Ze zijn de laatste vissers in het Verenigd Koninklijk die kokkels met hand en hark uit de blubber halen. Tot je enkels in de zanddrab met de pickers van Penclawdd.

foto: Rob van der Vet
Hij zwijgt en harkt.
Door de blubber van de drooggevallen Burry Inlet.
Als Elliot James tientallen kokkels heeft bloot geharkt, pakt hij zijn zeef, schept ermee door het slib, en zeeft als een goudzoeker de schelpen zandvrij.
De allerkleinsten ploffen door de mazen van de zeef terug op de blubbergrond.
"Babykokkels", zegt Elliot. "Die moet je ook laten liggen. Ze vormen ons banksaldo voor volgend jaar."
Dan houdt hij weer zijn mond. Zoals Elliot James uit het Welse Penclawdd al ruim vijftig jaar elke werkdag bij eb de Burry Inlet aanharkt, zwijgend en harkend.
79 jaar is hij.
Thuiszetten wil hij niet.
Alsjeblieft niet zeg, proest hij met zijn hoge stemmetje.
Wat moet hij de hele dag thuis, bij zijn vrouw.
Bovendien: "Wat is er op een zonnige dag mooier dan buiten te werken", zegt zijn 40-jarige zoon Peter die al even zwijgend de drabwoestijn van de Burry Inlet aanharkt. "Midden in de natuur onder een blauwe lucht. Er zijn mensen die jaloers op mij zijn."
Dat zal best, maar toch niet in de winter.
Dan is kokkelvissen echt geen pretje, in de harde koude zeewind met je handen in het bibberkoude water.
"Och, dat hoort erbij", schouderophaalt Elliot, "en die kou maakt je bewust van de wetten van de natuur. Als je al niet in God gelooft, leer je die dan wel kennen."
Kokkelvissen was jarenlang vrouwenwerk.
Vrouwen verdienden ermee een extraatje, naast het geld dat hun mannen verdienden in de mijnen. "Dat kokkelextraatje groeide uit als hoofdinkomen als mijnwerkers niet langer in de mijnen konden werken; hun longen aangekoekt met mijnstof", vertelt Mark Swiston, opperhoofd van Penclawdd Shellfish Processing.
"In de lunchpauzes stonden de vrouwen hun mannen met kokkels op te wachten. De zilte smaak zou de aanslag van mijnstof voorkomen. Onzin natuurlijk. Zodra de mijnwerkers in de buitenlucht stonden, klapten hun longen open. Na uren ondergronds stonden ze eindelijk weer buiten, en dan maakt het niet uit wat je eet. Ze hapten frisse lucht. Niettemin blijft het een leuk verhaal, dus laten we dat zo maar houden."
Mark is de vijfde generatie Swiston die in kokkels doet.
In de Burry Inlet, een monding van een Loughor-rivier. Een beschermd natuurgebied van 6700 hectare met in het noorden de plaatsen Llanelli en Burry Port, en in het zuiden Gower en Penclawdd.
De Inlet kent een getijverschil van acht meter.
Bij eb valt de inham droog in een kilometers saaie donkergrijze tot grijszwarte vlakte.
Onder dat donkere zand zitten de kokkels verstopt.
Jarenlang mocht iedereen die dat wilde ze rapen, en telde de streek zo'n 2000 mannen en vrouwen die dagelijks door het slib aan het harken waren.
Om te voorkomen dat die de Inlet van kokkels zouden leeg roven en er over een aantal jaren geen enkele schelp meer te vinden zou zijn, besloot de South Wales Sea Fisheries Committee in 1965 dat enkel nog mannen die konden bewijzen dat ze beroepsvisser waren jaarlijks een kokkelvangstvergunning kregen.
55 bleken dat er, en die doen hun werk nog altijd met de hand. Zoals kokkels al eeuwen rond Penclawdd met de hand worden gerooid, en waar dat als een van de allerlaatste plekken ter plek wereld nog steeds zo gebeurt.
Het bezorgde de kokkels uit de Burry Inlet een kwaliteitslabel.
"Met sleepnetten woel je de kokkels om door het zand, schieten ze in de stress en komt er meer zand in de schelp en dus in het kokkelvlees. Niet fijn. Bovendien plet je met een net veel babykokkels, en dat is niet echt een garantie voor een duurzame kokkeltoekomst."
Jaarlijks rapen de pickers, zoals de kokkelvissers lokaal heten, 1000 tot 5000 ton kokkels uit de Burry Inlet. Ieder maximaal driehonderd kilo per dag.
Peter: "Hoe eerder je die hebt gevangen, hoe eerder je je geld hebt verdiend en naar huis kunt, en ja, dan kun je beter maar niet te veel tegen elkaar zeggen, dat leidt enkel af."
Die ochtend zijn ze in drie uur klaar.
Hun gezichten, shirts en armen zitten onder het opgedroogde slib.
Met zeep en Burry Inlet-water wast Peter zijn handen, wangen en armen schoon, en trekt een nieuw t-shirt aan. De geur van de zee zal hij nog uren bij zich dragen.
Elliot: "Hier in die uitgestrekte ziltheid ruik je die misschien niet, maar als ik thuiskom, och man, er waren dagen dat mijn vrouw me niet binnenliet." Met een glimlach: "Nu hoop ik soms dat ze mij niet binnenlaat, dan kan ik met de jongens een biertje gaan drinken."
Ook de kokkels krijgen een douche. In de fabriek worden ze gewassen en gekookt, en verdwijnen geblikt of gepot naar elders in de wereld. De meeste gaan als tapa richting Spanje, een klein deel belandt op de markt in Swansea en als Penclawdd breakfast bij JJ's in Penclawdd.
"De J van Jennifer en de J van July, onze twee dochters", vertelt eigenaresse Maire, die naar frituur en gebakken eieren ruikt.
Zij serveert het Penclawdd ontbijt de hele dag.
Even de kokkels opwarmen in spekvet en die serveren met uitgebakken bacon, een flinke klodder zeewier plus een snee brood doordrenkt in vet.
Een stevig maal voor 2 pond 25, dat geurt naar de zee en waarvan het zeewier je tanden doet knarsen.
Het is dan net alsof je Elliot weer harken door de Burry Inlet hoort.
Als eerbetoon aan de laatste pickers van Groot-Brittanië hoor je bij het Penclawdd ontbijt dan ook te zwijgen.


























Reacties (1)
Potverdikke Global, mooi stuk weer. Ik voelde het slib in m'n laarsen lopen tijdens het lezen.
Maar, dat die boys 300 kilo per dag 'uitgraven', dat geloof je toch niet.
Cuno | 28 juli 2007 16:19