
Vanaf het vliegveld van Bergen zijn we op weg naar het stadje Voss.
Samen met onze gast Marije die als hoofdpersoon fungeert van een reisverhaal waarin fjorden, inhammen, meren en bergpieken als decor voor haar innerlijk fungeren.
Op een kwartiertje rijden van onze eindbestemming krijg ik een sms’je van onze Noorse gastvrouw die Iril heet.
Zij is al in Voss en wacht op ons naast de kerk, en die kunnen we niet missen.
Van daaruit gaan we naar een steakhouse voor een diner.
Om acht uur is voor ons een tafeltje gereserveerd.
Ik sms dat we over een kwartiertje in het vossenstadje zijn.
Voordat we aan de dis gaan, willen we eerst willen inchecken in ons hotel.
‘Jullie kunnen de extra tijd beter gebruiken om eetinkopen te gaan doen, want morgen is het zondag en dan zijn de winkels dicht’, lees ik terug.
‘Pardon’, tik ik. ‘Zijn er geen restaurants open in de buurt dan’.
‘Jawel, maar die zijn ’s ochtends gesloten’.
Ik begrijp er niks meer van.
We ontbijten toch gewoon in ons hotel?
Waarom en voor wie moeten we in hemelsnaam boodschappen doen?
‘Jullie staan geboekt voor self catering’, krijg ik terug.
Ik staar over een Noors landschap dat plots kilometers leger lijkt.
Het is nog vier kilometer tot Voss.
Rob en onze gast Marije kwebbelen gedwee voorin.
Ik besluit op de achterbank tot een rustig belletje.
“Er zou voor ons ontbijt worden gezorgd”, probeer ik op fluistertoon tegen Iril, “dat staat in een e-mail die hier voor mij ligt. Ook zou voor kamers worden gezorgd die tegenover elkaar liggen.”
Daar weet zij niks van.
Door mijn hoofd sobert een Wagneriaanse crescendo uit de eerste suite van Peer Gynt.
Marije kijkt eens achterom, en vraagt of alles goed gaat.
Rob weet beter, en zwijgt. Zijn ogen krijgen de blik van een opgerichte cobra.
Iril zegt dat we ter plekke maar iets ontbijtachtigs moeten regelen, net zoals de andere dagen dat we in het ressort verblijven.
Het heeft geen zin haar uit te leggen dat we geen tijd hebben elke dag ontbijtboodschappen te doen. Alsof ook overal waar we zijn zomaar een Spar, Coop of Meny opduikt.
Ik draai het autoraampje open, neem een diepe haal frisse Noorse berglucht en vertel Iril dat we waarschijnlijk iets later aan tafel schuiven.
“Ik moet om negen uur vertrekken”, hoor ik haar nog naspartelen aan de andere kant van de telefoon.
Ik schud mijn hoofd en zie dat Rob zijn cobrablik heeft ingeruild voor die van berustend zeeleeuwtje.
Marije laat een zenuwachtige giechel.
“Hebben we geen hotel?”, vraagt zij.
“Zoiets”, zucht ik, “maar dat zal wel goed komen.”
Even later rijden we door Voss dat de uitstraling heeft van een wintersportplaatsje in zomertijd. Het ligt aan een meer dat vooral heel fraai oogt van boven, merken we als we omhoog richting ons hotel cirkelen.
Ons slaapverblijf blijkt een soort Center Parcs tegen een heuvel; het bestaat uit donkerbruine houten huisjes met een grasdak, en biedt leuke doorkijkjes op het vossenmeer en omringende groen.
We zien voor de huisjes en op het parkeerterrein nabij de receptie vooral gele nummerborden met NL ernaast.
Ik meld mij aan de balie.
Voor mij wacht een Nederlandse stel dat oogt als een leraarfamilie uit Heerenveen.
Hij draagt een roodblauw Tenson-jack, zij idem dito, hun blonde dochter kijkt beteuterd door een rond roze brilletje, hun blonde zoontje kijkt zonder montuur even verveeld. Zij bestellen brood voor de volgende ochtend, en flesjes frisdrank en vooruit, pappa durft best een Ringnes-biertje aan.
Ik tuur over hun schouder in een eetzaal met sneue houten stoeltjes en sneue houten tafeltjes met geborduurde kleedjes.
Hai, zeg ik tegen het receptiemeisje.
Het receptiemeisje hait vrolijk terug.
Zij checkt namen en overhandigt sleutels, en vertelt over een gevulde koelkast voor het ontbijt.
Dat stelt gerust.
Wij moeten enkel nog brood bestellen, en dat doe ik daarom maar.
Voor Marije wacht een kamer in het receptiegebouw, boven de keuken annex bar die rijkelijk is gevuld met gokautomaten en biljarttafels. Het raam kijkt uit op een grijs parkeerterrein en een half afgekloven voetbalveld waarin graafmachines met open monden staan.
Een inspiratieve omgeving.
Constateert evenzo het beteuterde gezicht van Marije.
