
Helemaal eens hoor met die goede vis. Leeggeviste zeeën zitten we niet op te wachten. Maar zo’n goed visje heeft daarna ook nog een goede behandeling nodig. Anders wordt het een vervelende uitgedroogde schoenzool. Niet getreurd, een visje bakken is niet zo moeilijk. Regel 1 is niet te veel klooien. Ligt je visje (laten we zeggen een visfilet met de huid) in de pan, laat m dan lekker liggen. Vooral niet bewegen of prikken met een spatel. Nergens voor nodig. Sterker nog, bak je de vis op de huid, dan heeft hij even tijd nodig om het velletje knapperig te laten worden. Eerst kleeft het een beetje aan de bodem, maar na enkele minuten, laat het vel los als een soort antiaanbaklaagje en wordt het krokant en bruin. Gebruik natuurlijk wel altijd een anti-aanbakkoekenpan, met genoeg olie of boter (let op dat boter niet verbrandt!). Laat de pan goed heet maar niet te heet worden. Na enkele minuten (wat natuurlijk afhangt van de dikte van de vis) keer je de vis met een spatel voorzichtig om, je kunt het vuur nu wel wat lager zetten. De andere kant heeft immers geen vel en hoeft ook niet krokant gebakken te worden. Het gaat nu om het verder garen. Let goed op je vis, zie je aan de zijkant dat de vis niet meer doorzichtig is, dan is ie gaar. Bij witvis kun je een mes in het midden steken om te zien of de vis gaar is. Het beste is als het midden net gaar is. Onno Kleyn vertelde me vanmiddag dat hij voor de camera’s van At5 ook een visje heeft gebakken: een moot snoekbaars, en wel op heel laag vuur. Dat kan natuurlijk ook heel lekker zijn. Hij gebruikte daarbij boter, waardoor de smaak van de vis superzacht wordt.

























