
foto: Cuno van 't Hoff
Vijf dagen trekken we van het ene wijnhuis naar het andere. Met tussenstops om te lunchen en te slapen. Onder leiding van een even mooi als rondborstig meisje dat zich allengs ontpopt tot een stressrijk serpent. “Ik wil dat jullie nu komen, vite vite vite.” Flipperen met Sabrina.
Sabrina komt aangelopen.
In haar kielzog de dagbladredactrice die hijgt met rode konen.
Sabrina voelt onze blik en kijkt ons fel aan.
“We gaan,” zegt zij.
Ik wissel een korte blik met de wijnjournalist.
Moeten we Sabrina vertellen dat zij ongeschikt is voor haar werk. Dat zij daarvoor bij lange niet empathisch, flexibel en doortastend is. Dat zij is geboren met een groot gebrek aan relativeringsvermogen. En dat allang niet langer haar borsten, maar haar omgangsnormen ons ademnood bezorgen.
Nee.
Natuurlijk doen we dat niet.
De wijnjournalist en ik hebben besloten haar de resterende dagen te negeren. De dagbladredactrice zei toch al niet veel tegen iedereen, en de Sopexa-begeleidster Michèle mag redden wat er nog te redden valt.
Aldus rijden we even later over de Route du Soleil naar de noordelijk Rhône.
Om ons heen zien we het landschap allengs ont-provençaalsen. En dat geeft in de noordelijke Rhône totaal andere wijnen.
Daar groeit bijna uitsluitend syrah en viognier waar ze in het zuiden voor het maken van rood en wit een druivenratjetoe gebruiken.
De Côtes du Rhône is qua look en smaak een schizofrene wijnstreek.
Ook de Mégane is gescheiden in twee delen.
Met Sabrina en Michèle voorin, en de dagbladredactrice, wijnjournalist en ik op de achterbank.
Sabrina kwebbelt Engelse zinnen die achterin geen enkel reactie ontlokken.
De wijnjournalist en ik babbelen enkel nog in het Nederlands, dat bij Michèle voorin af en toe een grinnikje doet losmaken.
Als Sabrina vraagt waarover het gaat, diplomatiekt Michèle in woord en gebaar, maar getuige het norse Sabrina-gefrons overtuigt dat niet.
Dan zien we de afslag Tain l’Hermitage.
De wijnjournalist begint te glunderen: Tain l’Hermitage.
We zien de Rhône-rivier en een steile helling vol wijnterrassen.
Richting die hellingen verlaten we ook de Autoroute, naar Tournon, het tweelingdorpje van Tain dat aan de overkant van de Rhône ligt.
Daar parkeert Sabrina de auto.
De wijnjournalist wil buiten direct wijnlucht inademen, maar verstikt zich in een passerende bus.
De dagbladredactrice bladert door een taalgids die zij uit haar tasje haalt.
Sabrina spreekt in haar mobieltje.
Het is half twee.
We gaan lunchen.
Restaurant Auberge Le Chaudron ligt aan een bijna verstopt pleintje in Tournon.
Binnen schudden we handen met eigenaren Dominique en Marc Grillon.
Hij is geblokt en blond, en draagt een snor.
Zij is geblokt en blond, en draagt een bril met een monteur dat in ons land enkel nog tekenleraressen uit Eersel durven dragen.
Achter hen verschijnt onze gastvrouw Murielle Chardin-Frouin, export manager van het huis Cave de Tain. Een Française die praat en oogt als een Britse, zo bleek oogt haar huid en zo Oxfordiaans-keurig is haar accent.
We nemen plaats aan de laatste vrije tafel.
Murielle overhandigt ons een perspakket en de wijnjournalist begint direct met haar aan te pappen.
Michèle probeert voor de zoveelste keer een gesprekje met de dagbladredactrice.
Sabrina staart in stilte.
Ik laat mijn zinnen los op de paté caillette, warme stukjes gekruid varkenspaté die als amuse op tafel staan, maak aantekeningen en ga bijna onderuit van de witte Saint-Péray ‘Fleur de Roc’. Een mix van houtgerijpte marsanne en rousanne-druiven. Lees ik in het perspakket.
Er verschijnt nog een koppel Cave de Tain-flessen op tafel, als begeleider van de konijnterrine, kip met moerieltjes en chocoladefondant.
Bij de Cornas ‘Arènes Sauvages’ vervalt de wijnjournalist in orgastische genotkreetjes.
“Weer die mooie dampigheid van ingedroogde vijgen”, jubelt hij vanuit een hoek van de tafel. “Ook die chocoladefondant smaakt er heel goed bij, fantastisch, heel mooi is dit. Vooral als je kijkt naar de prijs.”
Murielle begint er zowaar kleur van te krijgen.
Sabrina trekt verveeld aan de puntjes van haar haar.
