop.
Hij moet mij horen slikken.
Op de gril gaat zo kip, zegt Chike.
Kogelvrije kip, fluister ik.
De slager komt ons met een enorm vleesmes tegemoet en kijkt ons priemend aan.
“De kippetjes worden zo geslacht”, zegt hij met bloeddorstige blik.
Chike lacht een lach die overgaat in een taal die ik niet versta.
De grimmige kaartlezers krijgen evenzo grijnsrimpels.
Rob bekijkt het prikkeldraad, de zwartgeblakerde grill en het huis waar getuige de roetuitslag ook wel eens een binnenbrandje heeft gewoed; de bewoners van Inanda zijn wellicht snel aangebrand.
“Niet fijn om te fotograferen”, zegt Rob, maar ik knip wel wat. Blijven die jongens daar misschien ook rustig.”
Dus roept hij smile, smile, smile tegen iedereen en stappen we weer in de bus.
“Niet echt een fotogenieke plek hè”, zegt Chike terug in de auto.
Zijn tanden hebben ineens een Colgate-glans.
“Gelukkig wel gunfree”, antwoord ik.
Daarna rijden we verder, in vliegende vaart richting het Hluhluwe-Umfolozi Park waar om half vijf een tochtje langs de Big Five wacht. Dat is ruim drie uur rijden, en omdat we iets te lang in het township zijn gebleven, wordt half vijf krapjes aan.
Dus scheuren we door een landschap dat dan lijkt op de Veluwe, dan op Java, en dan de Amerikaanse Mid-West.
Ter hoogte van de Mid-West beginnen onze magen safarigeluiden te maken.
We hadden beter de kogelvrije kip niet kunnen overslaan.
Chike hoort ons geknor en neemt de afslag naar Matubatuba, een drukke marktplaats. Langs de straten in het centrum staan overal bbq-roosters te walmen.
“Gunfree hè”, lacht Chike opnieuw met een Colgate-smile.
We zeggen maar even niks.
Parkeren blijkt evenwel in Matubatuba onmogelijk.
Chike kent een alternatief, en dat is een shopping mall met ketenrestaurants.
Maar ook bij de locale vestiging van Nando’s is het spits.
De rij wachtenden begint al buiten, en dat geeft mij uitgebreid de tijd het menu te bestuderen dat boven de bestelbalie hangt: kipburgers, gemarineerde kip stripes met gepeperde rijst, pita kip, en een ¼, ½ of hele hen.
Erboven staat dat ‘Peri-Peri is rumoured to be something of an afrodisiaca. However, Nando’s restaurants are specifially designer for eating, so we do ask that you wait until you get home!’
Misschien dat mannen en vrouwen met half aangegeten zakjes daarom zo snel naar buiten lopen.
Na 15 minuten bestel ik twee halve kippen met perinaise en twee flesjes bronwater en twee flesjes cola.
Van het baliemeisje krijg ik een bon met een nummer, en ik kijk toe hoe tientallen platgeslagen kippen met grilstreepjes vanaf de bakplaat steeds maar in zakjes met andere bestelnummers belanden.
Na opnieuw een kwartier wachten komt Chike kijken.
Hij vraagt zich af waar we blijven.
Ik wijs naar de liefdesbelofte tegen de muur, en hoop dat hij een verband kan leggen met de drukte.
“Wij niggers geloven alles wat die witte marketeers ons wijs maken”, zegt hij hoofdschuddend als hij terugloopt naar de auto.
Weer tien minuten later sta ik buiten.
“In de auto opeten”, oukazet Chike, “we moeten echt voort maken. Anders missen we de safari.”
Okay, zeg ik.
Okay, zegt Rob.
We kijken naar de gloeiend hete halve kip en zoeken naar een grammatica hoe we vlees en frietjes zo netjes mogelijk in een rijdende auto kunnen op eten.
Als we de lunch tussen ons in leggen, schakelt Chike.
Helaas noopt het verkeer op de N2 hem iets te dikwijls tot abrupt remmen en manoeuvreren, en daarbij branden we geregeld onze lippen en anders steekt er wel een kippenbotje in onze wangen.
Na enkele minuten glimmen onze wangen, vingers en lippen van het kippenvet.
De lustopwekkende werking van de perinaise ontgaat ons.
We wassen onze handen door open autoramen met flesjes bronwater dat vooral over onze vingers waait, en poetsen met een servetje onze gezichten die daarvan nog meer gaan glimmen.
Om half zes stoppen we op het parkeerterrein van het ressort waar we slapen.
We ruiken naar kip; hopelijk hebben de leeuwen in het wildpark al gegeten.
Chike blijft bij de auto; hij neemt later onze spullen mee.
Als we naar de receptie lopen, horen we vanaf het parkeerterrein plots een ijselijke gil.
Onze gids, jezus Chike, hij zou toch niet door een van de Big Five...
We rennen met weifelbenen terug naar de auto.
Chike staat op enkele meters van het busje en wijst met bibberknieën naar de achterbank van de auto waarvan de zijdeur wijd open staat.
Een slang, vragen we.
Nee, schudt hij zijn hoofd.
Een ander vreesopwekkend reptiel dan?
Chike staat nog altijd trillend te wijzen naar de auto.
We lopen voorzichtig naderbij, kijken nieuwsgierig om het hoekje en deinzen met afgesnoerde keel terug als er ineens iets naar buiten springt dat na een miauw tussen de struiken verdwijnt.
Miauw?
Ja, we hoorden toch echt miauw.
In de bus zien we nog enkele katten voorovergebogen tussen opengescheurde zakjes vol kippenbotjes zitten.
“Ik heb een kattenallergie”, beeft Chike, “kunnen jullie alsjeblieft die katten weghalen. Anders kan ik morgen echt die auto niet meer in.”
Ik kijk naar Rob en hij kijkt met een spottrillinkje rond zijn lippen terug.
Chicken, zegt hij.
Absoluut chicken, antwoord ik.
En alletwee beginnen we te lachen, een lachen dat overgaat in een taal waarvan Chike hopelijk geen woord begrijpt.

Vanaf het vliegveld van Bergen zijn we op weg naar het stadje Voss.
Samen met onze gast Marije die als hoofdpersoon fungeert van een reisverhaal waarin fjorden, inhammen, meren en bergpieken als decor voor haar innerlijk fungeren.
Op een kwartiertje rijden van onze eindbestemming krijg ik een sms’je van onze Noorse gastvrouw die Iril heet.
Zij is al in Voss en wacht op ons naast de kerk, en die kunnen we niet missen.
Van daaruit gaan we naar een steakhouse voor een diner.
Om acht uur is voor ons een tafeltje gereserveerd.
Ik sms dat we over een kwartiertje in het vossenstadje zijn.
Voordat we aan de dis gaan, willen we eerst willen inchecken in ons hotel.
‘Jullie kunnen de extra tijd beter gebruiken om eetinkopen te gaan doen, want morgen is het zondag en dan zijn de winkels dicht’, lees ik terug.
‘Pardon’, tik ik. ‘Zijn er geen restaurants open in de buurt dan’.
‘Jawel, maar die zijn ’s ochtends gesloten’.
Ik begrijp er niks meer van.
We ontbijten toch gewoon in ons hotel?
Waarom en voor wie moeten we in hemelsnaam boodschappen doen?
‘Jullie staan geboekt voor self catering’, krijg ik terug.
Ik staar over een Noors landschap dat plots kilometers leger lijkt.
Het is nog vier kilometer tot Voss.
Rob en onze gast Marije kwebbelen gedwee voorin.
Ik besluit op de achterbank tot een rustig belletje.
“Er zou voor ons ontbijt worden gezorgd”, probeer ik op fluistertoon tegen Iril, “dat staat in een e-mail die hier voor mij ligt. Ook zou voor kamers worden gezorgd die tegenover elkaar liggen.”
Daar weet zij niks van.
Door mijn hoofd sobert een Wagneriaanse crescendo uit de eerste suite van Peer Gynt.
Marije kijkt eens achterom, en vraagt of alles goed gaat.
Rob weet beter, en zwijgt. Zijn ogen krijgen de blik van een opgerichte cobra.
Iril zegt dat we ter plekke maar iets ontbijtachtigs moeten regelen, net zoals de andere dagen dat we in het ressort verblijven.
Het heeft geen zin haar uit te leggen dat we geen tijd hebben elke dag ontbijtboodschappen te doen. Alsof ook overal waar we zijn zomaar een Spar, Coop of Meny opduikt.
Ik draai het autoraampje open, neem een diepe haal frisse Noorse berglucht en vertel Iril dat we waarschijnlijk iets later aan tafel schuiven.
“Ik moet om negen uur vertrekken”, hoor ik haar nog naspartelen aan de andere kant van de telefoon.
Ik schud mijn hoofd en zie dat Rob zijn cobrablik heeft ingeruild voor die van berustend zeeleeuwtje.
Marije laat een zenuwachtige giechel.
“Hebben we geen hotel?”, vraagt zij.
“Zoiets”, zucht ik, “maar dat zal wel goed komen.”
Even later rijden we door Voss dat de uitstraling heeft van een wintersportplaatsje in zomertijd. Het ligt aan een meer dat vooral heel fraai oogt van boven, merken we als we omhoog richting ons hotel cirkelen.
Ons slaapverblijf blijkt een soort Center Parcs tegen een heuvel; het bestaat uit donkerbruine houten huisjes met een grasdak, en biedt leuke doorkijkjes op het vossenmeer en omringende groen.
We zien voor de huisjes en op het parkeerterrein nabij de receptie vooral gele nummerborden met NL ernaast.
Ik meld mij aan de balie.
Voor mij wacht een Nederlandse stel dat oogt als een leraarfamilie uit Heerenveen.
Hij draagt een roodblauw Tenson-jack, zij idem dito, hun blonde dochter kijkt beteuterd door een rond roze brilletje, hun blonde zoontje kijkt zonder montuur even verveeld. Zij bestellen brood voor de volgende ochtend, en flesjes frisdrank en vooruit, pappa durft best een Ringnes-biertje aan.
Ik tuur over hun schouder in een eetzaal met sneue houten stoeltjes en sneue houten tafeltjes met geborduurde kleedjes.
Hai, zeg ik tegen het receptiemeisje.
Het receptiemeisje hait vrolijk terug.
Zij checkt namen en overhandigt sleutels, en vertelt over een gevulde koelkast voor het ontbijt.
Dat stelt gerust.
Wij moeten enkel nog brood bestellen, en dat doe ik daarom maar.
Voor Marije wacht een kamer in het receptiegebouw, boven de keuken annex bar die rijkelijk is gevuld met gokautomaten en biljarttafels. Het raam kijkt uit op een grijs parkeerterrein en een half afgekloven voetbalveld waarin graafmachines met open monden staan.
Een inspiratieve omgeving.
Constateert evenzo het beteuterde gezicht van Marije.
Het koelkastontbijt bestaat uit een literpak melk en literpak sinaasappelsap. Op de bordje liggen schijfjes grijze worst en plakjes mokkabruine kaas.
Marije kijkt alsof ze lijkenlucht ruikt.
“Jij gaat daar niet slapen”, zeg ik als we buiten staan.
Marije zwijgt in een bevestigend zwijgen.
Het andere huisje staat iets verderop.
Het heeft het interieur van een Zwitsers chalet uit de jaren veertig. Er is een tweepersoonsmatras en een kamer met twee smalle bedjes.
Ik zie het leraarsgezin uit Heerenveen gezellig rond de tafel met een Scrabble-bord, terwijl mamma nog eens met de colafles en een zak chips rond gaat.
Opnieuw bel ik met Iril.
Ik vertel haar over mijn bevindingen. Dat we journalisten zijn die echt geen tijd hebben overdag in alle rust te gaan supermarkten en dat we een gast bij ons hebben van wie een creatieve bijdrage naar aanleiding van de reis wordt verwacht. En dat een kamer met uitzicht over een parkeerterrein annex bouwplaats niet echt bevorderlijk voor creatieve oprispingen is.
Iril stamelt en zweet, en na enig aandringen zal zij bellen naar de receptie en vragen of er andere kamer voor Marije is.
Die is er. Een kwartier lopen bergafwaarts. Met natuurview.
We moeten uit de andere kamer boven de bar zelf het beddengoed en het ontbijt meenemen, want dat andere huisje is niet met een gestrekt bedje en gevulde koelkast bedeeld.
Aldus lopen Rob en ik even later naar de auto; hij heeft zijn hoofd verstopt in beddengoed, ik jongleer met een pak melk en sinasappelsap, en bordjes belegd met Noorse bruine brunost-kaas en grijze worst van twijfelachtige herkomst.
Het huisje ligt op ruim vijf rijminuten heuvelafwaarts.
We leggen de lakens op het bed, vullen de koelkast en gaan op weg naar het steakrestaurant.
Vlak voordat we Voss binnenrijden, zegt Marije dat er geen toiletpapier op haar kamer is.
Rob trapt van de schrik op de rem.
Dan bel ik de redactrice van het tijdschrift, en die neemt op zaterdagavond gelukkig op, alsof ze al een telefoontje van mij verwachtte.
“Jullie gaan verhuizen”, zegt zij. “Dit kan niet. Wil je Marije zeggen dat wij ons doodschamen. Ik ga op internet kijken of er ander hotel is.”
Een uurtje later dan gepland arriveren we bij Iril.
In het steakhouse wacht een tafeltje.
"Pizza is on the house", zegt zij.
"De drankjes moeten jullie zelf betalen."
Aan tafel verschijnt een leuk Hindoestaans meisje dat brabbelt over pizza’s die allemaal zijn vernoemd naar dorpjes in de omgeving.
We besluit de pizzadorpjes te negeren en bestellen bier, Noorse mosselen, gravlaks en biefstuk met aardappelgratin.
Nog voordat ik mijn biefstuk kan aansnijden, krijg ik een verlossend sms’je: de redactrice heeft elders in Voss kamers met toiletpapier gevonden.
Om elf uur rijden we voor de laatste keer de berg naar het ressort op. We pakken onze koffers, kieperen de sleutels met een begeleidend briefje door een brievenbus –in de receptie is het donker- en rijden naar het Fleischer’s Hotel, een hotel met een hoog Hotel Van der Werf-gehalte.
Hai, zeg ik tegen een receptiemeisje.
Het receptiemeisjes hait vrolijk terug.
Marije heeft een eigen kamer, Rob en ik delen.
Uitgeput ploffen we elk op een matras.
“Zag je dat, naast onze kamerdeur op de gang staat een ijsautomaat”, zegt Rob.
Ik veer overeind, Rob loopt naar de badkamer.
Met twee plastic glaasjes gaat hij richting de gang, ik open de fles Jameson uit mijn See Buy & Fly-tas.
The rocks are on the house, weten we.
We geven elk glas de naam van een dorpje uit de buurt.
Gelukkig is onze topografische kennis van de omgeving beperkt.

foto: niet uit eigen collectie
Dit is na twintig maanden mijn laatste vaste bijdrage op Cheffen.nl. Mr. Global blijft onder zijn eigen naam schrijven voor tal voor vooraanstaande titels, ook op culinair gebied. Zo heb ik een maandelijkse interviewrubriek in delicious, volgt er een wijncolumn in dagblad De Pers en hou vanaf het voorjaar de reisreportages in Living in de gaten. En voor een workshop of lezing over guerrillamarketing kun je me altijd bereiken. Dag allemaal.
Warm, heet, zweten. Biertje om af te koelen. Nog meer warm, heet en zweten.
Gelukkig: lunchtijd.
We vinden een terras in de schaduw van een kerk in de wijk Alfama waar de lucht is bezwangerd van koriander, knoflook en gegrilde vis.
Heerlijk.
Doe maar een fles wit.
Tijdens een wandeling door de Barrio Alto nog meer warm, heet en zweten.
Lissabon kookt in de junizon.
Fotograaf Rob en ik zijn in de stad van de saudade. We moeten die voor een glossy in drie werkdagen vastleggen, in woord en beeld. Met kaders vol adressen om te winkelen, te eten en te drinken, te dansen en te slapen, incluis tips wat vooral wel en niet te doen.
Het is hollen, met weinig tijd voor sfeersnuffelen.
Mijn gezicht voelt warm en rood, op mijn voorhoofd prikken zoutkorreltjes. Ik had verdorie een pet moeten meenemen.
Om half vijf vinden we het alletwee mooi geweest.
We gaan terug naar het Lapa Palace Hotel, een van de sjiekste logeeradressen van de stad.
Rob stoomt.
Hij oogt als luciferstokje: “Ik heb me toch een koppijn, echt, ik moet even liggen, ogen en gordijnen dicht. We moeten aan het eind van de dag toch shots in het hotel schieten.”
Ik laat de gordijnen open en trek mijn zwembroek aan.
Als ik in het amoebevormige zwembad spring, hoor ik het sissen achter mijn oren.
Ik verstop me kopje onder voor de zon.
Na een paar baantjes, hijs ik me aan de kant.
Een hotelmedewerker brengt me een extra handdoek en ik ga liggen op mijn stoel. Het tijdschrift naast me zie ik niet. Het flesje water wel.
Dan dommel ik weg.
Rob schudt me wakker.
“Ik zag iemand vanuit mijn kamer languit liggen in de zon, en dacht, welke gek gaat met zo’n temperatuur in de zon, man, hoe houd je dat vol.”
“Ben in slaap gevallen”, lispel ik. En nog een keer: “Ben in slaap gevallen.... Hoe laat is het?”
“We hebben over een half uur een afspraak met de chefkok van het sterrestaurant van het hotel.”
Ik kleed me snel aan.
De Italiaanse chef Giorgio Damasio van het voorname Cipriani restaurant van het Lapa Palace Hotel kookt Portugees met een Italiaanse twist. Zegt hij. Hij vertelt over de Portugese keuken en hoe mooi het zou het zijn als Portugese chefs hun kennis zouden bundelen. Zoals ze in buurland Spanje hebben gedaan. Daar heeft het hele land culinair van geprofiteerd. Maar nee, in Portugal blinderen koks liever hun kachels. Terwijl de Portugese keuken heel goed een gezamenlijk boost zou kunnen gebruiken.
Giorgio doet in ieder geval zijn best. En de kelners serveren mooi Portugees wit en groots Portugees rood, en het stijve gezelschap naast ons blijkt na evenveel mooi wit en groots rood helemaal niet zo stijf.
Tollend van genoegen dwarrelen we vier uur later fado’s neuriënd richting ons bed.
Ik poets mijn tanden en plof in het heerlijke bed.
Dan schrik ik overeind.
Wat leek op een venijnig nat scheetje, blijkt het voorvocht van een bruine stroom nattigheid. Ik ren met mijn handen tegen mijn billen richting de badkamer en daal neer op het toilet. Wanneer ik het licht aandoe, zie ik een bruin druppelspoor om het hoekje verdwijnen. Dan spetteren mijn darmen op het toiletglazuur leeg.
Tien minuten later sta ik op.
Eerst met toiletpapier de badkamervloer poepvrij poetsen, bedenk ik.
Dan volg ik verontrust de bruine druppels tussen het hoogpolige tapijt terug tot naast mijn bed.
Daarin tref ik een bruine smurrieplas.
Gatverdamme.
Cheira bem, cheira a Lisboa, het ruikt lekker, het ruikt naar Lissabon, zong Amália Rodrigues in de cd-speler van het restaurant. Deze reuk zal de moeder van de fado bij het schrijven van haar bekendste nummer beslist niet in haar hoofd hebben gehad.
Gatverdamme.
Het binnenpretje doet mijn ingewanden direct opspelen, en mijn benen rap rennen richting toilet waar ik opnieuw leegloop.
Mijn God, ik heb in mijn bed gescheten, in een bed van een de sjiekste hotels van de stad.
Wat moet ik doen?
Eerst een handdoek over de diarreeplek op het hoeslaken, bedenk ik, voor het absorberen van de sompigste darmsappen, en dan onmiddellijk dat hoogpolige tapijt van die pointillistische diarree ontdoen.
Even later kruip ik met een washandje deppend over de vloer.
Het diareebruin vervloeit op tientallen plekken met het hoogpolig crême.
Dan bel ik Rob.
Ik zal hem vragen of hij zijn hoofdkussen wil delen. Ik kan toch onmogelijk nog in mijn eigen bed.
Maar Rob neemt niet op, de lafaard.
Ik slik.
Dan maar de schaamte voorbij en de receptie bellen, nog een paar keer slikken, kom op.
De receptiestem klinkt warm en vrolijk.
“Goedenavond", antwoord ik, "Hospes, kamer 512. Er is iets vreselijks gebeurd. Ik heb diarree en per ongeluk in mijn bed gepoept. Kan iemand het bed verschonen.”
De receptiestem stelt mij nog warmer gerust.
Als de kamerbel gaat, heb ik met een aftershave verstuiver hopelijk de ergste poepluchtjes weten te verjagen.
Ik open de deur voor een grote donkere man met een stapel lakens en dekens. Hij oogt als de vleesgeworden mix van Brazilië en Mozambique.
Ik vertel de vleesgeworden mix wat er is gebeurd. Maar dat weet hij al.
Uit zijn jasje haalt een middel tegen diarree.
Ik kijk hem met holle ogen vol dankbaarheid aan.
Op zijn gezicht geen spoor van emotie.
“Mijnheer, dit kan iedereen gebeuren”, zegt hij op professionele toon.
“Uw gasten gaan elke avond aan de buikloop”, grap ik zenuwachtig.
“Mijnheer, het kan iedereen overkomen. U bent echt de eerste niet.”
“Nou, dan moeten ze toch echt als de sodemieter de kok ontslaan.”
De mixman reageert niet en loopt naar mijn bed.
Samen ruilen we de bruinbevlekte lakens in voor schone.
Op de matras gek genoeg nauwelijks doorlekplekken.
De poepgeur blijft vreselijk.
We doen beiden alsof we daarvan niks ruiken en trekken als een ingespeeld echtpaar voor het slapen gaan het nieuwe hoeslaken recht, vervangen deken en lakens, en dan gaat Brazilië-Mozambique met een stapel viezigheid de kamer uit.
“Veel water drinken mijnheer, en maakt u zich alstublieft geen zorgen.”
Dan valt de deur in het slot.
"Poeh", poe ik.
Ik ga van de schrik nog even op het toilet zitten, probeer te kalmeren en leg een schone handdoek op het schone hoeslaken die een eerste aanval van een mogelijk nieuwe anale eruptie dient op te vangen.
Daar ga ik op liggen.
Maar ontspannen in bed lig in niet.
Ieder voorzichtig buikgeborrel houdt mij wakker, elke mogelijk endeldarmoprisping doet mij overeind schieten. Toch val ik in slaap.
Rob zit de volgende dag al bij het ontbijt.
Op zijn bord zie ik roerei, worstjes, gebakken minitomaatjes en een driehoekje toast.
Mijn endeldarm krijgt ervan spontaan de hik.
“Lekker geslapen”, vraagt hij. “Bij mij ging verdomme midden in de nacht de telefoon. Een of andere gek, denk ik.”
Ik ga herzitten.
“Gaat het verder goed?” vraagt Rob.
“Nee”, zeg ik. “Slecht geslapen. Te volle maag, denk ik. Even geen ontbijt ook.”
”Nou, ik heb anders gesnurkt als een blok op die wijnen.”
Dan kijkt hij op van zijn bord met worstjes, roerei, tomaten en toast.
“Man wat zie je bleek.”
“Rob, er is vannacht iets verschrikkelijks gebeurd”, begin ik.
Zijn onderlip valt open, zijn bestek legt hij naast zijn bord.
Mijn ontsteltenis lijkt hem bijkans bevriezen.
“Is er thuis iets gebeurd”, opent hij voorzichtig.
“Nee”, geruststel ik. “Dat telefoontje vannacht, dat was ik. Ik had in mijn bed gescheten, een zonnesteek denk ik of de combinatie van de zon met drank en eten, Tjezus man, ik bleef maar leeglopen.”
Na een lichte aarzeling rond zijn liphoeken, verandert zijn mond in een grote grijns.
“Doe niet zo lullig Rob, echt, ik schaam me dood. We zitten in een van de sjiekste hotels van de stad.”
“Heb je echt in je bed gescheten. En dan mij bellen om daarna mijn bed vol te schijten zeker.”
Ik voel een lachrimpeltje opkomen.
Vooruit, een droog toastje dan, en nog een scheut thee.
Mijn buik protesteert al in de receptie.
Net op tijd nog vind ik ergens een heren.
Als ik naar mijn kamer loop, merk ik, dat mijn kamerdeur openstaat.
“Hallo”, zeg ik.
Een Angolees meisje in een Saartje-pakje kijkt me om het hoekje van de badkamer verrast aan.
“Het toiletpapier was op”, stamelt zij. “Misschien heeft u nieuwe nodig.”
Ik knik en loop twee stappen naar achteren, maar zie verder niemand op de gang staan.
“U hoeft de kamer niet schoon te maken. We hebben een late check-out”, lieg ik.
“Geen bed opmaken mijnheer?”
“Nee nee, dank u wel, dank u wel. Ik wil me zo nog even douchen. Dus als u het niet erg vindt.”
De vrouw verdwijnt, en ik ga liggen op het bed. Dan ontwaar ik schuin onder een stoel een drietal donkerbruin opgedroogde poepspetters.
Cheira bem, cheira a Lisboa.
Ik heb het gevoel dat iedereen van het hotel mij op de gang staat uit te lachen.

