
Foto: robvandervet.nl
De Twinotter ronkt over een lappendeken van broccolistronkjes. Op 2400 voet, precies onder de wolken, zodat we van het uitzicht beneden kunnen genieten. Daar zien we kabouterhuisjes langs een meanderrivier, maar liggen vooral broccolistronkjes, onderbroken door postzegelformaat kostgrondjes, plekken midden in het oerwoud waar junglebewoners cassave, rijst, bananen en pinda's laten groeien.
In het broccolilandschap wonen Saramaccanen. Nazaten van gevluchte slaven, die Nederlanders eeuwen geleden met geweld uit Ghana stalen. Diep in het Surinaamse oerwoud wisten ze zich te verschuilen voor plantagehouders en ook na jaren nog hun Afrikaanse taal en cultuur te behouden.
We gaan met hun cultuur kennismaken, en landen daarom na ruim een uur vliegen vanaf Paramaribo op de groene airstrip van Kayana, het laatste bewoonde dorpje aan de Surinamerivier.
We zijn in een keer in donker Afrika.
Voor ons staan gitzwarte jonge vrouwen in fel gekleurde gewaden met kruiken op hun hoofd. We zien mannen met houwers en geweren.
Geen struikrovers, maar jagers op zoek naar een pingo, tapir, hert of gordeldier, begrijpen we. En een gordeldier is het smakelijkste hapje van de jungle.
Donkere jongetjes met uitpuilbuikjes blijven ons met evenveel verbazing als ontzag aanstaren, en besluiten dan met ons mee te rennen naar de korjalen.
In die smalle bootjes zakken we Grande Rio af, een zijtak van de Surinamerivier, de snelweg van het oerwoud, het bos zoals in Suriname zelf zeggen.
Middenin in Grande Rio ligt het eilandje Awarradam. Het wordt beheerd door Njang Njang Man, locaal beter bekend als Mijnheer Frederici Dinge. Hij draagt een dokterjas en woont er met elf kinderen. Allemaal van hem; Njang Njang Man houdt wel van doktertje spelen.
“Ik ben bonuman,” zegt hij.
Een bonuman is een soort medicijnman.
“Het bos fungeert al honderden jaren als onze apotheek. Vooral liaansoorten genezen tegen allerlei kwaaltjes. Opro maka is goed tegen kiespijn, diatete heelt de dorst en dobrudua is onze viagra.”
Njang Njang Man kijkt er veelbetekenend bij, en knipoogt naar zijn kinderen.
Dan treedt gids Nootje met een trits jungletips naar voren.
Hij waarschuwt voor killerants, kruipdoor sluipdoor luizen, gifkikkers in felle kleuren, en scherpe plantenbladen met de werking van een cirkelzaag. Slangen liggen overal, maar slapen vooral overdag. Niettemin: als je een bushmaster tegenkomt, de grootste en meest dodelijke van het stel, kun je beter maken dat je wegkomt. Stel dat je de maka sneki in zijn dutje verstoord.
De hoogste tijd voor een boswandeling.
Daartoe klimmen we eerst in een korjaal.
Onderweg passeren we stroomversnellingen en kaaimannen.
No span, zegt Nootje. Je kunt gerust in het water zwemmen. Surinaamse kroko's bijten niet. Maak je evenzo niet druk om piranha's. Doen de jongetjes ook niet die vrolijk in en uit de rivier waterspetteren.
Dan leggen we aan bij een dorpje.
Voordat we daar doorheen mogen lopen, moeten we eerst het stamhoofd omkopen. Hij zit afwachtend achter een tafel. Aan zijn voeten liggen tientallen lege flessen.
Nootje legt een fles Johnnie Walker en Borgoe-rum op de grond. De prijs voor een wandeling door zijn dorp.
Maar voor een wandeling krijg ik geen kans.
Ik word door enkele vrouwen bij mijn kladden gegrepen en voorgesteld aan een kleine mevrouw zonder tanden en met borsten die tot diep over hun buik naar beneden druipen.