Na de lunch stopt de auto bij Cave Desmeure.
Dat klinkt niet echt lekker.
En dat zijn de wijnen ook niet.
Het maakt ons melig.
Wellicht ook door de après-lunch nadronk.
Sabrina kan ons gegiebel niet waarderen.
De vrouw die de proefwijnen schenkt ook niet.
Ze vinden elkaar in hun afgrijzen.
“Slecht terroir, fout hout”, zegt de wijnjournalist na een zoveelste slok.
De dagbladredactrice neemt dat oordeel wijs over.
"Chateau C1000 smaakt beter", grap ik.
Ook dat oordeel neemt zij wijs over.
Dan wacht een bezoek aan een van de bekendste huizen uit Frankrijk: Chapoutier. Dat merk heeft etiketten in braille, en daarmee was het in 1996 de eerste wijnproducent ter wereld.
Een pr-stuntje om evenzo mensen met een slecht gezichtsvermogen aan de juiste fles te krijgen, vermoeden we.
Er blijkt evenzo een wijngeschiedkundige verklaring.
De eigenaar van de Hermitage-hellingen was ene Maurice Monier de la Sizeranne.
Hij was de uitvinder van de eerste versie van braille.
Dat vroeg om een ode op de fles, vonden ze bij Chapoutier.
“Ik heb geregeld dat Michel Chapoutier himself ons gaat ontvangen”, pocht de wijnjournalist.
Onze gastheer stelt zich evenwel voor als Jérémie Fay.
“Tjezus christus”, vloekt de wijnjournalist, “we krijgen een loopjongen.”
De loopjongen loodst ons naar een grote zaal, laat een videoscherm naar beneden vallen en toont een film die vertelt over de biodynamische manier waarop Chapoutier zijn braillewijn maakt.
Het wijnhuis bewerkt de wijnterrassen met enkel natuurlijke middelen, zodat de soms 65-jaar krasse wijnstokken zichzelf leren verdedigen tegen ziektes en ander ongewenst bezoek.
Op het scherm zien we hoe mannen tussen de wijnstokken gefermenteerde kruiden, gemalen takken en gedroogde poep uitstrooien. Daarna wordt de aarde luchtig opgeklopt door een paard met een ploeg, want zie op de steile geterrasseerde hellingen langs de rivier maar eens mechanische paardenkrachten omhoog te krijgen. Bovendien stampen zware tractorbanden de grond teveel aan, waar de Chapoutier-wijngaarden juist lucht kunnen gebruiken.
“Bij onze werkzaamheden in de wijngaard houden we ook rekening met de stand van de maan”, zegt Jérémy zonder een spier te vertrekken.
Met die opmerking zet hij onze lippen en ruggengraat onmiddellijk in de gniffelhouding. Daaruit veren beide onmiddellijk terug als we mogen proeven van een Condrieu Invitare 2006.
“Ananas, lichees en ander exotisch fruit, boter, vers gemaaid gras, en toch lekker fris mineralig, alle druiven in een druif”, lekkerbekt de wijnjournalist. En hij blijft in juichzinnen praten als er nog meer wit en rood wordt ontkurkt.
Ik ruik meloenen in een liederlijk glas Chante-Alouette.
In een glas Le Pavillon snuffel ik aan aardbeien en walnoten, terwijl in mijn mond tabak en zoethout om voorrang vechten.
Wat een feest voor 140 euro per fles.
Voor wijn van biodynamische poep en goede maandstonden moet je wat over hebben.
Chapoutier verkoopt ook braillewijn onder de tien euro.
’s Avonds wacht een diner onder een fonkelende Michelinster van Michel Chabran, in diens hotel-restaurant in Pont-de-L’Isére. Met aan tafel de tweelingbroertjes Eric en Joël Durand die met flessen St-Joseph en Cornas voor een nog vrolijker aankleding zullen zorgen.
Het restaurant van Michel Chabran ligt op een allesbehalve idyllische plek aan een drukke Route National waar vrachtauto’s het servies laten rinkelen.
Vooraf het diner mogen we antichambreren in de lounge. Een grote kale ruimte met geelbruine lederen stoelen met de sfeer van een koffie met cake-gelegenheid in een crematorium.
Dan ook arriveert één van de broers, de ander zal helemaal niet komen.
In het restaurant eten niet veel mensen.
In de hoeken ontwaren we zakenmijnheren met dikke buiken en jongere vrouwen.
De vrouwen hebben vooral oog voor hun nagels.
Wij mogen plaatsnemen aan een grote ronde tafel.
Sabrina krijgt een plek naast een lege stoel, aan haar andere kant zit de wijnjournalist.
Zij heeft haar dolfijntje weer omgedaan. Het ligt rustig om haar nek.
Even meen ik het nog te zien flipperen, maar die opwinding komt door de wijn.