Het koelkastontbijt bestaat uit een literpak melk en literpak sinaasappelsap. Op de bordje liggen schijfjes grijze worst en plakjes mokkabruine kaas.
Marije kijkt alsof ze lijkenlucht ruikt.
“Jij gaat daar niet slapen”, zeg ik als we buiten staan.
Marije zwijgt in een bevestigend zwijgen.
Het andere huisje staat iets verderop.
Het heeft het interieur van een Zwitsers chalet uit de jaren veertig. Er is een tweepersoonsmatras en een kamer met twee smalle bedjes.
Ik zie het leraarsgezin uit Heerenveen gezellig rond de tafel met een Scrabble-bord, terwijl mamma nog eens met de colafles en een zak chips rond gaat.
Opnieuw bel ik met Iril.
Ik vertel haar over mijn bevindingen. Dat we journalisten zijn die echt geen tijd hebben overdag in alle rust te gaan supermarkten en dat we een gast bij ons hebben van wie een creatieve bijdrage naar aanleiding van de reis wordt verwacht. En dat een kamer met uitzicht over een parkeerterrein annex bouwplaats niet echt bevorderlijk voor creatieve oprispingen is.
Iril stamelt en zweet, en na enig aandringen zal zij bellen naar de receptie en vragen of er andere kamer voor Marije is.
Die is er. Een kwartier lopen bergafwaarts. Met natuurview.
We moeten uit de andere kamer boven de bar zelf het beddengoed en het ontbijt meenemen, want dat andere huisje is niet met een gestrekt bedje en gevulde koelkast bedeeld.
Aldus lopen Rob en ik even later naar de auto; hij heeft zijn hoofd verstopt in beddengoed, ik jongleer met een pak melk en sinasappelsap, en bordjes belegd met Noorse bruine brunost-kaas en grijze worst van twijfelachtige herkomst.
Het huisje ligt op ruim vijf rijminuten heuvelafwaarts.
We leggen de lakens op het bed, vullen de koelkast en gaan op weg naar het steakrestaurant.
Vlak voordat we Voss binnenrijden, zegt Marije dat er geen toiletpapier op haar kamer is.
Rob trapt van de schrik op de rem.
Dan bel ik de redactrice van het tijdschrift, en die neemt op zaterdagavond gelukkig op, alsof ze al een telefoontje van mij verwachtte.
“Jullie gaan verhuizen”, zegt zij. “Dit kan niet. Wil je Marije zeggen dat wij ons doodschamen. Ik ga op internet kijken of er ander hotel is.”
Een uurtje later dan gepland arriveren we bij Iril.
In het steakhouse wacht een tafeltje.
"Pizza is on the house", zegt zij.
"De drankjes moeten jullie zelf betalen."
Aan tafel verschijnt een leuk Hindoestaans meisje dat brabbelt over pizza’s die allemaal zijn vernoemd naar dorpjes in de omgeving.
We besluit de pizzadorpjes te negeren en bestellen bier, Noorse mosselen, gravlaks en biefstuk met aardappelgratin.
Nog voordat ik mijn biefstuk kan aansnijden, krijg ik een verlossend sms’je: de redactrice heeft elders in Voss kamers met toiletpapier gevonden.
Om elf uur rijden we voor de laatste keer de berg naar het ressort op. We pakken onze koffers, kieperen de sleutels met een begeleidend briefje door een brievenbus –in de receptie is het donker- en rijden naar het Fleischer’s Hotel, een hotel met een hoog Hotel Van der Werf-gehalte.
Hai, zeg ik tegen een receptiemeisje.
Het receptiemeisjes hait vrolijk terug.
Marije heeft een eigen kamer, Rob en ik delen.
Uitgeput ploffen we elk op een matras.
“Zag je dat, naast onze kamerdeur op de gang staat een ijsautomaat”, zegt Rob.
Ik veer overeind, Rob loopt naar de badkamer.
Met twee plastic glaasjes gaat hij richting de gang, ik open de fles Jameson uit mijn See Buy & Fly-tas.
The rocks are on the house, weten we.
We geven elk glas de naam van een dorpje uit de buurt.
Gelukkig is onze topografische kennis van de omgeving beperkt.


























Reacties (4)
Hoe smaakte de kaas?..
Hot Chocolate | 07 augustus 2008 22:28
@Chocolaatje. Die kaas kun je krijgen in verschillende smaken. Van beetje caramellig tot beetje te veel caramellig. Geen choco dus.
Mr. Global | 08 augustus 2008 12:18
@Heet chocolaatje. Je hebt brunost in verschillende smaken. Variërend van licht caramel tot iets te veel caramel (voor je kaasgevoel). Wellicht dat jij daar hot van wordt?
Mr. Global | 08 augustus 2008 18:51
Zooo lekker, brunost, gjetost, jammie!
Hippo | 08 augustus 2008 21:50