Gerecht bij 'Het batje van Tetje'. Uit: Reismenu, verhalen in gerechten. Op Cheffen.nl terug te lezen onder het kopje Top Chefs Down Under.
Over de verhalen van Mr. Global op Cheffen hoef ik jullie natuurlijk niks te vertellen. Dat een selectie is herschreven en gebundeld hebben jullie intussen ook op Cheffen kunnen lezen. 'Reismenu, verhalen in gerechten', heet het boek. Bij ieder verhaal bedacht receptuurschrijfster/foodstyliste Ingmar Niezen een gerecht dat Hanneke Boers fraai voor de camera van Rob van der Vet zette. Het resulteerde in een vernieuwend kookboek. Jullie kunnen een Reismenu winnen. Heel simpel. Verzin zelf een passend gerecht bij een van de verhalen van Mr. Global die je allemaal op Cheffen onder mijn getekende foto kunt terugvinden (nota bene 'verbannen' naar Overige Cheffen). Het meest smakelijk en originele idee wordt beloond met een exemplaar van Reismenu. Veel leesplezier. Ik kijk uit naar jullie smakelijke ideeën.

foto: Cuno van 't Hoff
Vijf dagen trekken we van het ene wijnhuis naar het andere. Met tussenstops om te lunchen en te slapen. Onder leiding van een even mooi als rondborstig meisje dat zich allengs ontpopt tot een stressrijk serpent. “Ik wil dat jullie nu komen, vite vite vite.” Flipperen met Sabrina.
Sabrina komt aangelopen.
In haar kielzog de dagbladredactrice die hijgt met rode konen.
Sabrina voelt onze blik en kijkt ons fel aan.
“We gaan,” zegt zij.
Ik wissel een korte blik met de wijnjournalist.
Moeten we Sabrina vertellen dat zij ongeschikt is voor haar werk. Dat zij daarvoor bij lange niet empathisch, flexibel en doortastend is. Dat zij is geboren met een groot gebrek aan relativeringsvermogen. En dat allang niet langer haar borsten, maar haar omgangsnormen ons ademnood bezorgen.
Nee.
Natuurlijk doen we dat niet.
De wijnjournalist en ik hebben besloten haar de resterende dagen te negeren. De dagbladredactrice zei toch al niet veel tegen iedereen, en de Sopexa-begeleidster Michèle mag redden wat er nog te redden valt.
Aldus rijden we even later over de Route du Soleil naar de noordelijk Rhône.
Om ons heen zien we het landschap allengs ont-provençaalsen. En dat geeft in de noordelijke Rhône totaal andere wijnen.
Daar groeit bijna uitsluitend syrah en viognier waar ze in het zuiden voor het maken van rood en wit een druivenratjetoe gebruiken.
De Côtes du Rhône is qua look en smaak een schizofrene wijnstreek.
Ook de Mégane is gescheiden in twee delen.
Met Sabrina en Michèle voorin, en de dagbladredactrice, wijnjournalist en ik op de achterbank.
Sabrina kwebbelt Engelse zinnen die achterin geen enkel reactie ontlokken.
De wijnjournalist en ik babbelen enkel nog in het Nederlands, dat bij Michèle voorin af en toe een grinnikje doet losmaken.
Als Sabrina vraagt waarover het gaat, diplomatiekt Michèle in woord en gebaar, maar getuige het norse Sabrina-gefrons overtuigt dat niet.
Dan zien we de afslag Tain l’Hermitage.
De wijnjournalist begint te glunderen: Tain l’Hermitage.
We zien de Rhône-rivier en een steile helling vol wijnterrassen.
Richting die hellingen verlaten we ook de Autoroute, naar Tournon, het tweelingdorpje van Tain dat aan de overkant van de Rhône ligt.
Daar parkeert Sabrina de auto.
De wijnjournalist wil buiten direct wijnlucht inademen, maar verstikt zich in een passerende bus.
De dagbladredactrice bladert door een taalgids die zij uit haar tasje haalt.
Sabrina spreekt in haar mobieltje.
Het is half twee.
We gaan lunchen.
Restaurant Auberge Le Chaudron ligt aan een bijna verstopt pleintje in Tournon.
Binnen schudden we handen met eigenaren Dominique en Marc Grillon.
Hij is geblokt en blond, en draagt een snor.
Zij is geblokt en blond, en draagt een bril met een monteur dat in ons land enkel nog tekenleraressen uit Eersel durven dragen.
Achter hen verschijnt onze gastvrouw Murielle Chardin-Frouin, export manager van het huis Cave de Tain. Een Française die praat en oogt als een Britse, zo bleek oogt haar huid en zo Oxfordiaans-keurig is haar accent.
We nemen plaats aan de laatste vrije tafel.
Murielle overhandigt ons een perspakket en de wijnjournalist begint direct met haar aan te pappen.
Michèle probeert voor de zoveelste keer een gesprekje met de dagbladredactrice.
Sabrina staart in stilte.
Ik laat mijn zinnen los op de paté caillette, warme stukjes gekruid varkenspaté die als amuse op tafel staan, maak aantekeningen en ga bijna onderuit van de witte Saint-Péray ‘Fleur de Roc’. Een mix van houtgerijpte marsanne en rousanne-druiven. Lees ik in het perspakket.
Er verschijnt nog een koppel Cave de Tain-flessen op tafel, als begeleider van de konijnterrine, kip met moerieltjes en chocoladefondant.
Bij de Cornas ‘Arènes Sauvages’ vervalt de wijnjournalist in orgastische genotkreetjes.
“Weer die mooie dampigheid van ingedroogde vijgen”, jubelt hij vanuit een hoek van de tafel. “Ook die chocoladefondant smaakt er heel goed bij, fantastisch, heel mooi is dit. Vooral als je kijkt naar de prijs.”
Murielle begint er zowaar kleur van te krijgen.
Sabrina trekt verveeld aan de puntjes van haar haar.
Na de lunch stopt de auto bij Cave Desmeure.
Dat klinkt niet echt lekker.
En dat zijn de wijnen ook niet.
Het maakt ons melig.
Wellicht ook door de après-lunch nadronk.
Sabrina kan ons gegiebel niet waarderen.
De vrouw die de proefwijnen schenkt ook niet.
Ze vinden elkaar in hun afgrijzen.
“Slecht terroir, fout hout”, zegt de wijnjournalist na een zoveelste slok.
De dagbladredactrice neemt dat oordeel wijs over.
"Chateau C1000 smaakt beter", grap ik.
Ook dat oordeel neemt zij wijs over.
Dan wacht een bezoek aan een van de bekendste huizen uit Frankrijk: Chapoutier. Dat merk heeft etiketten in braille, en daarmee was het in 1996 de eerste wijnproducent ter wereld.
Een pr-stuntje om evenzo mensen met een slecht gezichtsvermogen aan de juiste fles te krijgen, vermoeden we.
Er blijkt evenzo een wijngeschiedkundige verklaring.
De eigenaar van de Hermitage-hellingen was ene Maurice Monier de la Sizeranne.
Hij was de uitvinder van de eerste versie van braille.
Dat vroeg om een ode op de fles, vonden ze bij Chapoutier.
“Ik heb geregeld dat Michel Chapoutier himself ons gaat ontvangen”, pocht de wijnjournalist.
Onze gastheer stelt zich evenwel voor als Jérémie Fay.
“Tjezus christus”, vloekt de wijnjournalist, “we krijgen een loopjongen.”
De loopjongen loodst ons naar een grote zaal, laat een videoscherm naar beneden vallen en toont een film die vertelt over de biodynamische manier waarop Chapoutier zijn braillewijn maakt.
Het wijnhuis bewerkt de wijnterrassen met enkel natuurlijke middelen, zodat de soms 65-jaar krasse wijnstokken zichzelf leren verdedigen tegen ziektes en ander ongewenst bezoek.
Op het scherm zien we hoe mannen tussen de wijnstokken gefermenteerde kruiden, gemalen takken en gedroogde poep uitstrooien. Daarna wordt de aarde luchtig opgeklopt door een paard met een ploeg, want zie op de steile geterrasseerde hellingen langs de rivier maar eens mechanische paardenkrachten omhoog te krijgen. Bovendien stampen zware tractorbanden de grond teveel aan, waar de Chapoutier-wijngaarden juist lucht kunnen gebruiken.
“Bij onze werkzaamheden in de wijngaard houden we ook rekening met de stand van de maan”, zegt Jérémy zonder een spier te vertrekken.
Met die opmerking zet hij onze lippen en ruggengraat onmiddellijk in de gniffelhouding. Daaruit veren beide onmiddellijk terug als we mogen proeven van een Condrieu Invitare 2006.
“Ananas, lichees en ander exotisch fruit, boter, vers gemaaid gras, en toch lekker fris mineralig, alle druiven in een druif”, lekkerbekt de wijnjournalist. En hij blijft in juichzinnen praten als er nog meer wit en rood wordt ontkurkt.
Ik ruik meloenen in een liederlijk glas Chante-Alouette.
In een glas Le Pavillon snuffel ik aan aardbeien en walnoten, terwijl in mijn mond tabak en zoethout om voorrang vechten.
Wat een feest voor 140 euro per fles.
Voor wijn van biodynamische poep en goede maandstonden moet je wat over hebben.
Chapoutier verkoopt ook braillewijn onder de tien euro.
’s Avonds wacht een diner onder een fonkelende Michelinster van Michel Chabran, in diens hotel-restaurant in Pont-de-L’Isére. Met aan tafel de tweelingbroertjes Eric en Joël Durand die met flessen St-Joseph en Cornas voor een nog vrolijker aankleding zullen zorgen.
Het restaurant van Michel Chabran ligt op een allesbehalve idyllische plek aan een drukke Route National waar vrachtauto’s het servies laten rinkelen.
Vooraf het diner mogen we antichambreren in de lounge. Een grote kale ruimte met geelbruine lederen stoelen met de sfeer van een koffie met cake-gelegenheid in een crematorium.
Dan ook arriveert één van de broers, de ander zal helemaal niet komen.
In het restaurant eten niet veel mensen.
In de hoeken ontwaren we zakenmijnheren met dikke buiken en jongere vrouwen.
De vrouwen hebben vooral oog voor hun nagels.
Wij mogen plaatsnemen aan een grote ronde tafel.
Sabrina krijgt een plek naast een lege stoel, aan haar andere kant zit de wijnjournalist.
Zij heeft haar dolfijntje weer omgedaan. Het ligt rustig om haar nek.
Even meen ik het nog te zien flipperen, maar die opwinding komt door de wijn.
Ook die begeerprikkelingen krijgen een stootje.
Daarvoor zorgt de Michelin-ster sommelier.
Op diens gezicht wemelt het van de roodgele puistjes, in de oksels van zijn jacquet ruikt het naar oud zweet van bibliothecarissen waarvan zweempjes akelig lang boven onze glazen Cornas blijven hangen.
Het doet Eric -of is het toch Joël- nog eens aan de kurk snuffelen om te kijken of er niks mis met de fles is.
Ik stop mijn neus in een stukje stokbrood dat op tafel ligt.
Dat vormt tegelijk het culinair hoogtepunt van de kookkunsten van Michel Chabran.
Het hoofdgerecht is exemplarisch: lamsschouder met uitgedroogde randjes, gefrituurde rozemarijntakjes en ratatouille.
Leuk voor een eetcafé, maar absoluut niet van sterniveau.
We verlangen naar afzakkertjes in een kroeg.
Maar Pont-de-L’Isére kent geen cafés, en die zijn er zijn, hebben allang hun deuren gesloten, vertelt een receptioniste.
“Dit is eigenlijk alleen een plek waar overdag truckers stoppen om steak frites te eten.”
“Een merkwaardige plek voor een Michelinster”, vinden we.
“Ja”, zegt de receptioniste, “is het niet wonderlijk?”
De volgende ochtend passeert de laatste proeverij.
Na de lunch zitten we op een bankje in Ampuis uit te buiken in de zon.
We hebben nog vier uur te vullen voor onze vlucht vanaf het vliegveld van Lyon.
Vanaf Ampuis is het vliegveld een half uurtje rijden.
Een toeristische wijnroute stel ik voor.
Een beetje downsizen in een cafeetje aan een jeu de boulle-rijk peintje, probeert de wijnjournalist.
Maar Sabrina heeft geen zin in toeristische routes noch jeu de boulle-rijke pleintjes.
Zij wil naar het vliegveld van Lyon.
Dan kan zij naar huis.
We moeten ons maar op het vliegveld vermaken.
We kijken elkaar aan, en ach, ons bevreemd niks meer.
Aldus rijden we richting Lyon en daar mist Sabrina de afslag naar de Autoroute die de stad aan de oostkant passeert en waaraan ook het vliegveld ligt.
Zij volgt de oude Autoroute die dwars door het centrum van Lyon loopt.
En ik ben de enige die dat ziet.
Er is althans niemand die wat zegt.
Binnen tien minuten staan we in een file.
Ik glimlach besmuikt en sla een tijdschrift open.
Een half uur later rijden we nog slakvoets.
Sabrina lispelt steeds iets harder merde en shit en aanverwante begrippen.
Ook de wijnjournalist ontwaakt.
Is er geen snellere verbinding naar het vliegveld, moppert hij.
“Zij heeft de afslag naar het vliegveld Saint Exupéry gemist”, zeg ik in het Engels. “Dat ligt langs de snelweg die loopt langs het oosten van de stad. Inderdaad vanaf Ampuis slechts twintig minuten rijden.
“Gottjezus nee, het schaap”, reageert de wijnjournalist in het Nederlands.
“Nee hoor, ik heb geen enkele afslag gemist”, pruttelt Sabrina. “Het is gewoon druk. Daarom wilde ik ook geen toeristische route rijden.”
Michèle ontvouwt ietwat geëergerd een wegenkaart en laat die pontificaal op het dashboard voor Sabrina liggen.
Dan blijft het stil.
Na drie uur stilstaan en slakkegang bereiken we het vliegveld.
We moeten ons nog haasten naar de gate.
Als we allemaal zitten, beginnen we te lachen.
Dat arme kind. Dat arme Inter-Rhône dat met Sabrina pr moet bedrijven.
“Waarom had zij nou zo’n haast vanmiddag”, vraag ik aan Michèle.
“Werd het haar echt te veel?”
"Nee", weet Michèle. "Zij krijgt over twee weken een puppy. Dat beestje zou aan het eind van de middag enkele spuitjes krijgen en daar wilde zij bij zijn."
Zelfs de mond van de dagbladredactrice valt open.
We bestellen van de schrik in het vliegtuig maar een miniflesje wijn.
Een syrah, uit de nieuwe wijnwereld.

foto: Cuno van 't Hoff
Vijf dagen trekken we van het ene wijnhuis naar het andere. Met tussenstops om te lunchen en te slapen. Onder leiding van een even mooi als rondborstig meisje dat zich allengs ontpopt tot een stressrijk serpent. “Ik wil dat jullie nu komen, vite vite vite.” Flipperen met Sabrina.
Wijnranken die over oneindige heuvels glooien.
Met kerkspitsen als uitroeptekens in het golvend groen.
Vanaf het Place d’Eglise in Rasteau hebben we een goed uitzicht over een groot deel van de zuidelijke Côte du Rhône.
We zien links wijnstadjes als Sablet en Gigondas, en de Dentelles de Montmirail, een bergketen met rafelrandjes.
Links ligt Séguret en als kroon in het landschap de beroemde fietsberg Mont Ventoux.
Achter ons in een hoekje van het plein mokt Sabrina.
“Zie je hoe onze wijnvelden vanuit het dal over de zuidelijke heuvelhellingen kruipen”, gidst Gilles Ferran van Domaine des Escaravailles uit Rasteau. “De druivenranken liggen met hun kop volop in de zon, en dat geeft ze een hoog suikergehalte en hoog alcoholpotentieel.”
De ligging van de wijnranken zorgt voor robuust rood, begrijpen we, dat het broertje wordt genoemd van Châteauneuf-du-Pape, een van de beroemdste Rhône-wijnen. Ook maken ze in Rasteau Vin Doux Naturel, een natuurlijke zoete rode wijn die je nergens elders in de Côte du Rhône aantreft.
Gilles: “Om nog maar eens aan te tonen hoe uitzonderlijk Rasteau is.”
Dat willen we dan wel eens proeven, en daarvoor schuiven we even later aan op het plein van Rasteau, een minidorpje van zo’n 650 inwoners waarvan 80 tot 90 procent direct of indirect werkt in de wijn.
Gilles komt aanzetten met enkele flessen van zijn wijndomein waaronder een fles wit.
Op het etiket staat La Galopine, dat ondeugende jongetje betekent.
Pas dan voelen we hoe Rasteau echt smaakt.
Ondeugend lekker.
Daar heeft niemand iets anders aan toe te voegen.
Gilles kijkt tevreden.
Sabrina zit op een hoekje van de tafel.
Met veel chagrijn brabbelt zij in een telefoon.
Zij trekt erbij in felle halen aan de puntjes van haar haar.
Haar dolfijntje is van haar hals verdwenen.
Hoe lang Sabrina ons door het oude centrum van Carpentras cirkelt, weten we het niet. Maar ook nadat we sommige voordeuren vijf keer hebben gezien, blijft Chambres d’hôtes La Salamandre in het stadje onvindbaar.
Weer hetzelfde pleintje, weer dezelfde slager, en kijk, dezelfde mensen staan nog steeds te praten voor dezelfde fromagier.
Sabrina gromt en laveert de Mégane alsmaar grimmiger door steegjes en over pleintjes. Haar TomTom weigert alweer dienst, zegt zij. Daarom kan zij de weg niet vinden.
Haar mond weigert ook, bedenken we.
Want waarom vraagt zij voorbijgangers niet naar het adres.
Of wat te denken van belletje naar La Salamandre, opdat de eigenaar ons remote naar zijn adres kan loodsen.
We durven haar niet op dat idee te brengen.
Wie weet wat voor chagrijn ons dan weer wacht.
Maar gelukkig, na nog drie rondjes en een voorzichtige hint van Michèle raadpleegt Sabrina dan toch de telefoon.
Even later stoppen we in één van de weinige straatjes die zij de afgelopen drie kwartier links had laten liggen.
Tijd voor een biertje, besluit ik met de wijnjournalist.
Niet te lang wegblijven, roept Sabrina vanuit de receptie.
We worden om zeven uur in Chez Serge aan tafel verwacht.
Onze gastheer die avond is Olivier Legrand, haar baas van Inter-Rhône.
Zij kijkt er heel belangrijk bij.
We halen onze schouders op en wandelen door Carpentras.
Dat blijkt allesbehalve een feest.
De Mistral waait er alle terrassen leeg en blaast enkel lelijke mensen over straat.
Carpentras dankt zijn faam aan de berlingot, vertelt een folder van het VVV. Een snoepje gemaakt van de restjes van siroop van gekonfijt fruit, in de vorm van een piramide dat ze ook in Nantes hebben uitgevonden.
We drinken een biertje en een Pernod in een sfeerloze bar tegenover de kathedraal.
Buiten gaat het regenen.
Het maakt Carpentras tot een nog vreselijker oord dan het al was.
De stad is in 1996 uitgeroepen tot markstad van het jaar.
Fransen zijn stapelgek, besluiten we.
Rond Carpentras ligt de Comtat, de moestuin van de Rhône.
Ook groeien er truffels.
’s Avonds in Chez Serge wacht dan ook een heus truffeldiner waarvan de kwaliteit strandt in goedbedoelde onzin.
We vinden flinterdunne plakjes witte truffel terug in een salade die zwemt in azijn; we vinden plakjes witte truffel tussen tagliatelleslierten die als wit zeewier verwaaien in een oceaan van roomsaus, waarin doorbakken coquilles drijven als verloren reddingsboeien; en we vinden plakjes witte truffel verwerkt in een nougat glacé dat elke truffelsmaak doet smoren in zoet en koud.
Hoe mislukt elk gerecht ook, gastheer Serge maakt van de avond een feest.
Serge Ghaikassian heet hij voluit.
Hij is geboren in Armenië. Met zijn ouders spoelde hij aan in Marseille om jaren later te landen in Carpentras om ons deze avond van nog weer een fles Côte du Rhone te voorzien.
Sabrina nipt aan glaasjes wijn en water, en heeft enkel oog voor haar baas Olivier Legrand. Die is vanuit Avignon naar Carpentras gereden met een ander pr-meisje van Inter-Rhône. Een merkwaardig blond exemplaar dat de hele avond tegen ons geen woord zegt en af en toe een woordje Frans naar Sabrina roept. Als wij ter hoogte van het dessert vragen wat zij eigenlijk doet, hebben we kennelijk op een start-knop gedrukt, want ineens haalt zij een stapel paperassen uit een tas en ratelt over een gids met slaapadressen bij Rhône-wijnboeren thuis. Die gids wil zij graag aan ons overhandigen, en zeker, een top vijf van de mooiste adressen heeft zij ook.
“Waarom slapen wij dan langs rijkswegen en in verstopte chambre d’hôtes”, vraag ik.
Het pr-meisje kijkt in al haar blondheid vertwijfeld om zich heen, en verstopt zich weer in een grimmig stilzwijgen.
Serge heeft alweer een fles op tafel gezet.
Sabrina krijgt zowaar enige kleur op haar wangen.
Ik vraag haar voorzichtig wat haar dwarszit.
“Ik werk pas een paar maanden bij Inter-Rhône en wil het graag goed doen", schaapt zij. "Ik moet nog zoveel leren. Ik ben normaal erg relaxed in mijn hoofd maar de laatste tijd een beetje speedy.”
Waar dat speedy vandaan komt, wil zij niet vertellen.
“Doe nou maar rustig”, probeer ik.
“Wij worden een beetje gek van jou gespeed. Allemaal willen wij hetzelfde als jij, en dat is een goed verhaal over de Rhône, dus laten we elkaar daar zoveel mogelijk bij helpen.”
Dat doet de strengheid in haar blik doorbreken.
Sabrina vertelt dat zij opgroeide in Parijs.
15 jaar was zij toen zij het ouderlijk huis uit wilde.
Zij had haar zinnen gezet op een internaat in een buitenwijk.
Nee hoor, ze was niet onhandelbaar.
“Mijn moeder huilde toen ik wegging.”
Het internaat waren de mooiste dagen uit haar leven.
“Ik had allemaal vriendinnen om me heen, en vriendjes natuurlijk.”
In Nantes volgde zij een landbouw hogeschool. Specialisatie marketing. Stage liep zij bij Inter-Rhône in Avignon waar zij sinds een half jaar vast werkt.
“Met mijn ouders ging ik hier altijd op vakantie.”
Sinds een paar maanden heeft zij een kamer in het centrum van Avignon, op twee minuten lopen van haar kantoor.
Volgende week gaat zij samenwonen, met een hondje.
Cajun, heet die.
Kijk, dit een foto van hem als puppy.
Zij pakt haar mobieltje en toont een foto van een bruin minibeest met lange oren, natte snuit en hondstrouwe ogen. Dan hoor je heel warm en belangstellend te kijken, weet ik. Zoals je dat ook naar babyfoto’s van anderen doet. Dus kijk ik heel belangstellend.
Maar Sabrina heeft haar blik alweer gericht op Olivier, waarschijnlijk te controleren of ze het goed doet. Zij trekt erbij zenuwachtig aan de puntjes van haar haar.
Na nog een fles dessertwijn, en nog een fles andere dessertwijn, en een rondleiding van Serge door alle krochten van zijn restaurant, hebben we trek in bier.
Maar in Carpentras is alles gesloten.
De Mistral waait in het stadje alle lichten vroeg uit.
’s Avonds droom ik over dolfijntjes met natte snuitjes, en een dompteur die Olivier heet.
De achternaam van Sabrina is Tolphin.
Aan het ontbijt in La Salamandre is iedereen stil.
Michèle kleurt de ochtend in een combinatie van rood-wit.
Sabrina draagt een zwarte broek en zwart shirt.
Om de tafel dartelt de eigenaresse in een sixties soepjurk die hoopt op aanspraakpraatjes.
Onder de tafel ligt een enorme hond die Hannibal heet.
Sabrina gaat vast omhoog om koffers te pakken en de auto te halen, zegt zij.
“Vergeet de TomTom niet, anders duurt het misschien uren om de uitgang van Carpentras te vinden”, grapt de wijnjournalist.
Als wij na een half uurtje bepakt en bezakt in de hal staan te wachten, komt zij pas van haar kamer.
Haar ogen zijn rood.
Op weg naar de Noordelijke Rhône maken we een toeristisch ommetje achter de Dentelles de Montmirail.
Sabrina belooft te stoppen op mooie plekken.
Maar stoppen in Frans-aandoenlijke villages doen we niet.
In plaats daarvan slaat Sabrina een zandpad in en vertelt dat zij ons wat wil laten zien.
“Vite, vite, vite.”
Snel de auto uit, begrijpen we.
Zij wenkt ons naar een pad dat leidt naar een vallei met wijnranken omringd door bomen en bramen en frambozen.
“Het huisje van mijn ouders is hier vlakbij, en op deze plek kwam ik graag frambozen plukken.”
Zij droomt weg in jeugdmijmeringen en kijkt gelukkig.
Onze irritatie over haar gedrag slaat bijna om in medelijden.
Dan haarspeldbocht zij verder.
Fraaie pleintjes, plataanrijke straatjes en fraaie huizen met blauwe luiken verdwijnen even snel als ze komen.
Dan is het genoeg.
In een dorpje dat Suzette heet, zeg ik dat ik moet plassen.
Sabrina stopt.
De dagbladredactrice loopt met een fototoestel achter me aan.
Ook de wijnjournalist stapt met een camera naar buiten.
Na ruim twintig minuten ben ik als laatste terug.
Sabrina staat op ontploffen.
“Het wc-papier was overal op”, zeg ik. "Ik moest lang naar een volle toilethouder zoeken."
Zelfs Michèle kan een glimlach niet ophouden.
Sabrina begrijpt de fotografische nood en serveert een korte stop bij La Roque Alric dat Provençaals te leuk tegen een bergpuist is geplakt. Daarna staat nog een wandeling gepland in een hoog gelegen dorpje van bakstenen en kinderhoofdjes.
Tien minuten, niet langer.
Zij snelt alvast voor ons uit om de mooiste plekjes aan te wijzen.
“Vien, vien, vien.”
De dagbladredactrice loopt achter haar aan.
De wijnjournalist blijft in de auto zitten.
Over zijn hoofd trekt een hogedrukgebied.
“Ik ben helemaal klaar met dat kind", proest hij.
Ik stop mijn rode hoofd onder de kraan van een dorpspomp.
Michéle excuseert zich en zal opnieuw met haar proberen te praten.
Ook bij haar lijkt evenwel het geduld op.
“We laten haar hier alleen, en rijden gewoon weg”, opper ik.
Michèle en de wijnjournalist tasten afwachtend elkaars gezichten af.
In de verte horen we Sabrina aankomen.
Dan ondernemen we actie.
Later meer>>>