Niet echt Miss Saramacca.
Zij lacht naar mij, en blijft heen en weer tussen haar en mij wijzen, waarbij woorden vallen als bakra (blanke) en moksi meti (gemengd vlees).
Tussendoor gieren alle bosomstanders van de pret.
“Ze vindt jou een lekker ding, en wil graag een kind van je”, vertaalt Nootje lachend.
Mijn lach is in de tropische hitte pardoes bevroren.
Maar Miss Saramacca grijnst opnieuw en begint aan mijn armen te trekken.
Zonneklaar: ik moet haar volgen.
Voor een goed gesprek is geen tijd.
De mannen uit het dorp kunnen ieder moment van de jacht terugkomen, begrijp ik. Dus meekomen, gebaren ook drie halfblote andere vrouwen die me vastpakken en achter de tandeloze Saramaccaanse Miss aantrekken.
Onderwijl praten en lachen ze erbij, en prikken ze in mijn zij.
“Help Nootje, help,” roep ik.
Nootje is evenwel tussen de flessen bij het stamhoofd verdwenen. En de vrouwen raken alsmaar meer opgewonden.
Ik vrees dat ik moet kwartetten.
Dan wijst mijn aanstaande sekspartner naar een hut, enkele honderden meter verderop. Er ontstaat gekwebbel, gekibbelen gedoe, en de drie laten me los.
Jaloezie in de tent.
Meteen grijp ik mijn kans.
Ik trek een sprint en verdwijn in het groen.
Achter mijn rug hoor ik het geruzie wegsterven.
Opgelucht haal ik adem.
Maar wat nu.
Want waar ben ik en hoe kom ik veilig terug. Zonder te worden aangevallen door gevaarlijke junglebeesten of te worden aangerand door sekshongerige junglevrouwen.
Ik kijk om me heen langs de bomen en dan verstijf ik.
Pal boven me hangt een gigantische slang.
Een bushmaster, gilt het door me heen. De dodelijkste slang van de jungle.
Gelukkig, daar is Nootje.
In zijn handen houdt hij een geweer.
“Staan blijven,” gebaart hij.
Staan blijven, jezus man, er hangt een massamoordenaar boven mijn hoofd, de alom gevreesde maka sneki, schiet op, knal die sneki uit de boom, schiet op.
Ik bibber bijna uit mijn vel, en dan klinkt een schot.
Aansluitend verwacht ik een doffe plof op de grond, maar er volgt geen plof. Naar omhoog kijken durf ik niet, hoeft ook niet, mijn doodsangst doet mij omhoog veren richting Nootje, die enkele meters verderop voor mij uit springt over takken en struiken.
Ik spring hem als een hert achterna. Alle wijsheid over cirkelzaagkamerplanten en gifkikkers ben ik vergeten.
En plots houdt Nootje stil.
Voor zijn voeten ligt een merkwaardig dood beest.
“Een gordeldier”, zegt hij. “Het allersmakelijkste hapje van de jungle. Maar no span, wat doe jij hier.”
“Nootje”, hijg ik, “die vrouwen. Is dat een jungle ontgroeningritueel ofzo?”
Nootje vouwt het gordeldier over zijn schouder, en begint luidkeels te lachen. Ik hoor vogels opvliegen en Apenheul-aapjes door bomen springen.
“Misschien kan dit smakelijke hapje de vrouwen wat tot bedaren brengen”, zegt hij. En met een knipoog: “Ik vermoed dat ze dit nog lekkerder dan bakravlees vinden.”
Ik besluit hun keuze niet af te wachten, stel dat het vlees niet goed van de gril of uit de pan komt, en kies voor mijn hangmat op Awarradam.
Uit veiligheidsoverwegingen besluit ik daar ook niet meer vandaan te komen.


























Reacties (2)
Lang, maar zeer bevredigend.
Karel | 04 maart 2007 09:27
no span
Anonymous | 04 maart 2007 12:32