Ook die begeerprikkelingen krijgen een stootje.
Daarvoor zorgt de Michelin-ster sommelier.
Op diens gezicht wemelt het van de roodgele puistjes, in de oksels van zijn jacquet ruikt het naar oud zweet van bibliothecarissen waarvan zweempjes akelig lang boven onze glazen Cornas blijven hangen.
Het doet Eric -of is het toch Joël- nog eens aan de kurk snuffelen om te kijken of er niks mis met de fles is.
Ik stop mijn neus in een stukje stokbrood dat op tafel ligt.
Dat vormt tegelijk het culinair hoogtepunt van de kookkunsten van Michel Chabran.
Het hoofdgerecht is exemplarisch: lamsschouder met uitgedroogde randjes, gefrituurde rozemarijntakjes en ratatouille.
Leuk voor een eetcafé, maar absoluut niet van sterniveau.
We verlangen naar afzakkertjes in een kroeg.
Maar Pont-de-L’Isére kent geen cafés, en die zijn er zijn, hebben allang hun deuren gesloten, vertelt een receptioniste.
“Dit is eigenlijk alleen een plek waar overdag truckers stoppen om steak frites te eten.”
“Een merkwaardige plek voor een Michelinster”, vinden we.
“Ja”, zegt de receptioniste, “is het niet wonderlijk?”
De volgende ochtend passeert de laatste proeverij.
Na de lunch zitten we op een bankje in Ampuis uit te buiken in de zon.
We hebben nog vier uur te vullen voor onze vlucht vanaf het vliegveld van Lyon.
Vanaf Ampuis is het vliegveld een half uurtje rijden.
Een toeristische wijnroute stel ik voor.
Een beetje downsizen in een cafeetje aan een jeu de boulle-rijk peintje, probeert de wijnjournalist.
Maar Sabrina heeft geen zin in toeristische routes noch jeu de boulle-rijke pleintjes.
Zij wil naar het vliegveld van Lyon.
Dan kan zij naar huis.
We moeten ons maar op het vliegveld vermaken.
We kijken elkaar aan, en ach, ons bevreemd niks meer.
Aldus rijden we richting Lyon en daar mist Sabrina de afslag naar de Autoroute die de stad aan de oostkant passeert en waaraan ook het vliegveld ligt.
Zij volgt de oude Autoroute die dwars door het centrum van Lyon loopt.
En ik ben de enige die dat ziet.
Er is althans niemand die wat zegt.
Binnen tien minuten staan we in een file.
Ik glimlach besmuikt en sla een tijdschrift open.
Een half uur later rijden we nog slakvoets.
Sabrina lispelt steeds iets harder merde en shit en aanverwante begrippen.
Ook de wijnjournalist ontwaakt.
Is er geen snellere verbinding naar het vliegveld, moppert hij.
“Zij heeft de afslag naar het vliegveld Saint Exupéry gemist”, zeg ik in het Engels. “Dat ligt langs de snelweg die loopt langs het oosten van de stad. Inderdaad vanaf Ampuis slechts twintig minuten rijden.
“Gottjezus nee, het schaap”, reageert de wijnjournalist in het Nederlands.
“Nee hoor, ik heb geen enkele afslag gemist”, pruttelt Sabrina. “Het is gewoon druk. Daarom wilde ik ook geen toeristische route rijden.”
Michèle ontvouwt ietwat geëergerd een wegenkaart en laat die pontificaal op het dashboard voor Sabrina liggen.
Dan blijft het stil.
Na drie uur stilstaan en slakkegang bereiken we het vliegveld.
We moeten ons nog haasten naar de gate.
Als we allemaal zitten, beginnen we te lachen.
Dat arme kind. Dat arme Inter-Rhône dat met Sabrina pr moet bedrijven.
“Waarom had zij nou zo’n haast vanmiddag”, vraag ik aan Michèle.
“Werd het haar echt te veel?”
"Nee", weet Michèle. "Zij krijgt over twee weken een puppy. Dat beestje zou aan het eind van de middag enkele spuitjes krijgen en daar wilde zij bij zijn."
Zelfs de mond van de dagbladredactrice valt open.
We bestellen van de schrik in het vliegtuig maar een miniflesje wijn.
Een syrah, uit de nieuwe wijnwereld.
Reacties (2)
Een snik van droefenis als ik mij besef dat dit het laatste deel van Sabrina is..Moraal van het verhaal zal wel zijn dat mooie borsten slechts prachtig worden als ze goed tussen de oren zitten. Ben vol verwachting over de komende reisverslagen....
Henry | 02 januari 2008 09:27
Fijn die wakkere lezers. Fijn ook die nadenkende lezers. Fijn ook lezende lezers. Voor allemaal een fijn culinair 2008.
Cor | 02 januari 2008 09:55