Foto: Inter-Rhône
Op straat klampten mensen mij amechtig aan. Familie stond digitaal te stampvoeten. En mijn 06 kreeg bijkans hoofdpijn van alle verlangberichtjes. Dus ja, deel drie en vier over Sabrina, ze komen. Tussen Kerst en Nieuwjaar. Tot dan in verband met journalistieke drukte geen Mr. Global. Wellicht tijd om deel 1 en 2 nog eens terug te lezen. Met deze foto erbij, want dit is ze, Sabrina. En inderdaad, dat is haar dolfijntje.
Dit is echt een gruwelijk keukenspotje. Voor ongelukkenpreventie. Kijk en slik, en boen onmiddellijk de keukenvloer.


Yass is een dorpje in Australië, vandaar...
In de residentie van de Nieuw-Zeelandse ambassadeur wachtte een keur aan kiwi-smaken. Mr. Global rook aan een Savoloy-worstje en spoelde alles snel weg met Muddy Water.

Ambassadeur Rachel Fry van Nieuw-Zeeland, geflankeerd door enkele van haar jongens, EnjoyNZ-initiatiefnemers Andrew Morten en Jarrod Englefield.
Het is herfst in Wassenaar.
De bladeren liggen in alle mogelijke indian-summer kleuren verspreid tussen de bomen in de lommerrijke lanen, en kleuren tevens het gazon van de residentie van de Nieuw-Zeelandse ambassadeur, mevrouw Rachel Fry.
Zij zelf staat ons in de hal van haar Wassenaarse buiten op te wachten in een zwart t-shirt, zwarte rok en donkergroen jasje met zwart.
Doe maar gewoon, dan doe je in Nieuw-Zeeland gek genoeg.
Naast haar zorgen twee kokette jongens in lamswol roze en donkerblauw voor enige coleur locale.
Ze hebben een tafel met rijen lege champagneflutjes uitgezet, en ja, die moeten maar eens worden gevuld, vinden ook de jongens die terstond de kurken van enkele flessen Cuvéé Nr. 1 laten ploffen.
We zijn precies op tijd binnen.
Met een glaasje bubbeltjes chardonnay bekijken we het interieur van de Nieuw-Zeelandse residentie die speciaal voor deze dag een nieuwe look heeft gekregen. Kriskras over de benedenverdieping ontwaren we kinderbuggy’s, wintersportkleding, kampeerspullen en huidverzorgingsproducten.
In de woonkamer veren we over hoogpolig wit tapijt, in de bibliotheek bestuderen we ingelijste landschapjes en op de hapjestafel in de eetkamer vinden we op schoteltjes Lime & Piri Piri chutney, een salsa van Geroosterde Tomaat en Karengo, en een dipje van Gekarameliseerde Ui en Kawakawa.
Voor de inwendige mens zijn er verder flessen met Taakawa-bier, avocado-olie, Matakana Bell Pepper Dressing en Hokey Pokey Chocalate Sauce plus flesjes waarop Kaitaia Fire, Waha Wera en Hot AS! staan.
In Nieuw-Zeeland houden ze van pit.
Over de hapjestafel waakt Monique Koorn.
Zij heeft aan de hoofdstedelijke Kinkerstraat een foodwinkel gespecialiseerd in producten uit Nieuw-Zeeland waar zij jarenlang heeft gewoond.
Kiwisauce heet haar winkel, en haar kinderen heten Silke, Romkje en Rangi.
Op de barbeque heeft zij Savoloy-worstjes gelegd, en die ogen niet echt overtuigend.
“In Nieuw-Zeeland moeten die worstjes ook vies zijn”, verduidelijkt Monique, “anders is het niet Nieuw-Zeelands.”
We besluiten het vleesspiesje en de ontdooide mossel ook maar te laten liggen, en staren een beetje verveeld over de Italiaanse tuin die is ingenomen door tenten en ander kampeergereedschap van de firma Macpac.
De Nederlandse Macpac-vertegenwoordiger maakt een uitnodigend gebaar naar buiten waar het spontaan begint te druilen. Tegelijk worden we naar de woonkamer geroepen waar mevrouw Fry iedereen welkom heet in het Nederlands, Nieuw-Zeelands en Maori waarna we gewillig naar een videoscherm staren.
We zien stranden, brandingen, bergen, zeiljachten en dolfijnen voorbij komen, met dezelfde buggy’s, wintersportkleding en tenten, en een reisbureau gespecialiseerd in vakanties langs b&b’s en kleine hotels in het land van de kiwi. En dat allemaal onder de noemer EnjoyNZ waaronder Nieuw-Zeeland zich wereldwijd wil gaan presenteren. Samen met FoodNZ, TravelNZ, ClothingNZ, LifestyleNZ enzovoortsNZ.
Ach kijk, daar zijn ook de meisjes van Elle Eten, we herkennen even later de bijklussende huisvrouw van Metro en geshokerde Residence-redacteur, en er lopen nog wat van dat soort blaadjes rond. En zie, in de video komt evenzo Monique van de Kinkerstraat voorbij toen ze nog beduidend meer blosjes op haar wangen had.
Ook de jongens van de champagne hebben een tafeltje uitgestald.
Ze hebben een importbedrijf van Nieuw-Zeelandse wijn.
We ontwaren etiketten met Roy’s Hill, Fiddler Green, Spy Valley en Muddy Water.
Jarrod Englefield heet een van de twee importeurs. Hij was ooit aanvoerder van het nationale jeugd cricketteam van Nieuw-Zeeland, en wicket vandaag in het eerste van Rood & Wit uit Haarlem.
Wat gaan we proberen, vraagt hij.
We beginnen bescheiden met een frisse Sauvignon Blanc die naar vers stuivende hooi ruikt, genieten van Pinot Noir die naar Pinot Noir ruikt en een Cabernet Sauvignon die gewoon lekker ruikt.
Over wijn moet je niet moeilijk doen, die moet je gewoon drinken.
In de eetkamer zien we de Elle Eten-meisjes happen in Savoloy-worstjes en een ontdooide mossel achterover slikken, en ze kijken er verheerlijkt bij.
We nemen nog een slokje Muddy Water en besluiten dat het de hoogste tijd is om te gaan.
Dus bedanken we de ambassadeur voor haar gastvrijheid en verdwijnen we tevreden tussen de donkere bomen die alsmaar diepere schaduwen over de invallende schemering van Wassenaar werpen.
Buggy’s, wijn, Savoloy-worstjes, bergbeklimkleding, wij weten wel waar we de volgende keer op vakantie gaan.
[kader]
In memoriam Gert-Jan Dröge (1943-2007)

Wil je weten hoe het afloopt met Mr. Global en Sabrina? Of misschien begeer je een echte foto van haar? Stuur dan een reactie met je e-mail. Geen zorgen, dat adres verschijnt enkel in de mailbox van Mr. Global. Dan krijg je het vervolg van 'Het fruit springt eruit' deel 3, 4 en 5 in je computer thuis. Mits bij voldoende verzoekjes.

Vijf dagen trekken we van het ene wijnhuis naar het andere. Met tussenstops om te lunchen en te slapen. Onder leiding van een even mooi als rondborstig meisje dat zich allengs ontpopt tot een stressrijk serpent. “Ik wil dat jullie nu komen, vite vite vite.” Flipperen met Sabrina.
“Goedemorgen”, zegt Sabrina, terwijl zij in een mok cappuccino hapt. Het schuim rond haar lippen bezorgt mijn slaperige lichaam terstond wekkertrillingen.
Ik ahum wie er nog meer koffie wil.
Michèle steekt haar vinger op.
Ik zie vanuit mijn ooghoeken dat zij wederom flink tweekleurig heeft uitgepakt.
In donkerblauw en wit deze keer.
De dagbladredactrice draagt nog altijd haar slobberbroek.
Sabrina zegt het met een rood t-shirtje met een diepe hals waar de airco van de eetzaal al vroeg vat op heeft gekregen.
Koffie met schuim, denk ik.
Een half uurtje later zijn we op weg naar het wijnmuseum van Cairanne, gevestigd in de kelder van een cave.
Een cave is een plek waar je rood, wit en rosé van locale wijnboeren kunt proeven en kopen, en andere toeristenwijndingen aanschaffen.
In de cave-kelder van Cairanne wacht ons een multi-zintuigelijke wijnervaring, en dat klinkt veel belovend.
Kijken: achter glas hangen drie happen uit de aarde, die elk een verschillend stukje wijngrond rond Cairanne verbeelden.
Horen: je kunt er naar vogels luisteren die tussen de wijnranken fladderen en nestjes bouwen.
Ruiken: je mag je neus testen op leer, bessen, peper, pruimen, tabak, roodfruit en andere typische wijnproefnotitiedingen.
Proeven: aan het eind van het museum wachten flessen en glazen
Voelen: wijnslokjes die je proeft in je mond, kun je ervaren met je hand.
“Wrijf maar eens over deze roller”, instrueert museumwoordvoerder Frédéric Pacaut.
Ik zie een koker waarover verschillende materialen en stoffen zijn geplakt.
“Als je daarover van links naar rechts aait, voel je grof leer, dik fluweel, hennep en ruw metaal. Aldus ervaar je met je hand de mondbeleving van een rode Les Voconces Cairanne AOC Côtes du Rhône Villages van Camille Cayran.”
Jaja, knikken we, en we ondergaan nog wat hand- en mondervaringen, maar het verband tussen metaal en wijn ontgaat me. Dat leidt enkel tot roest, wijnmijmer ik.
Frédéric woordvoert dat de bouw van de multi-zintuigelijke wijnervaring 1 miljoen euro kostte. Betaald door locale investeerders en sinds de opening al bezocht door tien duizend bezoekers.
“Van een t-shirt tot kurkentrekker, ze kochten allemaal iets. En wellicht dat die Amerikaan uit Minnesota na het proeven voortaan sneller in zijn wijnwinkel naar een Cairanne zoekt”, hoopvolt Frédéric.
We gaan ook proeven.
Ik ben vooral nieuwsgierig naar het leer, fluweel, hennep en metaal van de rode Les Voconces.
Dat blijft evenwel verscholen onder kurk.
Wel krijgen we andere flessen in onze mond.
Maar die zullen mij thuis allesbehalve rap naar de wijnwinkel doen snellen.
“Zuurtjeswater”, zeg ik nadat ik een plasje rood heb uitgespuugd.
“Te weinig extractie; te weinig diepgang, materie en inhoud”, verklaart de wijnjournalist.
“Yech”, walg ik na een volgende reuk.
“Een typisch gevalletje van malolactische fermentatie. Appelzuur en melkzuur in je neus.”
“Dit is de smerigste”, proest ik, na weer een mislukte slok. “Volgens mij is dit een koker vol plastic en metaal."
“CO2. Weer een minpuntje van de wijnmaker”
“Kunnen we zo gaan?”, voorzichtig ik.
De wijnjournalist staat al buiten.
De dagbladredactrice schrikt op uit haar aantekeningen en knikt dat ze er ook zo aan komt.
Ik heb zin in koffie met veel schuim.
Of een andere combinatie van eendendons, babyhuid en katoen.
We gaan naar Rasteau, tien minuten rijden verderop.
Daar wacht ons de wijnwereld van Domaine Gourt de Mautens. Een kleinschalig wijnhuis van Jerôme Bressy.
Jerôme gaat ons zelf rondleiden, maar hij is er nog niet, zegt een collega met een mal hoedje.
Dus stuurt het malle hoedje ons de wijnkelder in.
Daar ruikt het lekker, en krijgen we een glas.
Dan ook ineens verrijst Jerôme tussen de rijen wijnvaten, met in zijn handen enkele flessen.
Hij zegt bonjour, ontkurkt een fles uit 2004 en schenkt die zwijgend in.
Ook wij worden stil.
Bessen, pruimen, chocolade en andere fijne smaakdingen, ruiken we.
Niet te vergelijken met dat spuugwater uit Cairanne.
Als Jerôme onze blije gezichten ziet, begint hij op uitdrukkelijk verzoek van Michèle wat Frans te brabbelen over zijn biologische productiewijze, handgeplukte druiven in kistjes en 15 wijnhectare met driekwart wijnstokken van 50 tot 100 jaar, goed voor jaarlijks 20 tot 25 duizend liter rood.
“In mijn wijn vind je elk jaar de vrucht van het terroir, de combinatie van grond, klimaat en druiven. En die vrucht smaakt elk jaar een beetje anders.”
We nemen nog maar een slokje terroirvrucht, spugen dat opnieuw niet uit en horen een plop uit een fles van een jaartje later.
Een half uurtje later staan we blij buiten.
De Mistral blaast onze rode wangen koel.
Tijd voor de lunch.
Pas in de auto valt mij de aanwezigheid van Sabrina op.
Het dolfijntje ligt rustig op zijn plaats.
De wijn van Jerôme kan al je zinnen bevredigen.
Tijd voor ontspanning.
We worden losgelaten op een Provençaalse markt in Vaison-la-Romaine.
In dat toeristendorpje hebben we ook een lunchafspraak met een wijnboer.
De markt voldoet aan alle clichés: oude mannetjes met grijze snorren en baret die worstjes en geitenkaas verkopen; tafels vol gevlochten knoflooklinten en plastic bakken olijven; een Renault die fungeert als rijdende rotisserie; en Afrikanen met lakens vol namaak dvd’s.
Het stemt gelukkig.
De Provençe verandert nooit.
We steken een oude brug over en lopen naar het lunchadres.
Dat heet heel spannend Bistro d’O.
Sabrina doet een vestje uit en ook de airco van d’O vergrijpt zich onmiddellijk aan haar t-shirt.
Ik krijg evenzo direct kippenvel.
De wijnboer komt een half uur te laat opdagen.
Hij heeft een koelbox met wijnflessen bij zich. Met een folder over zijn domein.
Verder kom ik niet veel over hem te weten.
Hij vindt het geflipper van het gouden dolfijntje boven het t-shirt met de diepe hals van Sabrina veel interessanter.
Sabrina geniet en lijkt alles om haar heen te vergeten, en lepelt ook onze borden met toetjesrestanten leeg.
We vragen om een extra kannetje water.
De wijnboer wisselt met Sabrina gegevens uit en kuiert met enkele halfvolle en halflege flessen naar zijn auto.
Dan ineens ook begint Sabrina te snellen.
Vite, vite, vite. We moeten opschieten. Anders komen we te laat op onze vervolgafspraak. Onze auto staat aan de andere kant van het stadje, dus nogmaals, vite vite vite.
Zij trekt er gezichten met nare rimpelingen bij, gesidekickt door een Frans dat bestaat uit enkel boze uithalen.
Michèle probeert haar een weinig te kalmeren, maar krijgt direct een verbale linkse.
Wij horen dat wij niet meewerken, niet opschieten en niet zijn als die Finse en Amerikaanse journalisten die zij een week eerder door de Provençe joeg.
‘Wij’ kijken elkaar verbouwereerd aan.
Wat is hier ineens aan de hand?
De wijnjournalist en ik gaan in de remstand.
Ook bij de dagbladredactrice zien we een lichte vertwijfeling.
Sabrina bliksemt nog steeds, Michèle probeert het locale lagedrukgebied met haar zonnige blik te doorbreken.
“Tjezus, wat is dit voor gedoe”, pruttelt de wijnjournalist met vuurrood onthutste ogen, “we zijn verdomme in Frankrijk. Alsof hier niemand te laat op een afspraak komt. Die wijnboer zonet was nota bene zelf ruim een half uur over tijd.”
“Zij is nog jong en onervaren”, cliché ik. “Misschien is zij bang dat iemand boos haar baas belt als we vijf minuten ergens te laat komen.”
“Sodemieter toch op, we zijn in Frankrijk”, herhaalt de wijnjournalist, terwijl Sabrina met Michèle uit ons zicht verdwijnt.
Misschien moesten we toch maar eens gaan Vierdaagsen.
Op de parkeerplaats staat Michèle ongeduldig naar ons te zwaaien.
Sabrina zit al achter het stuur.
“Sorry jongens, ik weet echt niet wat er met haar aan de hand is”, fluistert Michèle.
Wij halen onze schouders op, stappen in en vragen Sabrina waarom ze nog zo lang wacht. TomTom aan en rijden maar.
Sabrina krijgt nog meer irritatierimpels als het haar omringende verkeer niet haar tempo wenst aan te nemen.
Bevrijd uit de drukte, iets buiten het dorpje, zet zij de Mégane in TGV-snelheid.
“Ze kan dus wel autorijden zonder te zwalken”, grapt de wijnjournalist.
Ook Michèle voorin krijgt weer een glimlach.
Maar de stemming is definitief omgeslagen.
We hebben nog een middag en drie volle dagen te gaan.
Volgende keer meer

