
Miss Spice zit in Cannes. Maakt overzeese tochtjes naar Saint Tropez en eet foie gras voor twee. Over de telefoon hebben we het over groente en mannen. Ze zegt: “Twee keer per dag zit ik hier in een restaurant. Met allerlei mannen en ik bespioneer wat ze eten. Ginger, de groente wordt altijd vergeten”.
En al kan het misschien verkeren, hoe we het ook wenden of keren, Vergeten Groente en Mannen, dat wordt een moeilijk verhaal. We draaien het om.
Londen, 2001. Samen met Lorenzo, mijn toenmalige Florentijnse verloofde, bewoon ik een itsy bitsy teenie weenie appartement aan de Great Western Road. Hier voeren we gepassioneerd discussie over het dagelijkse menu. Ik vertegenwoordig Holland en poch met bloemkolen en de schijf van vijf. Lorenzo schermt met pasta, pizza en salsiccia. Tijdens ons wekelijkse bezoek aan Tesco's vliegt de boodschappenkar vervaarlijk heen en weer tussen groenteafdeling en het schap met voorverpakte spareribs. Grootste bron van twist binnen onze krappe vier muren is echter de geurige aanwezigheid van het dode been (zo noem ik de gedroogde varkenspoot of ham zo je wilt, die koste wat kost werd overgevlogen uit Florence). Het is niet alleen de geur, maar ook de aanblik van die ranzige vettige theedoek die over dat kadaver hangt die me tegen de borst stuit. “Het lijkt hier wel een mortuarium!” roep ik ten einde raad.
Om de harmonie in huis te herstellen besluit lieve Lore mij op een avond te verrassen als ik uit mijn werk kom. Hij heeft voor me gekookt. Blij zet hij het eten op tafel “Naar recept van mia mamma” zegt Lorenzo vol tedere trots en verwachting: ik sta oog in oog met een grote dikke rosbief. Punt.
En de groente? Vergeten.

























