
Ik ben een sucker voor blik. In mijn jeugd was ik een woest verzamelaar van drankblikjes, sleepte tot intens verdriet van mijn vader (mijn moeder tegen mijn vader: 'laat die jongen nou toch!') vuilniszakken vol door europa op de diverse zomervakanties. Trein, boot, auto, bus, ik rammelde er lustig op los. Die o, zo vrolijke jaren '70, waarin alles mocht en kon. Als mijn kinderen het in hun hoofd halen een dergelijke hobby te beginnen stuur ik ze naar kostschool.
Zelf ben ik niet veel veranderd, mannen evolueren nou eenmaal niet zo snel. Ik verzamel nog steeds blik, maar nu gevuld met etenswaar.
Tonijn.
Mijn voorraadkast staat er vol mee. Sardanelli en Ortiz, dat zijn de mooiste. Als ik het werk van John Fante herlees, voor de zoveelste keer, (lees die man!), word ik altijd weer week bij de passages over de visconserven. Op mijn verjaardag brengen mensen ingeblikte tonijn voor me mee. Het is sterker dan ik.
Als ik erg mistroostig ben doe ik het volgende:
Ik grijp naar de zak Penne Rigate van De Cecco (sinds mijn tijd in Italië ben ik geen Barillista meer), en zet water op. Daarna pak ik een bol knoflook, geef er een dreun op, waarna ik de hoeveelheid losgekomen teentjes nog wat verder plet. Ik snipper een sjalot of twee, doe een dikke laag uitstekende olijfolie in een oude pan (vergeet niet: ik ben nog steeds mistroostig) en laat de knoflook en de ui langzaam hun smaak afgeven aan de olie. Er gaan wat pepperoncini bij, en dan pak ik een blik Tonijn van 250 gram. De helft eet ik staande de bereiding op, de andere helft gaat in de pan. Laag vuur. Vervolgens ren ik naar de ijskast, pak kappertjes, en hopelijk ook de ansjovis van Ortiz, en voeg beiden toe, blus af met een flinke scheut voor dit doel veel te lekkere witte wijn en tenslotte pak ik het blik Napolitaanse pruimtomaten dat daartoe altijd even mistroostig in de kelder staat. Hup, in de pan. Het vuur staat matig hoog. Als de tomaten wat uitelkaar gevallen zijn gooi ik in de pan ernaast vlak vóór de Penne er in gaan een onfatsoenlijke hoeveelheid zout in het water, dan de Penne, en nog een scheut water bij de tomaten.
Ik neem een diep, altijd wit bord. Ik pak de pepermolen, en als ik ook nog boos ben de fles tabasco en soms, héél soms, ook nog de parmezaanse kaas, al zou mijn oude baas Massimo me vermoorden als hij me kaas over vis zag raspen.
Dan zet ik de witte wijn, die ik gedurende de bereiding dronk, weg, en ik duik in de kelder. Mistroostig betekent nu eenmaal: Rode Wijn. Nu is het zaak een goede rode wijn aan te treffen. Een die tevreden dronken maakt en niet conflicteert met al het zout en vet. En het liefst ook een veel te dure wijn voor dit moment, zodat je een excuus hebt om de hele fles leeg te drinken. Ik grijp dan graag naar een jonge Barolo, en mompel Bob Ross-achtige dingen terwijl ik de trap weer oploop. (Why not have a Barolo?)
Meestal gaat het dan weer iets beter met me, en lodderig kijkend naar het vette metaal op het aanrecht realiseer ik me tevreden dat ik een reden heb om nieuwe tonijnblikken te kopen.

