Vijf dagen trekken we van het ene wijnhuis naar het andere. Met tussenstops om te lunchen en te slapen. Onder leiding van een even mooi als rondborstig meisje dat zich allengs ontpopt tot een stressrijk serpent. “Ik wil dat jullie nu komen, vite vite vite.” Flipperen met Sabrina.
Altijd fijn, een wijnreis.
Naar de Côte du Rhône, op uitnodiging van Sopexa, het promotiebureau van Franse landbouwproducten en levensmiddelen.
Onze gastvrouw heet Michèle. Geboren in Frankrijk, maar gevallen voor een kaaskop.
Zij draagt een rode jurk, rood jasje en witte bloes, en die kleurencombinatie heeft zij van haar oorbellen tot haar schoenen bewonderingswaardig doorgevoerd.
De andere vrouw uit het gezelschap is minder gericht op finesse en detail, en draagt makkelijke vliegtuigkleding. Slobbertrui en slobberbroek.
Zij is dagbladredactrice van een grote krant.
“Het is in Zuid-Frankrijk 28 graden”, probeer ik.
Zij haalt haar schouders op en zegt dat ze nog even wil tax-freeën, dus of ze misschien vooruit door de douane kan.
De andere journalist is een onafhankelijk wijnschrijver met rubrieken in diverse horecabladen.
Zijn impossante neus herbergt veel reukkennis, en lijkt ineens een geurtje uit de hal te plukken.
Ik realiseer me ineens dat ik ben vergeten mijn oksels te deorollen.
In de Cityhopper blader ik door een persmap.
De Côte du Rhône is 200 kilometer lang en loopt van Saint-Cyr sur le Rhône, zeg maar vlak onder Lyon, tot diep in het zuiden rond Uzes en Avignon. Bij elkaar 80 duizend hectare wijnranken en 3,3 miljoen hectoliter, en dat klinkt veel en groot.
Het is een ietwat schizofreen wijngebied, met twee helften waar ze elk totaal verschillende wijnen maken. In het noordelijke deel domineren twee druivensoorten: de syrah en viognier. Ze zorgden voor de bekendste wijnen ter wereld: Hermitage, Condrieu, Cornas en nog wat van die namen.
Uit de zuidelijke Côte du Rhône komen beduidend meer wijnliters, ook voornamelijk rood maar dan gebrouwen uit soms zeven druivenrassen.
Veel meuk, herinner ik me uit mijn studententijd; Rhône-rood was lekker voor weinig. Jarenlang heb ik ook gekampeerd op een boerencamping die op Jeu de boulebal-afstand lag van voorname Rhône-wijndorpjes die in de Côte du Rhône heel voornaam Villages heten.
16 heb je daarvan.
Bij hun grote broers uit het wijngebied volstaat enkel een plaatsnaam op het etiket. Vacqueyras, Gigondas en Châteauneuf-du-Pape, en vooral die laatste kent iedereen.
“Bekend in de Rhône”, vraagt de wijnjournalist die naast mij in het vliegtuig zit.
Ik vertel over de boerencamping. “Vlakbij Vinsobres, Visan en Valréas, de plaatselijke VVV”, grap ik.
De wijnjournalist kijkt serieus terug.
“Dat is de zuidelijk Rhône. Ik ben vooral geïnteresseerd in de cru’s van het noordelijke deel. Ken je die wijnen?”
“Heb ik nog nooit geproefd. Te duur voor mijn portemonnaie ook. Maar mijn mond en keel willen graag met die streek kennis maken.”
De wijnjournalist kijkt me minzaam aan en bladert weer door zijn wijnboek
Ik begrijp dat onze conversatie is beëindigd.
We gaan over enkele ogenblikken landen.
We wachten een half uur voor het vliegveld van Marseille.
29 graden is het in de schaduw.
Op Schiphol stond het kwik vijftien streepjes lager.
We trekken alsmaar meer kleding uit.
Ook de dagbladredactrice heeft haar slobbertrui tussen haar taxfree-aankopen gepropt.
Michèle belt onrustig met de vertegenwoordigster van Inter-Rhône die ons komt oppikken en begeleid.
Zij kan terminal drie niet vinden, begrijpen we.
Haar TomTom laat haar in de steek.
Nog drie keer bellen en dan zien we uit een Renault Mégane een jong vrouw stappen met een lange witte jurk en een bloot blauw hemdje.
Sabrina, heet zij.
Zij heeft doordringend bruine ogen, donker krullend haar, en een voloptueuze mond.
In haar rechterneusvleugel flonkert een diamantje, om haar nek hangt een gouden dolfijntje dat tussen haar borsten heen en weer springt.
“Het fruit springt eruit”, grapt de wijnjournalist.
"Boys, boys, boys", neurie ik.
Dan legt Sabrina onze koffers in de auto en geeft ons een flesje Evian terug.
“Sorry allemaal, maar mijn TomTom doet raar”, zegt Sabrina.
Maakt niet uit, slijmen we, terwijl het bronwater woest opwellende gedachtes wegspoelt.
De dagbladredactrice is al gaan zitten in de Megane en heeft zich verstopt in een editie van de Franse Marie-Claire.
Dan rijden we richting de snelweg, althans dat denken we.
Sabrina negeert afslagen die richting Lyon wijzen, rijdt twee keer twee rondjes over twee rotondes, draait weer terug langs dezelfde rotondes en maakt dan, aha Lyon, een onverwachte manoeuvre waardoor we van achteren bijna worden geschept door een luid claxonerende truck.
We slikken onze keel weer droog.
Dat blijven we doen, als Sabrina midden op de Autoroute zomaar van de vijf naar de drie en zelfs de twee schakelt, en de Mégane in onveste tred naar Lyon zwabbert.
“De Mistral”, zegt zij. “Die waait hier hard hoor. En trouwens, welke afslag moeten we nemen.”
We zijn bereid alle gevaren voor haar te trotseren.
We lunchen in een fraai kasteel waar ze Louis Bernard-wijn maken voor onder meer Gall & Gall. Een Marokkaans meisje serveert salade, lamsvlees en taart toe, de Nederlandse exportmanager schenkt glaasjes rood en wit, en de wijnjournalist en ik turen van ons glas naar de decolleté van Sabrina. waar ook het dolfijntje maar amper rust kan vinden.
“Mooi”, zeg ik.
“Wat een diepte”, zegt de wijnjournalist.
Daarna wacht een rit naar Vacqueyras.
Sabrina zwenkt en zwaait over provinciale wegen, en praat er lustig met haar handen bij.
Drie kwartier later staan we te duizelen in Domaine de Montvac.
In dat wijnhuis staan al vier generaties vrouwen in de kelder.
Hun mannen waken over de druiven op het land. En dat geeft andere wijn met meer aroma’s, structuur en complexiteit, zegt wijnmaakster Cécile Dussere van het Domaine.
“Het is wijn zoals een vrouw zelf.”
Dat proef je vooral aan de witte.
“Mooi”, zegt de wijnjournalist.
“Lekker”, zeg ik.
“Hmmm”, borrelt de dagbladredactrice die voor het eerst wat zegt, in Frankrijk.
Ons bed staat in een chambre d’hôtes nabij het wijndorpje Cairanne.
’s Avonds gaan we eten in het Michelin-restaurant Le Grand Pré in Roaix.
Michèle verschijnt in zwart-wit en heeft die kleurcombinatie opnieuw tot in alle details op en rond haar lichaam doorgevoerd.
Sabrina draagt een witte linnen open blouse, strapless zwart topje en vacuüm-strakke zwarte broek.
“Zij heeft een bruggetje”, zegt de wijnjournalist.
Dan komt ook de dagbladredactrice naar buiten.
Zij heeft haar slobberkleding aangehouden.
Raoul Reichrath heet de kok van Le Grande Pré, en hij komt oorspronkelijk uit Sittard, maar een vrolijk Sittards volksdeuntje kan bij hem geen glimlach ontlokken, en dat kunnen zijn gerechten bij ons niet. Hij heeft gekookt over de hele wereld en wil te graag gek doen met smaken van verschillende continenten.
Wellicht spannend in het culinair xenofobe Frankrijk, maar achterhaald daar buiten.
Het enige dat imponeert zijn de desserts. De dames krijgen van alles met je met chocolade kunt doen, de heren verkiezen geroosterde vijgen met grof zeezout en citroenthijm, fantastisch. Een rode grenache van Domaine des Escaravailles uit Rasteau smaakt er fantastisch bij.
De zwoele avond vraagt om een terras met een biertje.
Sabrina trekt aan de puntjes van haar haar, en zegt dat ze liever vroeg naar bed gaat.
Ik besluit de avond met een cognac op een verlaten terras in Cairanne.
's Avonds droom ik over Flipper die springt over glooiiende heuvelhellingen vol wijn en fonkelende diamantjes.
Volgende week meer
“Ik wilde niet eens meedoen. Omdat ik zondag graag naar Ajax ga. Het was ook de eerste keer dat ik me inschreef, en dan direct winnen. Ongelooflijk.” Slagerij Peter aan de Van Woustraat in Amsterdam was de grote winnaar van de Amsterdamse Ossenworst-verkiezing. Hij behaalde maar liefst de eerste en een derde plaats, omdat hij twee soorten had ingeleverd. Een magere en een vette. En dat is opmerkelijk, want ossenworst hoort eigenlijk van vet smaakvol vlees gedraaid te zijn. Slagerij Peter zal over twee jaar zeker zijn titel willen verdedigen. Want ja, met dat Ajax, dat is tegenwoordig geen voetbal meer, maar een lach-of-ik-schiet show. En als je zelf aan een wedstrijd meedoet, win je tenminste nog eens wat.


foto: Cor Hospes
Twee jaar geleden won hij de wedstrijd. Tijdens de eerste verkiezing in 2003 gooide hij ook al hoge ogen. Dus wint slager Herman de Wit zondag 7 oktober waarschijnlijk gewoon de derde verkiezing van de lekkerste ossenworst van Amsterdam. Tussen kosjer voorvlees en goede vleesgrepen: een voorafje.
Een dik condoom van 25 centimeter.
Mollig gevuld met een pondje gerookt rundvlees.
Zeg nou zelf, zegt slager Herman de Wit, gerookte ossenworst ziet er niet uit.
Vrouwen moeten dan ook niks van ossenworst hebben.
Niet uit penisnijd of cosmetische overwegingen noch uit rauw vlees-angst.
"Ossenworst is mannenvoer", zegt Herman. "Vanwege de pittige en gerookte smaak past het prima bij bier, een herfstbock het liefst. Plakjes doen het ook goed bij cognac of gerookte whisky. Typische mannendranken."
Whisky, herfstbock: ossenworst klinkt als een echte najaarsnack.
Nee dus.
“Wanneer 's zomers een hete zon je kop helemaal flauw schijnt, heb je als geen ander trek in iets pittigs.”
Geen gewone ossenworst, nee, die is voor watjes, zegt Herman.
Hij heeft het over gerookte ossenworst.
Die heeft veel meer body. En die kracht kunnen watjes niet aan.
Herman de Wit (57) is slager in de Amsterdamse Watergraafsmeer aan de Wakkerstraat. Die straat was ooit bestrooid met winkels: een poelier, melkboer, bakker, schilder, gordijnstoffenmijnheer, kostuummaker en slager.
Alleen de slager overleefde, op nummer 13. En daar zit Herman al 33 jaar.
Het had trouwens niet veel gescheeld of hij was nooit slager geworden.
Zijn vader had een melkveehouderij in de Beemster.
Herman was na de U.L.O. wel zo’n beetje klaar met school. Maar net zoals zijn andere broers en zussen wilde hij de boerderij van zijn vader niet overnemen.
Hij kon bij een oom aan de slag. Die had een slagerij in Soesterberg en had een knecht nodig.
“Ik kwam binnen en mocht pens krabben, gatver, wat een vreselijk smerig werk. Ik dacht: als ik dit drie weken moet doen, ben ik weg.”
Gelukkig bleek de pens snel op en werd Herman slager.
Niet gek trouwens: hij stamt uit een familie vol slagers.
Zijn moeder had zeven broers waarvan zes slager.
De broer van zijn vader is ook slager.
De zus van zijn vrouw?
Getrouwd met een slager.
Herman is een van de betere slagers van Amsterdam, en vooral vermaard vanwege zijn ossenworst. Een typische joods Amsterdamse vinding is dat, want in andere steden met een joodse gemeenschap vind je zo’n worst niet.
Officieel werd ossenworst gemaakt van vlees van gecastreerde runderen, een os dus. Om precies te zijn: het voorvlees van dat beest, want al het vlees verderop in runderlichamen is te veel doorbloed en daarmee niet erg kosjer.
Waarom die koe ook nog eens gecastreerd moest zijn?
Herman weet het niet.
Zoals hij evenzo de exacte herkomst niet kent van het recept dat hij voor zijn ossenworst gebruikt.
Hij heeft dat gekregen van een oom, die natuurlijk ook slager is.
Rijper heet die.
Niet echt een joodse naam.
Waar het recept ook precies vandaan komt, het is prijswinnend.
Twee jaar geleden won Herman de tweede tweejaarlijkse ossenworstproeverij.
Tijdens de eerste editie in 2003 werd hij vierde.
“Er was toen een klantenjury. De winnaar had de meeste klanten meegenomen.” Lachend: “De publieksjury die daarna kwam, had meer smaak.”
Dikke kans dat hij de proeverij aanstaande zondag weer wint.
Herman heeft immers niks veranderd aan de manier waarop hij ossenworst maakt. Tenzij die andere slagers beter slageren. En er doen dit jaar nog meer aan de wedstrijd mee.
Ossenworst staat dan ook enorm in de belangstelling sinds die is omarmd door Slow Food. Een organisatie die zich inzet voor locale gerechten en eettradities, en gelooft in eten met een goede smaak die wortelt in de gastronomische traditie. En daar hoorde Amsterdamse ossenworst bij thuis.
Herman: “Sinds Slow Food is de verkoop met 500 procent gestegen.”
Zijn ossenworstgeheim zit in het kruidenbuiltje van foelie, zout, peper en nootmuskaat dat hij aan het grof gemalen vlees toevoegt. In welke verhouding, nee, die toverspreuk geeft hij niet prijs.
Wel verklapt hij dat hij het gemalen en gekruide vlees in een darm van kunststof doet.
"Puur natuur of van kunststof, het kan allebei, zolang die darm maar rookdoorlaatbaar is. Een echte darm is bacteriologisch goed, kunststof geeft een meer constante kwaliteit.”
Vanwege zijn streven naar constante kwaliteit koos hij voor kunststof, een darm van houtvezel.
Zijn houtvezelworsten hangt hij boven een rokend laagje van 15 centimeter eiken- en beukenkrullen. Beetje aandrukken dat laagje en wat water erbij.
Hoe droger de buitenlucht, hoe scheutiger de geutjes. En dan roken maar.
Sommige slagers hangen hun worsten twee maanden in de rook.
Herman houdt het op zes tot zeven weken, afhankelijk van de luchtvochtigheid. En ja, dan die smaak.
“Je proef het zuivere product. Heel wat anders dan die worsten uit Griekenland, Italië, Frankrijk en Spanje. Die lijken allemaal op elkaar en ze sterven van de knoflook of peper om de kwaliteit van het vlees te maskeren. Denk ik.”
Zijn vlees is juist zijn trots.
Fris en direct versnijdbaar, en goed doorkoeld.
Hij haalt het uit Montfort, onder Utrecht. Van een diervriendelijke scharrelboer die zijn beesten constant voert. En dat proef je in het vlees terug.
Vlees van MRIJ-runderen is het. Belgische Blauwen, en Piemontese of Brandrode runderen zijn ook goed, maar liever Maas-Rijn-IJssel.
“Je kunt voor ossenworst ook vlees van Japanse Waaikoekoe-koeien gebruiken, maar die meerwaarde haal je er echt niet uit. Het vlees dat ik gebruik heeft al een goede kwaliteit.”
Die kwaliteit herkent hij in een wei al van verre.
“Een koe moet vleesmanieren hebben en die kan ik van afstand zien.”
Toch: "Als ik een vleeskoe wil kopen, grijp ik die eerst in zijn sodemieter.”
Niet om te controleren of hij misschien met een travoko van doen heeft, nee, in de liesstreek van een rund zit een vleesgreep en een vetgreep. Wanneer je een rund naar zijn ballen grijpt, weet je dus meteen wat voor vlees je aan de haak hebt.
Iedereen mag dat komen proeven zondag.
Houd dit daarbij in de gaten: slechte ossenworst herken je al aan de buitenkant.
Wanneer die oogt als een afgetrapte schoen of beduimelde regenjas laat die dan maar liggen. Ossenworst moet boxfresh ogen. Ook mag erin niet te veel vet zitten. En als de worst zuur smaakt, ahum, dat is melkzuurbacterie en dat zou op bederf kunnen duiden.
Zijn worsten haal je er zo uit, zegt Herman.
Maar dat verschil kan alleen hij ervaren.
Herman mag tijdens de wedstrijd dan ook geen proefformulier invullen.
Bovendien: dat proeven laat hij liever aan anderen over.
Mensen weten zelf wel wat lekkerder is.
[kader]
20 slagers doen zondag 7 oktober mee aan de Osseworstproeverij, georganiseerd door Slow Food. In het Amsterdamse Hilton Hotel. Start: 13.00 uur. Iedereen mag komen proeven. Er worden lezingen gegeven, je kunt ossenworst kopen en ter begeleideing is er bier, jenever en tafelzuur. Info: www.slowfood.nl

Het kan een keer per jaar. Op 1 oktober. Waarschijnlijk krijg je een tuuttuuttoon. Maar wie heeft er niet een paar uurtjes bellen voor over. Voor een tafeltje bij el Bulli. Op de enige dag per jaar dat daar de telefoon voor reserveren open staat.
“Hij is mooi hè”, zegt de dagbladredactrice.
“Zeker”, knikt de wijnjournalist, terwijl hij zich nog eens in het glas met Côte Rôtie La Mouline Premier Cru verdiept. “In zijn neus heeft hij overrijpe en gedroogde pruimen, zwarte bessen, bramen, licht gebrand hout en romigheid. De eerste aanzet in de mond is..."
“Uuuh sorry," onderbreekt de dagbladredactrice, "ik bedoel niet de rode wijn, maar hem, Philippe, de maker.”

foto: Cor Hospes
Vier dagen Côte du Rhône.
Met een wijnjournalist, een dagbladredactrice en begeleiders.
Een Megane rijdt ons van wijnhuis naar wijnhuis, van wijnhuis naar restaurant, van restaurant naar weer een ander wijnhuis, en naar opnieuw een restaurant.
Aan tafel en in kelders ontmoeten we wijnmakers, en proeven we wijn.
Veel wijn, en tussendoor slapen we.
De laatste dag wacht het hoogtepunt: het wijnhuis E. Guigal van Château d’Ampuis in Ampuis, de geboortestad van de Côte Rôtie.
Al dagen spreekt de wijnjournalist over Guigal, en dan met name over hun Brune et Blonde en La Mouline. Die twee wil hij zeker proeven: “Voor minder ben ik dit hele klere eind niet gereisd.”
In de hal van Guigal wachten we op Philippe Guigal, zoon van de wijnmaker die ook weer een zoon van een wijnmaker is. Aldus vader-op-zonend wist het huis binnen drie generaties uit te groeien tot een van de meest prestigieuze uit de Rhône-vallei.
Ah, daar hebben we Philippe.
Een knappe man. Eind twintig, begin dertig.
De dagbladredactrice krijgt bijkans een kleurtje als zij hem ziet.
Haar bonjour klinkt als bzjoer.
Philippe schudt handen en bonjourt keurig terug.
Even later leidt hij ons door de kelders.
Een ervan is 350 jaar jong en daarmee de alleroudste van de Rhône-streek.
Hij ruikt naar beschimmelde regenjassen.
Komt door de fungiteelt aan het plafond, verduidelijkt Philippe.
De cladosporium cellarae.
Door die cladosporium is de kelder de favoriet van het huis: “Hij is technisch perfect. Dankzij de luchtvochtigheid van 95 procent en de temperatuur. Twaalf graden in de winter, eentje hoger in de zomer.”
De dagbladjournaliste vindt het allemaal prachtig. Zij luistert, knikt en lacht, en laat er nog net geen hoeraatjes bij.
Dan gaan we via een tunnel onder de drukke Route National door.
Daar aan de overkant wachten nog meer kelders. Cladosporium cellarae-vrij en aardbevingproof vanwege het vracht- en treinverkeer dat langs de vaten voorbij dendert.
“Wat is het een mooie man”, verzucht de dagbladredactrice als Philippe zich met een keldermedewerker onderhoudt, “en heel charmant ook.”
Het wijnhuis doet haar broeierig ontwaken.
Tijdens de voorgaande bezoeken had zij weinig gesproken.
Zij proefde en walste in valse stilte, luisterend naar onze gesprekken. En die woorden schreef zij keurig over.
Van zulke wijnschrijvers zie je steeds meer meisjes.
Een Chardonnay en een Cabernet kunnen ze vaak amper onderscheiden, en ze flemen met knappe Fransozen die mooie wijnen maken.
Wij verbazen ons intussen over het wijnhuis waar traditie en moderne fratsen hand in hand gaan.
Guigal heeft een eigen tonnellerie, maar evenzo robots die flessen vullen en verpakken.
Beer, heet een wijnbottelmachine.
Perrier, heet een ander.
En dat vindt de wijnjournalist grappig.
Dan wacht de proeverij.
Philippe zet bijna alle topstukken van Guigal op tafel. Waaronder een Côte Rôtie Brune et Blonde 2004 en La Mouline 2001, die de wijnjournalist doet ontsteken in gebrabbel over fluweel en romig, zuurtjes en zwart fruit, orgasmes van aardse aroma's, koffie, mokka en fruit met een heel verleidelijk zwart pepertje achterin.
"Wat een spanning, wat een fraaie structuur met veel materie en diepe extractie. Briljante houtintegratie ook.”
En zo staan we ieder op onze eigen manier te walsen, te proeven en te spugen, en af en toe slikken we een slokje door. Want hoe vaak zullen je mond en keel hierna nog de kans krijgen om de verrukkingen van een Condrieu La Doriane 2006, St. Jospeph Vignes de l’Hospice 2005 of Côte Rôtie La Turque 2000 te savoureren.
De peperdure flessen bezorgen de dagbladredactrice alsmaar rodere wangen en maken alsmaar gekkere TMF-vragen in haar los.
“Heb je broers?”, vraagt ze aan Philippe.
“Nee, die heb ik allemaal afgemaakt”, antwoordt hij. “No shares!”
De dagbladredactrice begint bakvissig te giechelen.
“Nee serieus", zegt Philippe. "Ik ben enig kind zoals mijn vader enig kind was. Small years geven de beste opbrengsten.”
Nog meer gebakvis.
“En jij”, probeert zij, “wil jij...”.
En dan grijpen we in.
“Philippe, welke wijn ga je schenken tijdens de bruiloft over enkele weken?”, vraag ik. “Toen ik gisteravond met mijn collega in Ampuis nog een afzakkertje nam, vertelde een mevrouw dat je ging trouwen.”
Het gezicht van de dagbladredactrice schiet onmiddellijk in de bleek.
De wijnjournalist doet er nog een schepje bovenop: “Worden het voor jou ook small years of heb je liever een kelder vol kinderen.”
De dagbladredactrice hoest een paar keer en excuseert zich.
Zij moet ineens naar het toilet.
Wij vragen om nog een shot Côte Rôtie La Mouline.
Dat heeft hij, van een oudere jaargang.
Tijdens de lunch drinkt de dagbladredactrice in somberte. Trek in eten heeft zij niet.
De weg naar het vliegveld staart zij kilometers aaneen uit het raam.
Dan gaat de telefoon.
Het is Philippe.
Voor de dagbladredactrice.
Blozend in verbouwereerdheid pakt zij het mobieltje aan, zegt yes en oui, en oh en I’m sorry, yes en yes en merci, en geeft de telefoon weer terug.
"Ik was mijn gsm en aantekeningenboekje op het toilet vergeten", schaapt zij. “Philippe stuurt die op met een fles La Praline of zoiets.”
De wijnjournalist veert op. Een La Mouline?
“Het is een mooie man”, zeg ik. “Een charmante man ook.”
“Ja”, verzucht de dagbladredactrice, “een mooie man, een hele mooie man.”
“Wat een materie", mijmert de wijnjournalist.
"Mijn god, wat een spanning.”
[kader]
Enkele wijnen uit ‘de onderkant’ van het assortiment van E. Guigal zijn onder meer te krijgen bij Gall&Gall. Probeer de Côte du Rhône. Een blend van de allerbeste druiven uit de villages Liriac, Vacqueyras en Gigondas. Zeer appetijtelijk. Prijs: 10,49.

Eerder schreef ik hoe je in Italië snel een goed restaurant kunt vinden. Fijne smikkelparadijsjes tref je ook in de gids Osterie d’Italia. Met 1700 eetadressen aanbevolen door Slow Food. Scheelt flink wat zoeken door achterafsteegjes en langs provinciale slingerweggetjes. En dat geeft meer tijd voor natafelen.
Hij kijkt ons aftastend aan.
Want waar kent hij ons toch van.
Dus knikken wij maar alvast naar hem, en zeggen we dat we in zijn osteria in Pelagio de everzwijnworstje met kaaskoekjes, ravioli met ricotta en zest, en de huisspecialiteit van zijn Osteria della Sciòa, penne met sla, speck en pepers, erg lekker vonden.
Dan gaat er een lichtje bij hem branden, en krult hij zijn snor naar Mrs. Global.
Zijn vrouw schudt voor mij nog eens haar namaakblonde haren in model, terwijl wij nog even wachten voordat de deur -reserveren kan er niet- van Osteria del Cibreo in Florence opengaat.
Want ja, hoe is het toch mogelijk. Dat je in de rij staat voor een restaurant in Florence met de eigenaar van een eethuis uit Pelago, toch een aardig paar kilometers een andere kant op, waar je een dag eerder hebt gegeten.
We zien het de restaurateur denken: 'Jullie kennen je adresjes wel'.
Dus knikt hij nog een keer goedkeurend onze kant op, voordat hij de wijnkaart bestudeert en zijn vrouw haar kapsle nog een keer modelleert.
We hadden Cibreo gevonden in Osteria d'Italia. Een restaurantgids met 1700 goedgekeurde adressen van Slow Food. Daarin werd de osteria beschreven als een instituut. Met op blikwerpafstand een gelijknamig koffiehuis en restaurant.
Meer hoef je Mr. en Mrs. Global niet te prikkelen.
Cibreo was voor ons ook de enige reden naar Florence te gaan.
Wat moet je anders in die toeristenstad.
Al die rijen monumenten en renaissancistische gebouwen die je Stendhal-kriebels schijnen te bezorgen, we hadden ze allemaal al eens tijdens onze backpacker-studentenvakanties gezien en erbij onze schouders opgehaald.
Florence, nee, laat maar.
Een groot openbaar museum. Met groepen Japanners, Spanjaarden, Amerikanen en Russen die blind geoordopt achter hun camera en een vlaggetje aanlopen; niet vreemd dat alsmaar meer Florentijnen de omringende heuvels invluchten.
Verstoppen voor die groeiende museumhorden kun je je in de straatjes van één van de laatste authentieke buurten van de stad, rond de Sant’ Ambrogio-markt.
Ook een aanrader: Oltrarno, aan de overkant van de Ponte Vecchio.
Daar, rechts van de brug, waan je je in een Florentijnse versie van de Jordaan.
Maar dan moesten we eerst die ellendige brug over en dat lukte ons niet.
We liepen hopeloos vast op het kruispunt Uffizi en Ponte Vecchio, en bleven daarom cirkelen rond de Sant' Ambrogio en dat voelde prima.
Eerst een broodje pens bij een mobiele triperia, fruit snoepen op de markt en dan een glaasje wijn plus crostini’s met artisjokkenpuree of lever bij Al Antico Vinaio, en dan is het Cibreo-tijd.
Aan pasta’s doet het eethuis niet.
Wel aan typisch Toscaanse gerechten als broodsoep en Pappa al Pomodoro.
Mrs. Global bevredigt zichzelf met een goddelijke champignonsoep, gevolgd door Baccalà Mantecato, stokvispuree. Ik stort me op een grootse carpaccio van tonijn en de beroemde gevulde hoenderhals met thuisgeklutste mayonaise.
Allemaal goed, allemaal fijn, en het is omdat Joeki Global verbaal eten in het bord gooit, want anders hadden we zeker de kaastaart met sinasappelconfiture geprobeerd.
In plaats daarvan rijden we de kinderwagen naar buiten en wordt het een tiramisu-ijsje verderop.
Vindt Joeki ook lekker, vooral het hoorntje.
De gids leidde ons naar meer smaakvolle plekken. Waaronder Osteria Da Paolino in Manciano in de Maremma, een deel van Toscane dat nog niet is uitgekocht door Britten en rijke Milanezen.
Wat een aardige mensen daar ook.
Het hele personeel van Da Paolino stond nieuwgierig om de hoek te kijken hoe Joeki -daar wel- tevreden smikkelend vanaf mijn schoot genoot van trofie met courgette en worstjes, en Mrs. Global bijkans een vinger op at bij de Tortelli Maremmani.
In de kelder lagen 90 regionale wijnen tegen fijne prijzen, en daarom besloten we nog een keertje terug te komen. Tot groot plezier van alle meisjes van het personeel dat Joeki alle plekjes van Da Paolino toonde.
Enkele dagen later hoorde ik in Manciano 'Joeki, Joeki' galmen over straat.
Op een balcon schuin boven de Coop zwaaide een rondborstige Italiaanse in wie ik onmiddellijk Maria van Da Paolino herkende.
Even later zat ik bij haar boven binnen.
Haar huisgenote ontfermde zich over Joeki, terwijl Maria zenuwachtig aan de gordijnen trok.
De osteria-gids gaat dan ook zeker weer een volgende keer naar Italië mee.
Al was het enkel om diepere contacten met locale serveersters te waarborgen.

foto: Rob van der Vet
Ze hebben tatoeages, bloemkooloren, blauwe ogen en scheuren in hun lellen. In Penclawdd in Wales wonen ruige mannen die pas tot bedaren komen in een scrum of naast het spit.
Klootzakken, vind hij ons.
Telefonisch heeft Mark Swiston al een paar keer gezegd dat het hem aan tijd ontbreekt om ons te ontvangen, voor een reportage over Penclawdd Shellfish Processing waarvan hij eigenaar is.
Hij moet naar een bruiloft van zijn neef en is enkele dagen op pad voor belangrijke afspraken. Dus sorry jongens, een andere keer.
Maar die andere keer bestaat voor ons niet.
We zijn die en die datum in Wales en echt Mark, je hebt zo’n bijzondere fabriek, immers, waar ter wereld vind je verder nog vissers die met hark en zeef in het slijk naar kokkels vissen.
Het blijft evenwel nee, vertelt zijn secretaresse en die maakt tegelijk een fijn uitglijdertje. Het ontglipt haar namelijk dat Penclawdd Shellfish Processing een Nederlandse eigenaar heeft, en na nog twee telefoontjes wil ze eindelijk wel zeggen hoe die heet.
Via Holland Shellfish in Yerseke is een afspraak met Mark snel geregeld.
Dus daar staan we op een maandagochtend. Fotograaf Rob en ik. In een keet met een 45plus-dame in een wit truitje, zwarte broek en Varilux-bril die ons voorziet van sterke thee en blikjes kokkels, en ja, Mark komt over enkele ogenblikken.
Mark komt inderdaad, nog enkele ogenblikken later.
Hij oogt als een Liverpool-hooligan na afloop van het Heizel-drama. Zijn hoofd is rood opgezwollen van de drank, zijn blik staat op beuken.
“Leuk huwelijksfeest van je neef gehad”, gezellig ik.
“Och”, rochelt Mark, “een stuk of dertig biertjes, ik heb het niet zo bijgehouden.”
Maar kom, haast hij, we moeten opschieten als we nog foto’s willen schieten. Aan de overkant van de Inlet staan een aantal medewerkers van hem al een uur naar kokkels te vissen.
Ik plof voorin naast hem in de Landrover. Pak mijn aantekeningenboekje en probeer met mijn pen zijn kortaffe Welsh te volgen en zijn alles vernietigende alcoholwalm te ontwijken.
Rob zit achterin en vraagt of Mark misschien een kauwgumpje wil.
Dat verzoek loopt goed af.
Na een half uurtje 4x4’t Mark de Landrover over de bodem van de Burry Inlet.
Bij een drietal vissers houdt hij stil, midden in het slik.
“Daar staan ze, ik zou zeggen, stap uit en stel de jongens gerust enkele vragen, en fotografeer wat je wilt.”
Mark kijkt ons afwachtend aan.
Rond zijn lippen speelt een geamuseerde grijns.
We weten waarom.
Hij draagt laarzen, de vissers dragen laarzen, iedereen in de Burry Inlet draagt laarzen, maar wij niet, en natuurlijk heeft hij die niet aan ons meegegeven.
Hij kan ons terugpakken.
Rob en ik besluiten daarom tot geen kick.
Quasi-nonchalant open ik de voordeur en stap naar buiten.
Ik hoor een slurp en sta vastgezogen in het slijk.
Mijn sneakers zijn tot over de wreef in de donkergrijze drab verdwenen.
Ik hoor dat Rob ook een slurp tegemoet springt.
Hij wijst naar mijn voeten.
“Leuke grap, die Mark heeft humor”, vindt Rob.
En dat vind ik ook, terwijl de Burry Inlet zich nog meer aan mijn Puma’s vastzuigt.
Mark draait zich naar ons om.
“Kom op jongens, de boys hier staan klaar voor jullie.”
Rob gebaart en klotst op zijn bergschoenen vooruit door de plassen.
Ik doe net alsof ik driftig aantekeningen maak, en kom echt geen kant uit.
Drie kwartier later rijden we terug naar de Penclawdd Shellfish Processing-fabriek.
Mark kijkt geïmponeerd naar mijn zwaar bemodderde schoenen en broekspijpen.
Ik bekijk geïmponeerd de tatoeages op zijn onderarmen en de letters op zijn vingers. Samen vormen die een vrouwennaam.
Mark praat intussen met iets meer komma’s en bijzinnen, en ook zijn Welsh klinkt ineens minder Welsh.
“Kan ik meer voor jullie doen?”
We vertellen dat we nog wat rond rijden voor wat sfeerplaatjes. Wellicht aan het einde van de dag een biertje, en dan gaan we naar ons hotel verderop.
“Ga voor dat biertje naar de Royal Oak, in Penclawdd”, tipt Mark. "Dat is echt de meest authentieke kroeg uit de streek.”
Rond zes uur parkeert onze auto ons naast de Royal Oak.
Binnen zitten enkel mannen. Met bloemkooloren, littekens, kapotte lippen, beten in hun oren en blauwe ogen.
Ze kijken ons verwilderd aan en grommen Welse woorden.
Eén Creamflow, besluiten we, en dan als de sodemieter wegwezen.
Rob telt vijf stoelen met drie poten en ziet een lambrisering vol butsen en geplakte scheuren.
De Royal Oak lijkt eerder een kroeg om te knokken dan te drinken.
Dan zien we Mark binnenkomen.
Hij groet de bloemkooloren en andere gekwetsten, en loopt naar ons.
De kroeg wordt daar even stil van.
"Dat zijn jongens van kokkelfamilies die ermee moesten stoppen. En teamgenoten, hè boys.”
"Ymlaen Penclawdd, Ymlaen!", yellen enkele jongens.
Mark yelt terug en heft zijn getatoeërde armen omhoog.
Ik ontwaar vuurspuwende draken en rondborstige zeemeerminnen.
Rugby is een uitlaatklep voor Penclawd. Dat doen ze er al sinds 1880. De nationale rugbykampioen komt niet voor niks uit Llandelli, aan de overkant van de Burry Inlet.
“Fuckers”, zegt Mark, “ze halen al jaren onze beste spelers weg en nu ook nog eens onze kokkels.”
Er komt een tweede Worthington voor ons op de bar en Mark vertelt over Penclawdd. Ooit was Penclawdd een bloeiende haven. Honderden boten met tin, koper, messing en kool vertrokken er naar elders. Maar met de mijnsluitingen schimmelden haven en winkels weg. Alleen kokkels voelden zich nog senang rond Penclawdd, totdat enkele jaren geleden een gevreesde algenziekte toesloeg.
“Sindsdien vind je alleen aan de zuidelijk kant van de Burry Inlet nog schelpen. Bij Penclawdd zijn ze verdwenen. Veel vissers hebben zich daarom laten omscholen, de rest werkt bijna allemaal voor mij.”
“Maar kom”, zegt hij, ineens op andere toon. “Hebben jullie al gegeten?”
Hij geeft een feestje thuis. Vanwege een stuk land naast zijn huis dat hij heeft gekocht. Tegen een vriendenprijsje, knipoogt hij eraan toe.
“Stelt niks voor hoor dat feestje. Gewoon een varken aan het spit, wat bier, dat is het. Rijd maar achter mij aan.”
Dat doen we.
Niet zonder alle bloemkooloren uitdagend goedendag te wuiven.
Dat zorgt opnieuw voor gegnuif en gegrom.
De tuin van Mark telt zo’n vijftig gasten.
In een hoek verzamelen de mannen, in een andere hoek samenklonteren breedgeheupte vrouwen. Onder hun te korte strakke truitjes zien we wit vlees met ernstige putjes.
We krijgen droge kelen.
Mark arriveert net op tijd met enkele flesjes.
“Jullie zijn goede jongens, zegt hij. “Vonden mijn jongens ook.”
“Proost.”
“Proost”, echoën we.
“Wat gaan jullie de komende dagen nog meer doen.”
“Welsh black beef”, antwoordt Rob.
“Een coracle maker”, antwoord ik.
Mark neemt een slok.
“Geen kokkels meer?”
Nee, geen kokkels meer.
We klinken flesjes.
“Ymlaen Penclawdd, Ymlean”, yel ik.
“Ymlaen Penclawdd, Ymlean”, yelt Mark, waarbij hij met zijn enorme armen iets te hard op onze ruggen slaat.
“Jullie zijn goede Dutchies, echt goede jongens”, zegt hij met een tevreden glimlach. “Kom nog eens terug, maar neem dan wel laarzen mee.”
En weg loopt hij, de geur van het gebraad tegemoet.
Aan zijn tred kunnen we zien dat hij een binnenpretje heeft.
Ze zijn de laatste vissers in het Verenigd Koninklijk die kokkels met hand en hark uit de blubber halen. Tot je enkels in de zanddrab met de pickers van Penclawdd.

foto: Rob van der Vet
Hij zwijgt en harkt.
Door de blubber van de drooggevallen Burry Inlet.
Als Elliot James tientallen kokkels heeft bloot geharkt, pakt hij zijn zeef, schept ermee door het slib, en zeeft als een goudzoeker de schelpen zandvrij.
De allerkleinsten ploffen door de mazen van de zeef terug op de blubbergrond.
"Babykokkels", zegt Elliot. "Die moet je ook laten liggen. Ze vormen ons banksaldo voor volgend jaar."
Dan houdt hij weer zijn mond. Zoals Elliot James uit het Welse Penclawdd al ruim vijftig jaar elke werkdag bij eb de Burry Inlet aanharkt, zwijgend en harkend.
79 jaar is hij.
Thuiszetten wil hij niet.
Alsjeblieft niet zeg, proest hij met zijn hoge stemmetje.
Wat moet hij de hele dag thuis, bij zijn vrouw.
Bovendien: "Wat is er op een zonnige dag mooier dan buiten te werken", zegt zijn 40-jarige zoon Peter die al even zwijgend de drabwoestijn van de Burry Inlet aanharkt. "Midden in de natuur onder een blauwe lucht. Er zijn mensen die jaloers op mij zijn."
Dat zal best, maar toch niet in de winter.
Dan is kokkelvissen echt geen pretje, in de harde koude zeewind met je handen in het bibberkoude water.
"Och, dat hoort erbij", schouderophaalt Elliot, "en die kou maakt je bewust van de wetten van de natuur. Als je al niet in God gelooft, leer je die dan wel kennen."
Kokkelvissen was jarenlang vrouwenwerk.
Vrouwen verdienden ermee een extraatje, naast het geld dat hun mannen verdienden in de mijnen. "Dat kokkelextraatje groeide uit als hoofdinkomen als mijnwerkers niet langer in de mijnen konden werken; hun longen aangekoekt met mijnstof", vertelt Mark Swiston, opperhoofd van Penclawdd Shellfish Processing.
"In de lunchpauzes stonden de vrouwen hun mannen met kokkels op te wachten. De zilte smaak zou de aanslag van mijnstof voorkomen. Onzin natuurlijk. Zodra de mijnwerkers in de buitenlucht stonden, klapten hun longen open. Na uren ondergronds stonden ze eindelijk weer buiten, en dan maakt het niet uit wat je eet. Ze hapten frisse lucht. Niettemin blijft het een leuk verhaal, dus laten we dat zo maar houden."
Mark is de vijfde generatie Swiston die in kokkels doet.
In de Burry Inlet, een monding van een Loughor-rivier. Een beschermd natuurgebied van 6700 hectare met in het noorden de plaatsen Llanelli en Burry Port, en in het zuiden Gower en Penclawdd.
De Inlet kent een getijverschil van acht meter.
Bij eb valt de inham droog in een kilometers saaie donkergrijze tot grijszwarte vlakte.
Onder dat donkere zand zitten de kokkels verstopt.
Jarenlang mocht iedereen die dat wilde ze rapen, en telde de streek zo'n 2000 mannen en vrouwen die dagelijks door het slib aan het harken waren.
Om te voorkomen dat die de Inlet van kokkels zouden leeg roven en er over een aantal jaren geen enkele schelp meer te vinden zou zijn, besloot de South Wales Sea Fisheries Committee in 1965 dat enkel nog mannen die konden bewijzen dat ze beroepsvisser waren jaarlijks een kokkelvangstvergunning kregen.
55 bleken dat er, en die doen hun werk nog altijd met de hand. Zoals kokkels al eeuwen rond Penclawdd met de hand worden gerooid, en waar dat als een van de allerlaatste plekken ter plek wereld nog steeds zo gebeurt.
Het bezorgde de kokkels uit de Burry Inlet een kwaliteitslabel.
"Met sleepnetten woel je de kokkels om door het zand, schieten ze in de stress en komt er meer zand in de schelp en dus in het kokkelvlees. Niet fijn. Bovendien plet je met een net veel babykokkels, en dat is niet echt een garantie voor een duurzame kokkeltoekomst."
Jaarlijks rapen de pickers, zoals de kokkelvissers lokaal heten, 1000 tot 5000 ton kokkels uit de Burry Inlet. Ieder maximaal driehonderd kilo per dag.
Peter: "Hoe eerder je die hebt gevangen, hoe eerder je je geld hebt verdiend en naar huis kunt, en ja, dan kun je beter maar niet te veel tegen elkaar zeggen, dat leidt enkel af."
Die ochtend zijn ze in drie uur klaar.
Hun gezichten, shirts en armen zitten onder het opgedroogde slib.
Met zeep en Burry Inlet-water wast Peter zijn handen, wangen en armen schoon, en trekt een nieuw t-shirt aan. De geur van de zee zal hij nog uren bij zich dragen.
Elliot: "Hier in die uitgestrekte ziltheid ruik je die misschien niet, maar als ik thuiskom, och man, er waren dagen dat mijn vrouw me niet binnenliet." Met een glimlach: "Nu hoop ik soms dat ze mij niet binnenlaat, dan kan ik met de jongens een biertje gaan drinken."
Ook de kokkels krijgen een douche. In de fabriek worden ze gewassen en gekookt, en verdwijnen geblikt of gepot naar elders in de wereld. De meeste gaan als tapa richting Spanje, een klein deel belandt op de markt in Swansea en als Penclawdd breakfast bij JJ's in Penclawdd.
"De J van Jennifer en de J van July, onze twee dochters", vertelt eigenaresse Maire, die naar frituur en gebakken eieren ruikt.
Zij serveert het Penclawdd ontbijt de hele dag.
Even de kokkels opwarmen in spekvet en die serveren met uitgebakken bacon, een flinke klodder zeewier plus een snee brood doordrenkt in vet.
Een stevig maal voor 2 pond 25, dat geurt naar de zee en waarvan het zeewier je tanden doet knarsen.
Het is dan net alsof je Elliot weer harken door de Burry Inlet hoort.
Als eerbetoon aan de laatste pickers van Groot-Brittanië hoor je bij het Penclawdd ontbijt dan ook te zwijgen.

foto: Rob van der Vet
Op de groen rollende heuvels rond Cwmcochied grazen de lekkerste Welsh Black. Peter Mitchell laat ze in alle biologische rust de sappige weiden van Wales decimeren. Over de smaak van dooraderd vlees en een melkfabriek in Amsterdam-Noord.
Rijden we verdorie weer verkeerd.
We moesten door het dorpje Cwmdu, was ons verteld, en vervolgens na een groene boerderij de tweede weg rechts.
Edoch, hoe we ook kijken: geen groene boerderij
Dan maar op goed geluk een weg naar rechts, verkeerd, terug en een andere rechts, en na een derde poging zijn we ineens terug op de routebeschrijving, en hobbelen we via een wankel bruggetje en alsmaar smaller asfalt een heuvel omhoog.
Die weg loopt dood bij de voordeur van Peter en Jemina Mitchell, en bij hen moeten we zijn.
Beiden studeerden sociologie in Oxford, maar kozen voor het plattelandsleven.
Biobioer wilden ze worden.
Als voorspel begonnen ze een klein biologisch bedrijf in Dorset.
Peter: “Gevogelte, eieren, geiten, eenden en kaas; dat soort dingen.”
Zo’n vijftien jaar geleden verhuisden ze voor het serieuze biowerk naar Wales. Toen nog een verlaten groene negorij met voldoende ruimte, frisse lucht en sappig gras om biologisch te groeien.
Hun oog viel op Cwmcochied, de vallei van de rode koehoorn. Een lege boerderij buiten Cwmdu, 11 kilometer van LLandeilo in de provincie Carmarthenshire. Gelegen op een heuvel met 63 are land en groots uitzicht over de Black Mountains en de melkstal van Wales zoals Carmarthenshire wordt genoemd.
In die melkstal zag je steeds minder streekeigen Welsh Black-koeien.
Boeren prefereerden Aberdeen Black Angus of andere continentale vleesrassen zoals Charolais en Limousin. Die hebben meer spieren, groeien sneller op maïs en andere granen, en geven daardoor meer vlees.
Welsh Black zijn minder bedrijfeconomisch-slimme koeien.
“Mensen vergeten evenwel een ding. Hun vlees is veel beter. Komt doordat het meer is gemarmerd en juist die gezonde intramusculaire vetten geven het extra smaak. Hoe meer gemarmerd, hoe smakelijker. En daar vragen consumenten in toenemende mate om: biologisch scharrelvlees met smaak. Daarbij: je bent boer in Wales en dan kies je toch voor geharde koeien die hier oorspronkelijk vandaan komen, en als geen ander met vier poten in dit weer en de heuvelachtige omgeving staan.”
25 van die geharde koeien heeft hij.
“Ze staan 280 dagen per jaar buiten. Ze zijn rustig, kalveren makkelijk en eten de hele dag gras: je hebt er eigenlijk geen omkijken naar. Behalve dat je ze om de zes weken moet verhuizen naar een andere wei, omdat ze in hun vraatzucht anders de hele grond kaal eten.”
Zijn Welsh Black bleken melkkoeien. Peter runt intussen een bedrijf dat kwaliteitsvlees van verschillende Welsh Black-bioboeren wekelijks naar de beste restaurants van Londen rijdt. In een witte truck met een gekleurde draak.
"Kom", gebaart Peter.
De laarzen gaan aan, Peter en zijn vrouw pakken wandelstokken en de twee border collies beginnen opgewonden te blaffen.
Tijd voor een wandeling over het enorme erf, en dat vergt soms flinke stukjes kuitenbuiten. Langs bospartijen, vijvers, akkers en weilanden waar de natuur zijn eigen gang mag gaan en zeldzame Llanwenog-schapen pastoralen.
“We hebben anderhalve kilometer heggen aangelegd en meer dan 600 bomen geplant. Voor insecten, wild en gevogelte. En die rode koehoorn zit er ook nog steeds."
Sommige weilanden zijn speelweiden voor brandnetels en distels. “Die struiken herbergen vlinders en insecten, en bieden daarmee ook vogels voedsel. Dit is niet alleen voor ons een paradijs."
Na een wandeling van drie uur gaan de laarzen uit en komen de glazen op tafel.
Jemina vertelt over haar atelier in een voormalige stal waar ze kunstig vazen boetseert, hun dochter gaat met een vriendin topless in het gras en Peter vertelt over zijn tijd op Oxford en zijn Aquarius-avonturen in Amsterdam, want o ja, natuurlijk is hij daar in de sixties geweest. Dat was een must, voor iedere student.
Hij woonde zelfs een tijdje in Amsterdam.
Tegenover Artis.
Geld verdiende hij als productiemedewerker in een melkfabriek in Noord.
"Elke dag met het pontje."
Zijn verdiensten gingen letterlijk op in rook.
“Ik werkte in ploegendiensten bij de fabriek. Soms moest ik om drie uur 's nachts op, en hoorde ik in het donker al die wilde beesten in de dierentuin, echt, dan dacht ik dat ik nog hallucineerde van de drugs.”
Hij was in 1964 ook bij het legendarische concert van de Stones in het statige Kurhaus dat al na drie a vier nummers werd gestaakt.
Het uitzinnige publiek brak de zaal af.
Fraai zijn de beelden van agenten die op het podium tussen Mick Jagger en Keith Richards zigzaggen en op het totaal doorgedraaide publiek inhakken.
Heeft hij allemaal gemist.
“Ik was knetterstoned. Zoals iedereen.”
We vertellen dat wij bijkans hallucinaties kregen van die groene boerderij uit zijn routebeschrijving.
“Had ik dat niet verteld, o sorry, die man heeft zijn huis vorige week rood geschilderd. Alleen de kozijnen zijn nog groen, geloof ik.”
In ons hoofd voelen we enkele Kurhaus-aanvechtingen.
Het uitzicht op zijn dochter kan die gevoelens maar net onderdrukken.
De Welsh Black-biefstuk in LLandeilo die avond smaakt erdoor nog meer dooraderd.
Het lukte hem. Te reserveren bij het beste restaurant ter wereld. Koken met stikstof en chloor bleek onder de witte brigade uit. Schuim en diepgevroren waren in. Ex-kok Pier Post schoof voor dertig lunchgangen aan bij Ferran Adrià. Mr. Global mocht over zijn schouder meekijken.

foto: Pier Post
De eerste hap was direct raak.
Voor Pier Post lag een gewone groene olijf, althans, de olijf oogde als een normale groene olijf. Maar: "Toen ik ervan in mijn mond een hap nam, knalde die helemaal uit elkaar. De olijf was van binnen geheel vloeibaar en tikte overal mijn tong eventjes aan, en dat gaf een spervuur van smaaktintelingen."
Dat spervuur duurde de hele lunch voort.
"Ferran Adrià zet je steeds op het verkeerde been. Hij plaatst je in een rollercoaster van smaken. Je smaakpapillen worden continu getriggerd en raken herhaaldelijk totaal in de war. Je proeft dingen die je normaal niet proeft. Mijn tong moest na afloop echt in een hangmat."
Pier Post was kok bij verschillende restaurants in Amsterdam. Na een aantal jaren was hij kachelmoe en werd hij productiebegeleider bij een uitgeverij.
Achter de pannen staat hij nog steeds, maar dan voor zijn thuispubliek.
Wat bleef was die droom over een tafeltje bij El Bulli in het Spaanse Rosas. Maar zie bij dat restaurant, onlangs opnieuw gekroond tot het beste ter wereld, maar eens aan te schuiven.
El Bulli is vanaf 1 april slechts een half jaar open. Eén dag per jaar in oktober kun je telefonisch reserveren. Telekabels schijnen in Rosas die dag oververhit te raken en het enige wat duizenden Ferranfreaks vooral horen, zijn in gesprek tonen.
De volgende dag is het restaurant weer een jaar volgeboekt.
Niet helemaal waar.
Schrijf maar eens een brief, in het Spaans, weet Pier.
Een kennis van zijn moeder deed dat en zie, enkele weken later kreeg hij een telefoontje dat hij kon reserveren. Voor de zondagmiddaglunch op 15 april. Hij mocht maximaal acht man meenemen.
"Mijn moeder belde of ik mee wilde en daar hoefde ik geen seconde over na te denken natuurlijk, ja, wie wel."
Hij boekte een ticket voor een vlucht naar Gerona en een hotelkamer in Cadaques, dat vlakbij Rosas aan de Costa Brava ligt. Want daar bevindt zich El Bulli. Aan een kleine baai met donker strandzand in een omgeving die is doordesemd van Fish & Chips en Friet van Piet.
Op het vliegveld van Gerona ontmoette hij zijn tafelgenoten.
Allemaal kennissen van zijn moeder, een bekende cateraar in de filmwereld.
De een kwam overgevlogen uit Londen, die uit Malaga en die weer uit Rotterdam.
Pier: "Als schoolkinderen zo blij op hun allereerste schoolreisje stapten we in het busje. Iederen was flink opgewonden en werd naarmate we dichterbij het restaurant kwamen alsmaar stiller."
De spanning kon je aansnijden toen de bus de straat van El Bulli in draaide waarmee het aftellen van de huisnummers begon, nog een bocht, nog 300 meter, nog 125 meter, nog een bocht, en toen stonden ze voor dat kleine huisje, want daar moesten ze zijn, bij dat rare kleine huisje, met ernaast een groot hek.
Pier belde aan.
Het hek draaide open naar een ruime parkeerplaats die leidde naar het strand.
Iets voor openingstijd was het.
Om één uur ging het restaurant open.
Pier: "De hele witte brigade stond ons in een rij op te wachten, 25 koks, en we mochten gerust kijken in de keuken en met Ferran op de foto."
Mokkend: "Ik heb er nog spijt van dat ik dat niet heb gedaan."
Het kleine huisje bleek te bestaan uit een aantal geschakelde huisjes met plaats voor 40 tot 45 gasten. De keuken had een groot raam grenzend aan een rots.
"Het interieur van El Bulli oogt als een Frans plattelandsrestaurant. Heel tuttig beige met bloemetjesgordijnen en kitsch tegen de muur. Het servies was weer heel kunstig. Dan lag een gerecht op een soort verchroomd bord, dan op een draperie of waaier van gevlochten ijzerdraad."
Lunchtijden van El Bulli duren van een tot zeven.
Het menu bestaat uit 30 één- tot tweehapshapjes.
Prijs: 185 euro, zonder wijn.
Zie ook maar eens een passend glas uit de wijnkaart van 150 pagina's te keizen.
"De gangen komen rap achter elkaar op tafel en dienen dito te worden genuttigd. Veel gerechten waren gevriesdroogd. Van frambozen tot asperges. Als je die te lang op tafel liet staan, werd gezegd, zouden ze smelten en het smaakeffect verdwijnen."
Dat effect was een herhaling van steeds hetzelfde in alsmaar een andere smaakmakende variatie.
Pier: "Je eet niet wat je eet. Je ziet een bietje, maar het is geen bietje. Het heeft niet de structuur, maar wel de smaak."
Werd zijn mond niet gefopt, dan wachtte die wel een entering van smaken. Zoals dat platte pindakoekje met minidobbelsteentjes gevriesdroogd fruit. "Ik proefde eerst pindakaas met aan het eind vloeibare jasmijn en passievrucht waarna al die smaken uit elkaar vielen en ik terecht kwam in een smaakgevecht tussen jasmijn, passievrucht en pindakaas".
Een hoogtepunt was een gerecht dat bestond uit roomijs, caramel en stroperig dik eigeel dat een uur was gekookt bij 65 graden ("bij 70 graden stolt dat").
Pier: "Je moest die drie ingrediënten door elkaar trekken en dan krijg je een combinatie van zoet, koud, warm en eigeel, en echt, je weet niet wat er allemaal door je heen gaat."
Niet alle gangen maakte datzelfde enthousiasme in hem wakker.
Pier gruwelt zelfs nog een beetje na van de scheermessen die drie seconden in kokend water hadden gelegen, en bestrooid met een soort tahin en sesam lelijk rauw bleven smaken. De lamshersens gekapseld in eigen jus waren zo dik als lijm. "Ook al die zeewiervariaties geloofde ik wel."
Zes tafeluren later zaten allen weer in het busje.
Voldaan en tevreden.
"Je eet niet veel. Het gaat om het proeven. Je hebt geen opgeblazen buik, maar je hoofd zit vol met smaken."
Pier had niettemin 's avonds trek.
"Ik heb in Cadaques een geroosterd kippetje gegeten en dat was geen succes. Mijn smaakgevoel bleek nog immer weg. Of misschien was dat kippetje wel gewoon niet te eten. Desondanks herinner ik me vooral ook dat kippetje als ik aan El Bulli denk. Dat had ik dus beter niet kunnen aansnijden."
 
Broodjes van Parmezaanse kaas en gepolijste rijstkorrels plus gevriesdroogde bietjes à la El Bulli. Foto's: Pier Post.

foto's: Cor Hospes. Guerrilla actie op 50 muppies in Amsterdam.
Ik lag er nachten van wakker. En ook mijn dagen bestonden uit woelen en draaien. Maar na ruim een slapeloze week was ik er gelukkig uit. En de winnaar is.
Het was niet mijn idee. Op Cheffen.nl wordt immers al voldoende reclame voor eigen boeksels gemaakt.
Bovendien: wat heeft een boek over guerrillamarketing met culinaire zaken te maken, behalve dat een fictieve case eruit gaat over een winkel van kookbenodigdheden die zich, ter onderscheiding van de concurrentie, een masculinair imago wil aanmeten.
Of dat aandacht op Cheffen.nl voldoende rechtvaardigt, vast niet, toch gebeurde het, in de vorm van een prijsvraag.
Wie mij op de meest originele manier ten diner vroeg, zou mij winnen en mocht mij op dat etentje fêteren. In retour: een aangenaam verpozen gevuld door mijn geklets en een gesigneerd exemplaar van mijn boek.
Inderdaad: er zijn minder prettige avonden te verzinnen.
En toen druppelden de invitaties binnen.
Ik geef toe: niet in de hoeveelheden die ik had gehoopt. En alhoewel de verlokkingen van ‘Nice guy Eddi’ en ‘Jurr’ erg fijn klonken, wilde ik toch graag aanschuiven bij een dame, want ja, een Mr. Global is ook maar een Mister. Een Global Mister, dus Eveline, die mij al haar regionale plekjes wilde tonen, viel daarmee helaas af.
Resteerden Saskia, Denny en Miss Marketing also known as Pam.
Saskia houdt van hockey en ik ook. Zij doet dat bij de Huizer Hockey Club, weet ik, en ik bij HC Athena in Amsterdam, weet zij. En dat weten wij van elkaar. Maar om voor een kroket naar Huizen af te reizen, hmmm, want kroketten serveren ze bij Athena niet. Daarbij is het seizoen afgelopen en om tot in september op die dan wellicht ook nog eens koude kroket te wachten.
Valt daarmee Saskia subiet af?
Nee, want ik ben gek op hockeymeisjes.
Denny doet zijn/haar invitatie over de rug van Koken met Karin. Zo kan ik het ook, zeker, maar die 12 belangrijkste bereidingwijzen van de Zeeuwse platte oester, en dat na een wellicht enerverende overtocht naar Pampus, kijk, dat maakt nieuwsgierig.
Miss Marketing a.k.a. Pam probeert me te verleiden met een echt Italiaans souper onder de sterren op haar dakterras, en dat prikkelt evenzo, vooral omdat ik aan de vooravond voor een drieweekse vakantie naar Italië sta.
Tsja, wat te kiezen, wat te doen.
Kunt u zich mijn onrust voorstellen.
Nog een avond wegstrepen en overpeinzen, en nog weer een dag mijmeren over het IJ.
Uiteindelijk gekozen voor Pam. Vanwege haar Miss Marketing, en omdat ze wellicht daarom alles over mijn guerrillamarketing wil weten, en ik alles over het hare. En okay, ik beken, dat dakterras gaf de doorslag.
Dus Pam a.k.a. Miss Marketing, ik kijk uit naar je uitnodiging. Vanaf 1 juli ben ik weer terug in Amsterdam. Ik kijk uit naar je in de sterren.
Een verslag van de avond later in dit theater.


In zorgverzekeringland denken ze al jaren verdraaid. Maar in de hoofden van het College van Zorgverzekeringen (CVZ) heeft nu definitief het kromsabel der infantiliteit geslagen.
Dit hooggeleerde gezelschap wil echt heel serieus aan minister Klink van Volksgezondheid voorstellen om afslankcursussen en opnames in diabetespoli in het basispakket op te nemen. Bij Agis, grootverdiener in achterstandswijken in Utrecht en Amsterdam, gloeien ze van apetrotsheid. Daar lopen ze voorop bij het financieren van projecten die pogen de leefstijl van zekerden te verbeteren. Artsenorganisatie KNMG en de Consumentenbond krijgen bijkans natte plekjes van zoveel pionierswerk. Volgens beide ontbreekt immers in de huidige financieringssystematiek de prikkel voor verzekeraars om te investeren in de gezondheid van hun verzekerden. Dus vinden ze het de hoogste tijd dat dezelfde mensen, die eerst jarenlang hun winkelwagentjes volgooien met kilo's caloriebommen, pakken dubbelgezouten kant-en-klaar en andere buikexploderende ranzigheid, als toetje voor een jarenlang suikervol dieet nog geld krijgen voor een afslankcursus ook. Waarom toch altijd weer slecht gedrag belonen. Er zijn mensen in dit land die wel verantwoord eten en voor die duurdere producten meer geld neertellen. Voor biologische, verse en kwaliteitsproducten betaal je nou eenmaal de hoofdprijs. Zij worden met dit soort verzekeringsinitiatieven dubbel gepakt. Waarom belonen ze bij Agis, KNMG en de Consumentenbond niet 'een voorkomen is beter dan genezen'. Een dergelijke ommekeer zou een revolutie zijn in het alsmaar redeneerkrommere Nederland waar zielig wordt gepamperd en nadenken wordt bekort, en vette domme boontjes dus nimmer om hun loontje zullen komen.

Foto: http://www.robvandervet.nl
Laksa is het nationale slurpie van het land. Je slobbert van de Maleisische Cup-a-Soup op ieder moment van de dag. Elke streek kent zijn eigen verse variant. Allerberoemdst is de Penang Laksa, oftewel assam laksa. Maar vergeet ook niet een soepommetje in Ipoh te maken.
We zijn in Ipoh in Maleisië.
De stad werd rijk door de tinindustrie, en dat kun je aan de grande architecteur aflezen. Rondom het cricketveld vind je nog enkele fraaie Brits-koloniale panden waaronder het clubhuis van de Royal Ipoh Club en het St. Michael Institution. Beide staan fier te glimmen in het wit.
Leuk.
Maar de grootste attractie van Ipoh is kway teow.
Rijstnoedels met gestoomde kip, champignons en saus. Met als bijgerecht minitaugé uit Ipoh met gebakken uitjes en sojasaus: ngah choy.
Het klinkt als gerecht nummer 23 van restaurant Ni-Hao uit Nijkerk, maar behoort volgens culikenners tot het lekkerste rijstnoedelgerecht van Maleisië.
De beste kway teow serveert Kong Heng in het oude centrum, maar dat eethuis is dicht tijdens lunchuren.
Dus gaan we zitten bij buurman Thean Chun, het Huis van de Spiegels. Een groot open restaurant met in elke hoek een keukentje dat een eigen specialiteit serveert.
We krijgen een plekje aan de laatste vrije tafel.
Rond en van marmer, waar rondom opa’s tot kleinkinderen scharen.
Een kaart is er niet.
We wijzen naar het keukentje links en krijgen kway teow, en ja, hoe kun je lekker omschrijven.
We eten ons de sojavlekken op onze broek.
Chinese opa's met sikjes knikken goedkeurend naar ons gesmikkel met stokjes.
Minitaugé laat zich niet makkelijk vangen.
Als fotograaf Rob om een bakje sambal vraagt, ja hoor, een schoteltje sambalolie is ook goed, beginnen alle spiegels in het eethuis zowaar tevreden te glimmen.
Dan valt onze blik op een soepkommetje waaruit bijna iedereen achter ons zit te slobberen.
Laksa, horen we.
Het nationale gerecht van Maleisië.
Je eet het ’s middags, ’s avonds, rond theetijd of als Cup-a-Soupig tussendoortje.
Een noedelsoep is het, gedrenkt in een dikke visbouillon. Uitgevonden in India. In Thailand kieperen ze kokosnootmelk in dezelfde soep. In Maleisië heeft het in iedere streek een eigen invulling invulling. Sarawak, Kedah, Singapore, Johor: laksa smaakt nergens naar dezelfde laksa.
In Ipoh eten ze de soep met geroosterd varkensvlees en Indiase curryblaadjes, en kijk, daar komen de kommetjes al aan. Met peperolie voor Rob.
Alweer heerlijk.
Willen we de meest vermaarde laksa proberen, horen we, dan dienen we door te reizen naar Penang. Voor de laksa assam. Vissoep met witte rijstnoedels, taugé, reepjes kippenvlees, garnalen of makreel en de zure smaak van tamarindepasta. Afgemaakt met stukjes wilde gember, garnalenpasta, gehakte ananas, munt, komkommer en Spaanse peper.
Fijn, maar eerst de Ipoh laksa.
En ja, zegt Rob, doe nog maar zo'n kommetje sambalolie.
Op het eiland Penang voert de laksatrail ons een dag later naar Balik Palau.
Daar is de Penang laksa het allerlekkerst.
Onderweg passeren we boomgaarden vol nootmuskaat, kruidnagel, rubber en doerians, en fabriekjes waar ze garnalenpasta maken, ruiken we.
Balik Palau blijkt een niemandallig plaatsje met een markt en eetstalletjes aan een T-splitsing.
En daar moeten we zijn.
Bij de Nan Guang Coffee Shop.
De Chinese soepvrouw serveert zowel de versie met kokosnootmelk als tamarinde.
En ja, de tamarinde, het is even wennen, maar als je eenmaal de smaak te pakken hebt, wil je niet anders meer. Het zurige van de soep spoelt in een keer je binnenste okselfris. Van de kokosmelkvariant ga je enkel nog meer zweten, ook lekker trouwens.
Rob bestelt intussen nog een extra kopje sambal.
Hij heeft Indonesisch bloed in zijn aderen.
De Chinese soepopschepster kijkt hem bevreemd aan.
Een witneus met zoveel sambal, dat kan niet goed gaan.
Ik ga de markt op.
We willen een foto met een kommetje laksa incluis de ingrediënten.
En ja, in het dorpje zijn ze door de jaren aardig aan het laksatoerisme gewend, maar laksa-idolate bezoekers die de losse ingrediënten kopen, enkel voor een foto, dat is nieuw.
De tafel met uitgestalde ingrediënten zorgt dan ook bijkans voor een stormloop op de Nan Guang Coffee Shop.
Meisjes in schooluniformen giebelen, oudere vrouwen in batik nog meer.
Als het plaatje gestyled en geklikt is, willen alle kinderen naar het digitale resultaat kijken.
Duimen gaan omhoog.
De ingrediënten geven we aan de Chinese soepopschepster die mij subiet een serieus hakmes in mijn handen duwt.
Snijden, gebaart zij.
Pardon?
Rob doet alsof hij een fraai fotomoment op straat voorbij ziet komen en draait zijn hoofd een andere kant op.
Mijn hoofd kan geen kant op.
De soepopschepster kijkt me nog immer streng aan.
Ik moet snijden. Dus snij ik komkommers, verhaksel ananassen en ga driftig een vloot pepers en uien te lijf. Ook krijg ik stukken gestoomde kip voorgeschoteld, en zo blijven maar groenten, messen en vlees voorbij komen, tot grote hilariteit van alle omstanders.
Ik voel me Keith Floyd, maar dan nuchter. En meer bezweet ook.
De druppels rollen over mijn slapen.
De Chinese soepvrouw gebaart dan dat het mooi genoeg geweest is en dat ik moet gaan zitten.
Vanuit het niets komt Rob ineens aangehuppeld.
Nog immer met dezelfde grijns.
Zag er leuk uit, zegt hij.
Ik mompel wat en zweetdep mijn gezicht droog.
De soepvrouw heeft bordjes en papiertjes op tafe gezet, en daar is die weer: kway teow
“Ik kom uit Ipoh”, zegt de Chinese soepvrouw.
Zij had het papiertje gezien van Thean Chun, het Huis van de Spiegels, dat uit mijn Lonely Planet stak. Want zij mag dan wel de koningin van de Penang laksa zijn, een culinair hart verraadt zich nooit.
Maar kom, eten.
En dat doen we.
Ipoh is niet alleen een centrum voor lekkerbekken, maar ook een broedplaats voor levenslange vriendschappen.
En Rob krijgt voor onderweg een zakje sambalolie mee.
[kader]
Ben je op Penang, maar heb je geen tijd of zin naar Balik Palau voor een assam laksa af te reizen? Probeer dan het stalletje op Loring Selemat, een zijstraatje van Macalister Road in Georgetown.

Het is een van de specialiteiten van Penang. En smaakt het lekkerst op de nachtelijke eetmarkten van het eiland. Char kway teow. De vetste hap van Maleisië.
"Godgodgloeiendegloeiende."
We zijn die ochtend om vijf uur vanuit Kuala Lumpur vertrokken naar het eiland Penang. Onderweg non-stop busje in, busje uit om foto’s te maken, te slenteren en geur- en smaakimpressies op te doen.
De zon schijnt 36 graden en doet ons bijkans smelten.
Enkel het vooruitzicht van onze luxe kamer in het 19e eeuwse überkoloniale Eastern & Oriental Hotel in Georgetown weet te voorkomen dat we niet al ’s middags overkokend in een nat rijstveld springen. Het Eastern & Oriental Hotel, één van de meest klassieke hotels in de Oost, en daar staan we dan, smerig, moe, geprikkeld en vooral voor joker. Want wat blijkt: onze kamerreserveringen zijn onbekend.
"Godgodgloeiende..."
Ik begin te stomen, maar slik in drie keer mijn ergernis weg als ik enkele beveiligingsemployees onrustig in hun portofoons hoor blazen. Tegelijk vertel ik de baliemedewerker met mijn allerliefste Singapore Girl-glimlach dat hij er ook niks aan kan doen en dat ik evenzo graag had willen voorkomen dat hij zich wellicht door ons opgelaten voelt.
Gevoel voor Aziatische verhoudingen zijn mij soms niet vreemd.
Of we willen gaan zitten.
Dat willen we niet, maar we doen het toch.
Intussen bel ik naar onze opdrachtgever, het is nog kantoortijd in Nederland.
Zij schuift de problemen onmiddellijk door naar de organisator, en belooft mij terug te bellen. En dat belooft zij na een telefoontje van mij opnieuw, en na weer een telefoontje opnieuw.
Na anderhalfuur zitten we nog steeds in de receptie.
Ik herdeo mijn oksels.
Fotograaf Rob haalt gekoelde glazen Tiger-bier uit de hotelbar.
Dan: Of mijnheer Opses en VanVè naar de receptie kunnen komen.
Iemand in het hotel heeft een fout gemaakt, horen we. Een reservering was blijven liggen, excuses, excuses.
We vragen beleefd om de sleutel van onze kamer. Onze gegevens vullen we later wel in.
Als ik eindelijk onder een alleswegspoelende douche sta, rinkelt met een ouderwetse rinkel een telefoon.
Het is de Duitse hotelmanager.
Hij spreekt over excuses en andere zaken.
Ik dank hem voor zijn woorden en vertel dat ik naschuimend van exotische Eastern & Oriental shampoos naast de telefoon sta, en graag nog even doordouche.
Een dag later krijgen we een uitnodiging voor een borrel. Ook kunnen we in het hotel dineren.
We gaan graag in op de borrel, maar bedanken voor het eten.
Liever verkennen we 's avonds de markten met eetstalletjes in Georgetown, vertellen we. We zijn op zoek naar de lekkerste char kway teow, want die moet nergens anders zo lekker smaken als op Penang.
Char kway teow: platte rijstnoedels met een donkere sojasaus, pepers, garnalen, mossels, omeletreepjes, taugeh en Chinese kruidnagels. Soms ook nog eens met stukjes Chinese worst en viscake. Dit alles gebakken in varkensvet.
Een vette hap op z’n Maleis.
Tijdens de borrel worden we voorgesteld aan Mr. Ho die oogt als Dr. No uit de gelijknamige James Bond-film. Verder aanwezig: de Duitse hotelmanager en een manager met een Frans accent.
Die twee dwarrelen na twee halve liters weg, wij blijven nog een rondje kleven en stappen dan bij Ho in de auto.
Ho rijdt ons naar Lebuh Kimberley, een eetmarkt in Chinatown. Daar overlaadt hij ons met bier en bestelt bij verschillende stalletjes char kway teow.
Kunnen wij vergelijken.
We twijfelen tussen de char kway teow van Kedai Kopi en Bee Hoi.
De laatste wint in de verlenging.
Aansluitend rijden we naar het Esplanade Food Center, vermaard vanwege de vis, gevolgd door een bezoek aan Gurney Drive. Overdag een drukke straat, ’s avonds een groot eetfestijn, ook wel de nieuwe Esplanade genoemd en dat betekent vis.
Char kway teow is er ook, in de Penang-versie met krab en eendeneieren, maar het bord van Bee Hoi blijft overeind.
Poe, kreunen we. Na vier halve liters, acht blikjes Tiger, drie borden char kway teow, geroosterde vis- en garnalenspiesjes, pasembur, gestoomde kip, krabcurry, krab met zwarte peper en babi pong teh.
Heerlijk, echt, heerlijk.
Gedrieën brullen we boeren uit onze buiken omhoog.
We dromen al van ons luxe bed.
Daar denkt Ho anders over.
"And now it’s time to party", zegt hij.
Hij heeft het over de Melon Sisters en neemt ons mee naar een bar die Summerwine heet.
Een nummer van Nancy Sinatra en Lee Hazelwood, weet ik.
De zomerwijn in Georgetown heeft evenwel betrekking op de borstomvang van de meloenzusjes die getweeën de bar besturen. Hun borsten ogen naar Zuidoost-aziatische maatstaven inderdaad indrukwekkend, en nee nee, blozen we lafjes, we hoeven niet te voelen hoe zacht die zijn, dat geloven we van een afstandje ook wel.
"Ah", verrukt Ho. Daar is zijn vriend mijnheer Chang.
Die is in Summerwine met een Hindoestaanse Amerikaan op IT-zaken en een Thais hoertje. In een moslimland wonen immers geen prostituees.
Tussen hen staat een fles bijna lege Chivas Regal, en een kan met ijswater. De fles wordt voor ons uitgeschonken en onmiddellijk vervangen als wij aanschuiven.
Even later volgt een volgende fles, en iedereen wordt alsmaar grappiger.
Het gaat over de opkomst van Maleisië als IT-land, het rijke hindoestaanse leven in Amerika en de genoegens van Penang. Als het Thaise meisje ons de acrobatiek van haar tong toont, vindt de Amerikaan het de hoogte tijd om te gaan.
"Wees een man", zegt het meisje, "eerst het glas van je gastheer leegdrinken."
Twee flessen Chivas later staan we buiten.
Met dwarrelingen in ons hoofd en een droge bek
Van whisky krijg je zin in bier; wij willen weer Tiger in onze tank.
Dus brengt Ho ons naar een disco aan de overkant van de straat.
Binnen stelt hij ons voor aan enkele meisjes die vragen of we van Aziatische vrouwen houden.
Wij antwoorden dat we vooral dorst hebben, kruipen uitgedroogd op een barkruk en beginnen na een paar ferme slokken terstond te zweten.
Na enkele glazen zien we vanuit een ooghoek Ho met enkele Thaise libido-uitlaatjes aankomen.
"Mr. Ho, op kwart over zeven", zeg ik.
We verdwijnen richting de dansvloer en zien op veilige afstand Ho met zijn Thaise testosteronputjes verdwijnen.
Even later staat hij voor ons met bier.
Daar komen we makkelijker op af, merkt hij.
"Houden jullie niet van vrouwen", vraagt hij.
Rob loftrompet op alles wat uit India komt. Ik huldig China, Japan, Zuid-Korea, Vietnam, Indonesië en Birma. Een kwartier later zien we Ho met glazen bier, en een mollige Hindoestaanse en voortandloze Chinese onze kant opkomen.
Ik hoef Rob niet te vertellen hoe laat het is.
We moeten toch hoognodig plassen.
Bij terugkomst staat Ho weer met bier op de dansvloer, en wij dansen om hem heen.
"Waar waren jullie nou. Ik had enkele cadeautjes meegenomen. Als goedmakertje voor de reservering."
"Dansen Ho", beveel ik.
"Oe, lang geleden, erg lang geleden."
Een kwartier houden we hem bezig.
Ho krijgt steeds meer plezier, hijgt alsmaar amechtiger en valt dan om.
Midden op de dansvloer.
We slepen hem naar buiten, peppen hem op en besluiten nog een afzakkertje te nemen in Slippery Senoritas. Daar zitten vooral expat-señores en weinig locale señoritas.
Dus willen we naar onze disco terug. Vastberaden het nu wel op de Aziatische tour te zetten.
Maar het danspaleis sluit.
Georgetown loopt om twee uur leeg
Misschien maar beter ook.
Onze ogen tollen, onze magen ook.
Ho rollen we naar zijn auto.
Het was een geweldige avond, zegt hij, echt, geweldig.
Hij heeft ook in geen jaren zo fijn gedanst.
Wij bedanken hem voor alles en zien hoe hij wädelend zonder lichten de straat uitrijdt.
Wij sloffen terug naar het hotel.
"Een goede bodem, dat char kway teow," jubelt Rob.
"Ik verlang wel weer naar een vette hap", zeg ik.
Bee Hoi, opperen we.
Een taxi aarzelt nooit.
Ook niet in Georgetown, Penang.
En Bee Hoi wokt de hele nacht door.
Met een glaasje Tiger, maar dat spreekt voor zich.

foto: Cuno van 't Hoff
Het is er weer. Het witte goud uit Limburg. Tot 24 juni. Want daarna blijft het weer tot 1 april ondergronds. Op bezoek in de belangrijkste aspergedriehoek ter wereld. “Goede asperges piepen en spuiten.”
“Zie je die scheur in het zand. Dat betekent dat die ieder moment uit de grond kan komen.”
Chris Smits krijgt een glunder in zijn ogen, en begint spontaan een gat in het rulle zand te graven, en ja hoor, de asperge tikt met zijn kopje tegen de onderkant van het bed, klaar om zich bloot en in vol ornaat in de openlucht te erecteren.
Chris: “Begin april zo bij twaalf graden ontwaakt de asperge uit zijn winterslaap. Bij negentien graden gaat die groeien om bij 25 graden razendsnel te lopen. Soms wel 10 centimeter per dag.”
Chris Smits is een man een missie. Hij groeide op in hét aspergerestaurant van ons land, Hostellerie De Hamert in Wellerlooi. Het bezorgde hem een smaak die hij nimmer zou kwijtraken. Maar zijn vader opvolgen, ahum, nee, die kan maar geen afstand van het restaurant nemen en daar kan enkel gedoe tussen vader en zoon van komen. Dus besloot Chris ons land op een andere manier met asperges te laten kennismaken. Want boven de rivieren eten ze slechts twee tot drie ons asperges per jaar, waar dat in Brabant en Limburg een kilo is.
Komt natuurlijk omdat ze daar met asperges opgroeien. Vers opgestaan uit hun bed. En dat smaakt anders dan die vaak vezelige witte staven die je in veel supermarkten ziet. Als die al uit Nederland komen.
“Verse asperges piepen als je ze tegen elkaar aan wrijft en spuiten als je in het uiteinde knijpt.”
Dat doen die van Chris zeker. Gisteren gestoken, en binnen 48 uur in de brievenbus. Te bestellen via zijn site. Geschild als je wilt, ja echt, voor een ieder thuis die niet aan de dunschiller wil.
“Ik was bij Giel Beelen in de uitzending en daarna was het aantal hits niet te tellen”, glunderen zijn pretogen, terwijl hij ons voedt met een tour d’asperge.
2500 hectare is het aspergegebied in Nederland.
Bij elkaar goed voor 14 miljoen aspergekilo.
Verspreid over ons land komen er steeds meer bedjes bij, maar het epicentrum ligt in de driehoek Boxmeer, Grubbenvorst en Uden. Verspreid over Noord- en Middenlimburg met een uitlopertje dus naar Oost-Brabant.
Chris droomt van een AOC-kwalificatie voor Hollandse asperges. Want die uit ons land zijn de beste ter wereld.
“Komt door de 23 sorteringen waarvan de allerbeste dubbel A1 wit heten. 20 tot 28 centimeter recht, roomblank en met een kleurloos gesloten kopje. In andere landen bestaan drie variëteiten. Goed, slecht en heel slecht. Dan weet je genoeg."
Chris houdt een eerste stop in het aspergemuseum De Locht in Melderslo, net buiten Horst. Een verzameling boerderijtjes en gebouwtjes dat tegelijk fungeert als champignon- en streekmuseum, en wellicht binnenkort tevens als blauwe bes museum, want ook daar raakt Noord- en Midden-Limburg alsmaar bekender om.
In Melderslo denken ze pragmatisch.
We bekijken een film en leren dat aspergezaadjes groeien in de buik van rode vruchtjes. Superzaad kost soms 4500 euro per kilo. Dat gaat in de aspergebedden en daarin groeien ongeveer tien jaar asperges. Gedurende het derde en vierde jaar smaken die het malst. Na tien jaar is de bodem aspergemoe en wil erin 25 jaar geen enkel wit goud meer groeien.
Wel maïs, graan en andere lanbouwdingen.
Chris toert verder en stuurt door het allerfijnste deel van de aspergedriehoek.
De Côte d’Or, noemt hij die.
Komt doordat hij daar zelf is opgegroeid. In dat smalle stukje Nederland, drie kilometer breed tussen de Maas en de Duitse grens, dat loopt van Gennep tot Venlo. Ondertussen vertelt hij over de geschiedenis van de asperge.
De koninginnegroente komt uit Egypte. Via Franse lekkerbekken kwam die in ons land. Jarenlang werd het witte goud enkel verbouwd rond Bergen op Zoom. Een kapelaan uit die stad bracht de groente na WO II naar Noord- en Midden-Limburg. Een arm gebied, met arme grond. En daarin voelt de asperge zich als geen ander thuis. In rul los kunnen ze moeiteloos hun kopje oprichten. Een streepje klei, löss of andere zanderig weerstand kan al voor een lichte kromming zorgen. Bij welke aspergesoort dan ook, want er bestaan wel 150 soorten.
Chris heeft het over de Gijnlim, Backlim, Horlim, Avalim en Thielim, allemaal Limburgse uitvindingen. En het allerlaatste superras wacht: de Lim D’or. Ook uit Limland. “Nog witter, en nog zachter.”
De ogen van Chris gaan er gulzig van smikkelen.
Dan parkeert hij de auto bij een teler die een blauw t-shirt met erop een witte bos asperges draagt.
Wij krijgen een glas aspergewijn en de aspergeboer verhaalt over zijn hoge energierekening.
Onder de bedden loopt een ondergronds verwarmingssysteem en die is al snel goed voor honderdduizend euro per maand.
Maar zijn centrale modderverwarming hoeft in de warme voorjaarszon niet aan, sterker, hij moet de temperatuur van de bodem momenteel eerder temperen. Want asperges die te snel groeien, nee, daar krijgt het witte goud enkel holle stelen van.
Dat kan hij voorkomen door over de bedden wit folie te leggen. Dat weerkaatst zonnestralen, waar zwart folie de temperatuur in het zand vasthoudt.
Allemaal maatregelen die moeten zorgen voor een nog hogere opbrengst AA-asperges per hectare.
“75 procent moet minimaal aan die kwalificatie voldoen, anders houd ik er direct mee op, want dan kan ik de verwarming thuis niet meer betalen.”
Alle aspergeboeren houden er sowieso elk jaar op 24 juni mee op. Op St. Jan.
Natuurlijk kunnen ze de groente langer steken, maar daarmee put je de grond uit. Dus is het beter de asperges te laten uitgroeien tot een struik. Dat geeft de grond voldoende energie om er volgend jaar weer tegen aan te kunnen.
Chris kijkt er nu al beteuterd bij en wrijft over zijn embonpoint.
Tijd om aan te schuiven, op het terras van De Hamert. Met groots uitzicht over De Maas.
Daar drinken we nog meer aspergewijn, en eten we asperges in allerlei variaties. Voordat we tollend van aspergeplezier in Vierlingsbeek naar een Schäl Automat staan te staren. Een lasergestuurde supersnijder die de asperges voor Chris desgewenst helemaal rond schilt. Met een snelheid van 100 tot 120 kilo asperges per uur. Uitgekleed vallen ze in het water om daar hun hoofd koel te houden totdat de post ze voor Chris over Nederland vervoert. Maar natuurlijk is het leuker om in Limburg zelf asperges te kopen.
Er lopen verschillende aspergeroutes door de streek. Met culinaire stops om te proeven.
Vergeet onderweg niet te plassen.
Dan ruik je pas echt dat je asperges hebt gegeten.
[kader]
www.aspergebestellen.nl

foto: robvandervet.nl
Een rij openlucht eethuisjes langs de Suriname-rivier. Van Creools tot Chinees, van Javaans tot Hollandse patat: langs De Waterkant in Paramaribo vind je de complete Surinaamse keuken. En de culi-strook is een verzamelplek voor locals en Lieve Lita’s.
Harold heet hij. Een mooie lange neger, goedlachs en met dorst, veel dorst.
Voor hem staan drie lege djogo’s; literflessen Parbo-bier. Ernaast ligt een half aangegeten portie bami met bakabanana en pindasaus.
Het is woensdagavond.
We zitten langs De Waterkant in Paramaribo.
Een openlucht restaurant onder schaduwrijke amandelbomen met verschillende eethuisjes waar je al het fijne uit de Surinaamse keuken kunt proeven. Van creools bij Inez en kip bij Chung Kee’s Fried Chicken (‘Lekker Patat’) tot Javaanse halal-hapjes bij Soemi, waar vooral de kippensoto een attractie is. En langs De Waterkant worden liters djogo’s uitgeschonken.
Het Suri-smikkelparadijs is vooral een ontmoetingspunt voor localo’s. Toeristen blijven hangen rond de eethuizen en cafés rond Hotel Torarica en op het Leidseplein bij ‘t Vat.
Daar wil Harold ook naartoe.
Hij is morgen vrij, vertelt hij, en heeft trek in een blond Nederlands meisje.
Het aanbod daarvan is in Paramaribo groeiende sinds stagelopend Nederland de genoegens van Suriname heeft ontdekt.
Er zijn meisjes van hotelscholen, meisjes van pedagogische academies en meisjes die geneeskundig doen.
Harold kent ze allemaal, maar steeds als hij zo'n tranga smatje aanspreekt, loopt die geagiteerd weg of keert zich beledigd om.
Snapt hij niet.
Wat doet hij verkeerd, schouderophaalt hij.
“Ik overlaad die sweeties met complimentjes, weet je. Ik maak kusgeluidjes en zeg hallo poppetje, en dan kijken ze boos.”
We begrijpen het direct.
“Nederlandse meisjes houden er niet zo van om poppetje te worden genoemd”, verduidelijken we.
Harold fronst een vraagteken en neemt een slok Parbo.
“Enneh: hé schatje, wat heb jij een stoere kont... Dat kan dan zeker ook niet.”
“Nee”, zeg ik, “dat is ook niet echt een voltreffer.”
“Wat is eigenlijk een stoere kont”, vraagt Rob. Als fotograaf is hij altijd in voor details.
“Weet je dat dan niet jongen”, glimlacht Harold, en hij grijnst een rij parelwitte tanden met een gouden inzetje bloot.
“Kijk”, zegt hij, wijzend op een Hindoestaans meisje dat langs De Waterkant heupwiegt. “Zie je dat smatje daar, ja, zij daar in die jeans en dat strakke topje. Zie je haar mooie strakke billen, dat is een stoere kont, oe, wat een spange tanga zeg, die billen maken haar helemaal aan het praten man."
"Een sexy kontje dus."
"Nee jongen, geen sexy kontje. Bij een sexy kontje zie je die string lekker in haar billen kruipen. Een stoer kontje heeft meer klasse.”
Spange tanga, sexy kontje, lekkere slip: Rob besluit een paar djogo’s te bestellen.
Dit wordt een leerzame avond.
“Harold”, stel ik intussen voor, als hij enigszins tot bedaren is gekomen, en het smatje uit zijn gezichtveld is verdwenen. “Als je nou eens wat minder over poppetjes en kontjes tegen die Nederlandse meisjes begint, maar het gewoon eens probeert met een gesprek.”
Harold kijkt geschrokken.
“Ja, een gesprek. Vraag wat zij doet in Suriname. Wees geïnteresseerd, en luister nou eens naar haar en niet naar je pik. Besluip haar met woorden zoals een tijger een prooi.”
“Haar besluipen als een tijger", herhaalt Harold. "Man, dat is mooi, maar weet je, ik wil gewoon recht op die sappige poenta af. Jullie in Amsterdam hebben die cuties helemaal verkeerd afgericht. Wat moet ik met woorden terwijl ik mijn lichaam kan laten spreken. Ik wil ballen met die sma."
Ik kijk naar het lichaam van Harold en begrijp hem volkomen.
Rob zet drie djogo’s op tafel en we klinken.
“Ik moet dus sluipen”, zegt Harold na een ferme slok.
“Jij moet sluipen Harold”, herhalen we. “Vertel ons morgen hoe het is gegaan.”
“Zeker weten, jongens, dank je, chill.”
Harold drinkt zijn fles leeg en verdwijnt in het donker. Wij bestellen soto bij Soemi en frietbakjes creools bij Inez.
De volgende avond houden we als Lieve Lita weer spreekuur langs De Waterkant.
Maar hoeveel Parbo’s, stoere kontjes en smatjes ook voorbij komen, geen Harold.
Wel schuift Clarence bij ons aan.
Een mooie lange neger.
Hij heeft een probleem met Nederlandse meisjes, vertelt hij. Steeds als hij ze complimentjes maakt, draaien ze boos van hem weg.
Het wordt wederom een leerzame avond.

foto: Kooijmans Industrieel Ontwerp Eindhoven. Prijswinnende ontwerpers van ms. Vlieland
File op de Afsluitdijk. Het leukste dorpje van Nederland. De hipste ferry ter wereld. Konijnenkeutels, Meeuwen Flatsen, cranberrydrankjes en ander waddenlekkers. Plus een gepimpt hotel met zolderkamertjes vermomd als suites. Een lang weekend op Vlieland.
Hoe is het mogelijk.
Een file op De Afsluitdijk.
Een boot heeft de Lorentz-sluizen bij Kornwerderzand geramd en daardoor blijft Friesland anderhalf uur voor autoverkeer vanaf de Afsluitdijk gesloten.
Dus daar staan we met ons goede gedrag.
Mr en Mrs Global en onze 16 maanden jonge dochter Joeki.
Ruim op tijd vertrokken uit Amsterdam.
Maar nee.
Dag middagboot van 14.15 uur die ons vanuit Harlingen naar Vlieland zal varen.
Welkom avondboot van 19.00 die om 20.30 uur op Vlieland landt.
Dan maar wat door Harlingen slenteren.
Geen straf.
Harlingen is een van de mooiste dorpjes van ons land.
Maar eerst nog die file, en onze boottickets telefonisch omwisselen en het hotel over onze vertraging informeren.
Hopelijk gaat Joeki in haar kinderzitje slapen, maar nee, zij zit liever met pappa achter het stuur en stapt trots door de file.
Toettoet, zegt zij.
De chauffeurs zwaaien terug.
Een weekendje Vlieland was het idee. Omdat je na twintig keer Hotel Van der Werff op Schier eens een ander eiland wilt.
We hadden gelezen over het gepimpte Badhotel Bruin op Oost-Vlieland.
De ronkende hotelbrochure beloofde van alles. 'Lever de bagage af bij de paard en wagen die op de kade staat te wachten en wandel het charmante dorp in'. Wat te denken van de fatboy voor de hond en tripp trapps voor de kinderen, voor wie elke avond een beertje in bed klaar lag. En dankzij de interne babyfoon konden pappa en mamma ongestoord beneden eten in het restaurant en genieten van een 'mediterrane keuken met Vlielandse flair' gebaseerd op 'zoveel mogelijk uit eigen streek', weg te spoelen door 'de grootste wijnkelder van Noord Nederland'.
Dus stappen we met vijf uur vertraging nog immer opgewekt in Harlingen aan boord van de ms. Vlieland. Een sieraad van een boot. Bekroond met de design-Oscar uit de cruise- en ferrywereld.
Terecht.
Vooral de trendy lounge en hippe bar misstaan in geen enkele hoofdstad.
Om 20.30 uur landen we op de donkere kade van het dorp Oost-Vlieland.
De beloofde paard en wagen staan dan al op stal. In plaats daarvan wacht een truck waarin we onze koffers kunnen laden, beloofde de hoteleigenaar.
Maar hoe we ook zoeken, die zien we niet. Wel staan er laadwagens klaar voor Strandhotel Seeduyn.
Weer een belletje dan maar.
“Nee, we hebben daar geen eigen laadkar. Je bagage kun je wel in die van het Strandhotel doen”, vertelt de hoteleigenaar.
Helder.
Badhotel Bruin handelt in praatjes, mopperen we, terwijl we met koffers en babyspullen al door de Dorpstraat richting hotel puffen.
Gelukkig hebben we niet al te veel bagage.
En ach, het is slechts tien minuten zeulen.
Wie heeft dan nog paard en wagen nodig.
De eigenaar van Badhotel Bruin zit zelf achter de receptie.
Joeki begin subiet tegen hem te dreinen; zij moet echt in bed.
Maar in onze bestelde Hästens-suite ontbreekt een kinderbedje, laat staan de beloofde knuffelbeer. Merkwaardig.
Hij weet van Joeki en de vertraging, en weet toch ook dat het al ruim over peuterbedtijd is. En dan blijkt ook nog eens onze plastic sleutelcard niet te werken.
Mrs. Global oogt als ontploffingsgevaarlijk.
Joeki ook.
En er komt bijkans rook uit de oren van Mrs. Global als zij de Hästens suite ziet.
Een van de duurdere kamers, maar niet groter dan een zolderkamertje.
Het in allerijl geïnstalleerde HEMA-kinderbedje blokkeert bijkans de badkamerdeur, zonder ligbad, waar de goedkopere superieure kamers die wel hebben.
Niet om lullig te doen, maar dat is vreemd.
“Ik wil naar huis”, moppert Mrs. Global. “Wat is dit voor raar hotel. Kleine kamer, geen kinderbedje, geen bad, geen paard en wagen, geen teddybeer, wat een larie allemaal. En wat een kutontvangst. We hadden gebeld dat we later kwamen."
En dan valt zij tevreden in slaap.
De volgende ochtend lijkt alles beter.
We rollen Joeki in haar Urban Jungle over schelpenpaadjes door de duinen naar het zandstrand.
Zij heeft de hele dag nodig om bij te komen van de lange reis, en slaapt 's avonds -nog immer beerloos- na een enkel vocaal opstootje als een roos.
Dus aanschuiven in het mediterrane restaurant met Vlielandse flair en de grootste wijnkelder van Noord-Nederland.
De wijnkaart is evenwel bescheiden. En de Ripasso die we op het oog hebben, is van de lijst gehaald.
“Gek”, zegt het bedienmeisje. “U bent al de derde vanavond die naar die fles vraagt. Waar niemand die voorheen zag staan.”
Over het eten zelf kunnen we kort zijn.
Dat is niet best.
De salade met veldsla en linzen blijkt gedrenkt in zoet; de diepvriescarpaccio met foie gras-boterkrullen smaakt naar nergens; de zeebaars komt van de grill, maar mist de geur en smaak ervan, hoe nadrukkelijk ook grilrandjes in de bebloemde vishuid zijn gedrukt. Ook de tarbot wordt opgediend met een grilbelofte, maar heeft overduidelijk enkel boter geproefd. En wat doen die Hollandse garnaaltjes, streepjes mayonaise en al die andere poespas over de vis en elders op onze borden.
Sommige restaurants verwarren overdadig met lekker.
Maar opsmuk dient enkel ter maskering van slechte kwaliteit.
Ook tijdens de bediening gaat er die avond logistiek van alles mis. Edoch, de stagières van de Hogere Hotelschool uit Leeuwarden doen allemaal vreselijk hun best, zoals iedereen in het hotel zijn best doet. En dat is aandoenlijk.
Suite en eten blijven een teleurstelling. En de leugenpraatjes over paarden en beren kan het hotel maar beter voor zich houden.
In de loveseats en hangbanken beneden blijkt het evenwel fijn vertoeven.
Edoch: niet meer doen zo'n suite in Badhotel Bruin, besluiten we.
Op Vlieland komen we wel terug.
Bijvoorbeeld vanwege dat biefstukje bij 't Geuzennest of wellicht later voor de lamsoren of het Vlielands konijn met cranberrysaus.
Die flessen wijn van Badhotel Bruin nemen we dan wel mee de duinen in.
Of smokkelen we aan boord van de ms. Vlieland. Om het hele weekend over het water te heen-en-weren, en relaxed over de wadden met de robben te staren.
[kader]
Vlielandse specialiteiten zijn schaars. Behalve de obligate kruidenbitter en cranberrydrankjes. Voor toeristen zijn er nog de Geitenkeutels, Konijnenkeutels en Meeuwen Flatsen en ander Vlielander suikergoed uit het nostalgische snoepwinkeltje. En voor liefhebbers wachten vele Vlielandse konijnen. Probeer op de wal de hamburger van de lunchkaart van eetcafé Nooitgedagt in Harlingen.

'Leuk feestje gehad'. 'Goh, ga je alweer op vakantie'. Hoe vaak ik dat al niet heb gehoord. Ook Mrs. Global wilde maar niet geloven waarom ik altijd redelijk uitgewoond van een food & travel-reportage terug kwam. Dus besloot ik haar enkele jaren geleden op reportage mee te nemen. En dat heeft zij geweten.
Jarenlang kampeerden we op een boerencamping in Grignan.
In de Drôme.
Op een kruiploopje van een slager, alimentation en bakker, en toch midden in de natuur tussen de truffelbomen en lavendelvelden.
Volgens veelkampeerders was het de mooiste camping van Frankrijk.
Gasten bleven er dan ook terugkomen.
Totdat ze kinderen of kleinkinderen kregen, want die waren op de camping van Max en Veronique niet welkom.
Grignan lag op prettige rijafstand van verschillende Côte du Rhône-Villages-dorpjes als Valréas, Visan en Vinsobres.
De laatste V van deze VVV hadden we geadopteerd. Omdat het zo mooi op een heuvel lag zoals alleen Franse plattelandplaatsjes ademloos fraai op een heuvel kunnen liggen.
In Vinsobres kenden we na verloop van tijd de weg.
In de groentewinkel van René Chambon mochten we zelf de perziken en tomaten uitzoeken, en we waren op bonjour-niveau in de bakkerij van Monsieur Ginoux.
Ook Pipo herkende ons elk jaar na enkele dagen weer.
De hond bezette steevast het kruispunt voor het terras van Le Bistrot, aan de Place de l'Eglise. Afdalende wielrenners moesten voor hem in de smalle straatjes flink in de remmen knijpen. Ook voor claxons was Pipo oost-indisch doof.
Vinsobres kende een lange wijngeschiedenis.
De naam van het dorpje zou verwijzen naar sobere wijn. Althans, een aartsbisschop uit het nabijgelegen Vaison-la-Romaine had de wijn uit Vinsobres ooit als zodanig betiteld.
Een gevreesde druivenziekte maakte in de 18e eeuw aan de productie van de sobere wijn evenwel een einde. De wijnboeren besloten zich daarom om te scholen tot olijfboeren. De meeste olijfbomen vroren evenwel na de strenge winter van 1956 dood. Een hoekje wijnstokken overleefde de vorst, en dus bekeerden de boeren zich weer tot de wijnbouw.
Vinsobres beleef aldus Vinsobres.
En ik zag een verhaal in Vinsobres.
Een portret van een typisch wijndorpje in Frankrijk.
Dat vond een reisblad een goed idee.
Mrs. Global, toen nog gewoon Miss Global, volgde op dat moment een fotocursus en zou de plaatjes schieten, en via een pr-bureau wist ik gedurende onze vakantie voor enkele dagen een gratis kamer in een hotel annex wijnchateau te regelen.
Aldus verruilden we gedurende onze vakantie onze tent in Grignan voor een luxueuze matras in Domaine de Cabasse in Seguret.
Om negen uur 's ochtends de volgende dag werden we bij Le Bistrot in Vinsobres opgewacht door een vertaler. Fransen mogen dan in Europa een grote mond tot ver over hun landsgrenzen hebben, de meesten weigeren ook maar een woord over diezelfde landsgrenzen te spreken.
We gingen eerst op bezoek bij Richard en Pascal Jaume, twee wijnbroers die midden in Vinsobres hun wijnkelders hadden.
Voor de deur werden we tegemoet gekwispeld door Pipo.
Richard was zijn baasje.
We vertelden dat we hem kenden. Van het kruispunt voor Le Bistrot.
“Hij past niet alleen op ons huis, maar dus kennelijk op het hele dorp”, grapte Richard.
Na die grap bracht hij ons naar de Jaume-wijngaarden. Gelegen tegen de hellingen richting St. Maurice, een andere Côte du Rhône Village.
Les Côtes, heet het gebied. Volgens Richard het beste terroir van Vinsobres. Dankzij de ligging, temperatuur en vooral de mergelbodem.
Hij ratelde nog een rondje over verschillende druivenrassen, liters en opbrengsten, en toen gingen we terug naar Vinsobres om te proeven.
In de wijnkelder van Jaume stonden al tien flesssen open.
Het was nog geen elf uur.
Miss Global slikte.
De foto's die ze na de proeverij schoot van de broers waren niet echt overtuigend, en bovendien, we moesten door.
Beneden in het dal wachtte Hubert Valayer van Domaine de Deurre. Een buitenbeentje onder de locale vignerons.
Met een kale kop en een grunge baardje scheurde hij op een Harley door het dorp. Op zo'n motorfiets was hij ook getrouwd in Las Vegas met zijn Amerikaanse vrouw. In de Amerikaanse bak die naast het domaine stond, waren ze van Californië naar Europa gescheurd.
Zijn grootvader was een gerespecteerd wijnmaker en oprichter van de coöperatie. Hubert wilde liever voor zichzelf beginnen en besloot het contract met de coopérative niet te verlengen, en daar schrok iedereen in Vinsobres van. Want de familie bezat aanzienlijke hectares op Les Côtes. En die smakelijke liters kon de coöperatie goed gebruiken.
Hubert zag het anders.
Hij wilde geen druiven kweken, maar zelf wijn maken. En dat lukte.
Domaine de Deurre maakte al jaren de beste witte wijn van het dorp.
En natuurlijk moesten we die proeven.
Miss Global zag de open flessen en besloot dat ze buiten enkele foto's wilde maken.
's Middags kregen we een lunch aangeboden. Met de burgemeester en eigenaar van een viersterren camping. Acht gangen, met steeds weer een andere Vinsobres. In welke druivencombinatie dan ook.
De ogen van Miss Global tolden. Zij viel bijna van haar stoel.
Ook de olijke burgermeester kon haar niet wakker houden.
Zij bleef evenwel keurig naar hem lachen.
“Ik wil naar bed”, fluisterde zij tussen hoofdgerecht en dessert in mijn oor.
“En Jezus, ik word gek van die man.”
Maar Miss Global mocht niet naar bed, maar moest aan de slag.
Op het programma 's middags stond nog een afspraak met François die ons alles ging vertellen over de geschiedenis van het dorpje, incluis een wandeling door het dorpje. Met als toetje een proeverij. Met medewerking van onder meer Château de Rouanne, Domaine Bouchard de la Bicarelle, Domaine Chaume Arnaud.
En zo moesten we zonder morren blijven luisteren naar beleefdheidsgesprekken, en zonder tegengas blijven glimlachen naar nog weer nieuwe gastheren en gastmevrouwen.
Leuk, zei Miss Global.
Ja, leuk, zei ik.
Om zeven uur waren we terug in het hotel.
Miss Global ging meteen onder zeil.
Ik besloot tot een ontnuchterende duik in het zwembad.
Een uur later moest ik Miss Global wakker maken.
Voor de volgende proeverij met vier wijnproducenten uit de streek, met aansluitend een etentje in Le Bistrot.
“Kom op aanstelster”, zei ik. “Dit is geen snoepreisje, maar werk.
"Je bed uit. We moeten door."
Miss Global heeft me vanaf die dag nimmer meer een prettige vakantie gewenst als ik op pad ging voor een food & travel-reportage.
In plaats daarvan stopt zij altijd stiekem een doosje Finimal tussen mijn onderbroeken.
Want ja, je moet wel door.

Mr. Global doet Londen. Knightsbridge om precies te zijn, met al zijn trendy bars, überdure winkels en hippe vogels. Ook gaat hij tafelen met Beckham in een Michelin-restaurant. Blijf dus Cheffen volgen.

foto: robvandervet.nl
Cassave voor, cassave na. Het menu van de Cariben en Arowakken in Suriname is niet echt gevarieerd. Gelukkig kun je al die cassave wegspoelen met cassavebier.
Verwacht in Suriname geen tarwebloemzachte palmenstranden.
In plaats daarvan vind je langs het overgrote deel van de kust een laag grijze drab, uitgebraakt door de Amazone-rivier.
Op een strook zand van vijf kilometer na.
Galibi, heet die zandstrook met caribean-feel.
Ongeveer drie uur bussen en twee uur varen vanaf Paramaribo.
Je hotelbed staat in een eenvoudige hut tussen mangostruiken, katoenplanten en cashewnootbomen, op loopafstand van de indianendorpen Christiaankondre en Langamankondre. Dat maakt het strandleven er net even anders dan op Guadaloupe en Kho Pha Nhang.
In de tweelingstad Christiaankondre en Langamankondre wonen zo'n duizend indianen; Cariben en Arowakken.
Ga gerust bij hen buurten.
Verwacht er evenwel geen wigwams en Klukkluks met verentooien.
Hun traditionele huizen ruilen indianen steeds vaker in voor houten woningen met koelkast, televisie en ghettoblaster.
Pijl en boog zijn er evenzo al een tijdje uit de mode. De mannen dragen liever Nikes en shorts voorzien van een swoosh. Meisjes voelen zich meer senang in een bloesje of shirt van Donna of Diesel.
Voor de rest leven de Cariben en Arowakken in Galibi hun leventje zoals ze dat al eeuwen doen.
De mannen vlechten manden, bouwen korjalen of gaan vissen en jagen. De vrouwen waken over de kinderen en kostgrondjes, en koken vooral met cassave, de aardappel van de jungle.
Die langgerekte bruine knol vermalen ze tot pulp die ze stoppen in een matapi. Deze casavepers van palmstengen hangt in een boom. Onderaan bungelt een steen die giftig blauwzuur uit de pulp wringt waardoor enkel meel voor cassavebrood overblijft. Het meel wordt uitgerold en gebakken in flinterdunne mega cd-schijven die overal in de dorpjes liggen te drogen.
Cassavebrood gaat lang mee.
Een cassaveknol valt evenzo schillen en in reepjes te bakken of frituren. Cassave gaat verder in de soep, en je kunt ervan koekjes, donuts, cassareep en kroepoek maken.
Van het giftige zuur brouwen de vrouwen cassavebier.
Kasiri.
Het is rood of bruin, en ruikt en smaakt zeer zuur.
We krijgen een kommetje aangereikt.
Snel opdrinken, besluiten we na een voorzichtig nipje.
Moet ook wel. De zure lucht doet ons bijkans braken.
Ad fundum dus.
De indianenmanen vinden dat prachtig, en schenken direct bij.
Vijf procent alcohol voelt in de tropenhitte als veertig.
Ook komt er cassavebrood en peperwater op tafel.
Het kan niet op.
Tiponje, zeggen we, lekker, en we proberen erbij zo vriendelijk mogelijk te glimlachen.
Pas na nog vijf kommen kasiri laten de mannen ons gaan, en dat is jammer, want we hebben net besloten dat we kasiri echt tiponje vinden.
Je moet evenwel niet te veel cassavebier achterover slaan als je midden in de nacht moet opstaan. En dat moeten we. Voor een korjaaltocht in een Indiaanse Piaka-boot die ons voert naar een strand met reuzenschildpadden.
Leatherbacks: kruipende rotsen van twee meter uit de gewichtsklasse van meer dan 600 kilo.
Ze zwemmen de hele wereld over om generatie op generatie instinctief terug te keren naar Galibi, waar ze tussen februari en augustus hun eieren leggen, en dat doen ze het liefst midden in de nacht.
Wil je dat eierwerpen bijwonen, dan betekent dat dus nachtbraken.
Daarvoor wacht een onstuimig riviertochtje in het donker over wild water en door golven vliegen die je van alle kanten belagen.
Eigen schuld.
Moeten we de reuzenschildpadden maar niet storen in hun baringsnood.
Strandzand stuift naar alle kanten wanneer een hoogzwanger leatherbackmeisje met ferme roeibewegingen van haar minipootjes een gat graaft. Als dat diep genoeg is, poept zij er met veel krachtsvertoon en tranende ogen honderd pingpongeieren in.
Anderhalf uur later is zij klaar, bestrooit haar kraamkamer met een flinke laag zand en waggelt in slow motion uitgeput weer terug naar zee. Onwetend van het ongelukkige lot dat vele van haar jonkies wacht.
Slechts twee tot drie van haar eieren zullen overleven.
Veel babyschildpadjes worden op weg naar de branding opgepeuzeld door vogels en vissen. Eieren belanden als omelet op het bord van de indianen. Ook trekken die graag soep van leatherbacks. Een verboden delicatesse.
Wij troosten ons met nog maar een kommetje kasiri.
De eerste slokjes zijn opnieuw even wennen, maar dan raken we al snel in de plezierige ban van tiponje.
Het leven van een moderne Klukkluk blijkt dan helemaal zo gek nog niet.
Maar om dat gevoel te ervaren, heb je wel liters zuur vuurwater nodig.

Foto: robvandervet.nl
De Twinotter ronkt over een lappendeken van broccolistronkjes. Op 2400 voet, precies onder de wolken, zodat we van het uitzicht beneden kunnen genieten. Daar zien we kabouterhuisjes langs een meanderrivier, maar liggen vooral broccolistronkjes, onderbroken door postzegelformaat kostgrondjes, plekken midden in het oerwoud waar junglebewoners cassave, rijst, bananen en pinda's laten groeien.
In het broccolilandschap wonen Saramaccanen. Nazaten van gevluchte slaven, die Nederlanders eeuwen geleden met geweld uit Ghana stalen. Diep in het Surinaamse oerwoud wisten ze zich te verschuilen voor plantagehouders en ook na jaren nog hun Afrikaanse taal en cultuur te behouden.
We gaan met hun cultuur kennismaken, en landen daarom na ruim een uur vliegen vanaf Paramaribo op de groene airstrip van Kayana, het laatste bewoonde dorpje aan de Surinamerivier.
We zijn in een keer in donker Afrika.
Voor ons staan gitzwarte jonge vrouwen in fel gekleurde gewaden met kruiken op hun hoofd. We zien mannen met houwers en geweren.
Geen struikrovers, maar jagers op zoek naar een pingo, tapir, hert of gordeldier, begrijpen we. En een gordeldier is het smakelijkste hapje van de jungle.
Donkere jongetjes met uitpuilbuikjes blijven ons met evenveel verbazing als ontzag aanstaren, en besluiten dan met ons mee te rennen naar de korjalen.
In die smalle bootjes zakken we Grande Rio af, een zijtak van de Surinamerivier, de snelweg van het oerwoud, het bos zoals in Suriname zelf zeggen.
Middenin in Grande Rio ligt het eilandje Awarradam. Het wordt beheerd door Njang Njang Man, locaal beter bekend als Mijnheer Frederici Dinge. Hij draagt een dokterjas en woont er met elf kinderen. Allemaal van hem; Njang Njang Man houdt wel van doktertje spelen.
“Ik ben bonuman,” zegt hij.
Een bonuman is een soort medicijnman.
“Het bos fungeert al honderden jaren als onze apotheek. Vooral liaansoorten genezen tegen allerlei kwaaltjes. Opro maka is goed tegen kiespijn, diatete heelt de dorst en dobrudua is onze viagra.”
Njang Njang Man kijkt er veelbetekenend bij, en knipoogt naar zijn kinderen.
Dan treedt gids Nootje met een trits jungletips naar voren.
Hij waarschuwt voor killerants, kruipdoor sluipdoor luizen, gifkikkers in felle kleuren, en scherpe plantenbladen met de werking van een cirkelzaag. Slangen liggen overal, maar slapen vooral overdag. Niettemin: als je een bushmaster tegenkomt, de grootste en meest dodelijke van het stel, kun je beter maken dat je wegkomt. Stel dat je de maka sneki in zijn dutje verstoord.
De hoogste tijd voor een boswandeling.
Daartoe klimmen we eerst in een korjaal.
Onderweg passeren we stroomversnellingen en kaaimannen.
No span, zegt Nootje. Je kunt gerust in het water zwemmen. Surinaamse kroko's bijten niet. Maak je evenzo niet druk om piranha's. Doen de jongetjes ook niet die vrolijk in en uit de rivier waterspetteren.
Dan leggen we aan bij een dorpje.
Voordat we daar doorheen mogen lopen, moeten we eerst het stamhoofd omkopen. Hij zit afwachtend achter een tafel. Aan zijn voeten liggen tientallen lege flessen.
Nootje legt een fles Johnnie Walker en Borgoe-rum op de grond. De prijs voor een wandeling door zijn dorp.
Maar voor een wandeling krijg ik geen kans.
Ik word door enkele vrouwen bij mijn kladden gegrepen en voorgesteld aan een kleine mevrouw zonder tanden en met borsten die tot diep over hun buik naar beneden druipen.
Niet echt Miss Saramacca.
Zij lacht naar mij, en blijft heen en weer tussen haar en mij wijzen, waarbij woorden vallen als bakra (blanke) en moksi meti (gemengd vlees).
Tussendoor gieren alle bosomstanders van de pret.
“Ze vindt jou een lekker ding, en wil graag een kind van je”, vertaalt Nootje lachend.
Mijn lach is in de tropische hitte pardoes bevroren.
Maar Miss Saramacca grijnst opnieuw en begint aan mijn armen te trekken.
Zonneklaar: ik moet haar volgen.
Voor een goed gesprek is geen tijd.
De mannen uit het dorp kunnen ieder moment van de jacht terugkomen, begrijp ik. Dus meekomen, gebaren ook drie halfblote andere vrouwen die me vastpakken en achter de tandeloze Saramaccaanse Miss aantrekken.
Onderwijl praten en lachen ze erbij, en prikken ze in mijn zij.
“Help Nootje, help,” roep ik.
Nootje is evenwel tussen de flessen bij het stamhoofd verdwenen. En de vrouwen raken alsmaar meer opgewonden.
Ik vrees dat ik moet kwartetten.
Dan wijst mijn aanstaande sekspartner naar een hut, enkele honderden meter verderop. Er ontstaat gekwebbel, gekibbelen gedoe, en de drie laten me los.
Jaloezie in de tent.
Meteen grijp ik mijn kans.
Ik trek een sprint en verdwijn in het groen.
Achter mijn rug hoor ik het geruzie wegsterven.
Opgelucht haal ik adem.
Maar wat nu.
Want waar ben ik en hoe kom ik veilig terug. Zonder te worden aangevallen door gevaarlijke junglebeesten of te worden aangerand door sekshongerige junglevrouwen.
Ik kijk om me heen langs de bomen en dan verstijf ik.
Pal boven me hangt een gigantische slang.
Een bushmaster, gilt het door me heen. De dodelijkste slang van de jungle.
Gelukkig, daar is Nootje.
In zijn handen houdt hij een geweer.
“Staan blijven,” gebaart hij.
Staan blijven, jezus man, er hangt een massamoordenaar boven mijn hoofd, de alom gevreesde maka sneki, schiet op, knal die sneki uit de boom, schiet op.
Ik bibber bijna uit mijn vel, en dan klinkt een schot.
Aansluitend verwacht ik een doffe plof op de grond, maar er volgt geen plof. Naar omhoog kijken durf ik niet, hoeft ook niet, mijn doodsangst doet mij omhoog veren richting Nootje, die enkele meters verderop voor mij uit springt over takken en struiken.
Ik spring hem als een hert achterna. Alle wijsheid over cirkelzaagkamerplanten en gifkikkers ben ik vergeten.
En plots houdt Nootje stil.
Voor zijn voeten ligt een merkwaardig dood beest.
“Een gordeldier”, zegt hij. “Het allersmakelijkste hapje van de jungle. Maar no span, wat doe jij hier.”
“Nootje”, hijg ik, “die vrouwen. Is dat een jungle ontgroeningritueel ofzo?”
Nootje vouwt het gordeldier over zijn schouder, en begint luidkeels te lachen. Ik hoor vogels opvliegen en Apenheul-aapjes door bomen springen.
“Misschien kan dit smakelijke hapje de vrouwen wat tot bedaren brengen”, zegt hij. En met een knipoog: “Ik vermoed dat ze dit nog lekkerder dan bakravlees vinden.”
Ik besluit hun keuze niet af te wachten, stel dat het vlees niet goed van de gril of uit de pan komt, en kies voor mijn hangmat op Awarradam.
Uit veiligheidsoverwegingen besluit ik daar ook niet meer vandaan te komen.

foto: robvandervet.nl
Het is het officiële drankje van Lissabon. De bittere smaakt past ook als geen ander bij de Portugese hoofdstad. Maar een echt uithangbord wil ginjinha maar niet worden. Lissabon is de stad van de saudade. En die stemt bezoekers al bitter genoeg.
Een lange rij in het centrum.
Voor een deuropening aan de Largo de Sao Domingos.
Dat stemt nieuwsgierig.
Vooral als blijkt dat achter de deuropening een soort barretje zit, nou ja, een minibarretje dan.
Achter de toog staat een man met een prachtige snor, een kale kruin en uilebril. Hij schenkt aan een stuk een dieprode kersendrank in plastic glaasjes.
Tachtig eurocent per bekertje.
Zonder of met gefermenteerde kers.
Jongeren prefereren het met 7-Up. Of vermengd met limonade.
Buiten opdrinken. Binnen is voor toogklevers geen plaats.
A Ginjinha, heet het barretje. Getuige enkele muuropschriften zit het daar al even.
Sinds 1840 om precies te zijn.
Om me heen vooral Britten.
Logisch: ik sta voor een bar.
Het barretje wordt evenwel niet gefrequenteerd door bierbuikige cockneys met tatoes of Liverpudlians in morsige singlets en korte broeken, maar door keurige mevrouwen en mijnheren die even aandachtig als voorzichtig nippen aan de plastic kleinduimpje glaasjes.
De inhoud maakt het groepje mevrouwen aan het rillen.
Eentje krijgt er zelfs kippenvel van.
Haar gids wil haar helpen.
Een soort Luís Figo op leeftijd en een grijns die keurige Britse mevrouwen doet zwijmelen.
“Niet nippen”, zegt Figo, “maar, hup, in een keer achterover. Je krijgt het er lekker warm van.”
Dus hup, daar gaat ze.
Het drankje bezorgt haar evenwel nog meer kippenvel.
Net zoals haar keurige buurvrouw mevrouw, wiens zomerjurkje na het slokje pardoes omhoog gaat waaien. En dat uitzicht maakt een glaasje ginjinha er bij voorbaat niet lekkerder op.
Ginjinha wordt gemaakt van ginja, bittere of zure kersen, ook wel morellen geheten.
Lissabon was ooit omringd
|